Kistemaker NetWerk

 
Delen :


rss

Kistemaker NetWerk » Diversen » Artikelen uit WFON

Andijkers wilden - en kregen - einde 18e eeuw meer invloed bij de dijkbewaking

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 57e bundel, pagina 82-98.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1990.

Ir. Bert C. Mantel

Eind mei/begin juni 1778 werd aan de Drechterlandse Noorderdijk - het huidige Andijk - door een groot aantal inwoners een verzoekschrift ondertekend, dat betrekking had op de gang van zaken bij storm en/of hoge vloeden. Door ervaringen in de voorgaande jaren was men er niet langer van overtuigd dat de tot dan toe gevolgde procedures de beste waren. Vreemd genoeg was het verzoekschrift niet gericht aan de verantwoordelijke bestuurders van het ambacht Drechterland, maar aan Gecommitteerde Raden van West Friesland en het Noorderkwartier. Dit ogenschijnlijke gebrek aan vertrouwen werd door het bestuur van Drechterland niet gewaardeerd. Drechterland secretaris Joannes Poot stelde een scherpe reactie op naar aanleiding van het verzoekschrift. In dat schrijven kwamen de Andijkers er, voorzichtig gesteld, niet gunstig af. In zijn boek 'In de ban van de dijk' gaat op pag. 94 en 95 onder de kop 'DE LASTIGE ANDIJKERS' ook J. J. Schilstra in op deze zaak. Hij blijkt zich hierbij volledig te hebben gebaseerd op de argumenten van Drechterland. Dit artikel wil aan de hand van de gebeurtenissen in de jaren 1775 tot en met 1777, die hadden geleid tot het genoemde verzoekschrift, aantonen dat ook een minder eenzijdige conclusie over de Andijkers mogelijk is. Alleen al het resultaat van het verzoekschrift rechtvaardigt een nuancering.

Dijkonderhoud

Goed onderhoud van dijken was (en is) duur en arbeidsintensief, maar een sterke, hoge dijk was nu eenmaal van levensbelang. Een zo eerlijk mogelijke verdeling van die lasten was zeer gewenst. In de veertiende eeuw was dat al zo en daarom werd door de graven van Holland een verdeling van de lasten ingevoerd. Daartoe werd het onderhoud aan de Westfriese omringdijk over de verschillende bannen in West Friesland verdeeld. Vreemd was, dat bij deze verdeling, of zoals dat heette verstoeling, een banne soms ver van elkaar verwijderde stukken dijk in onderhoud kreeg toegewezen. Toch hield in grote lijnen deze weinig efficiënte indeling ruim vier eeuwen stand. Pas in 1758 werd een voorstel tot een fundamentele wijziging van die rare situatie bij de Staten van Holland en West Friesland ingediend. Op 24 maart 1759 keurde dat college de nieuwe verstoeling goed [Schilstra, J. J., 1987. 'In de ban van de dijk' (vijfde druk), p. 80 en Waterschap Westfriesland (WW) Oud Archief Drechterland (OAD) inv. nr. 10]. Eén van de dijkgedeelten die onderdeel vormde van die reorganisatie was de Drechterlandsche Noorderdijk, het dijkdeel tussen Wervershoof en Enkhuizen. Tot 1759 was de Noorderdijk verdeeld in elf vakken, een aantal dat in de nieuwe regeling was teruggebracht tot acht. Deze acht vakken waren weer verdeeld over zeven bannen.
De grootste stukken kwamen daarbij voor verantwoordelijkheid van de banne Enkhuizen en Westeinde en die van de Streek-dorpen.
Vanzelfsprekend werd het onderhoud van de dijk goed in de gaten gehouden. Hierbij was, naast het voor het hele ambacht verantwoordelijke college van dijkgraaf en heemraden, voor iedere banne afzonderlijk de door die banne aangestelde waarschap de belangrijkste functionaris. Tot de taken van een waarschap behoorden onder andere het controleren van zijn dijkvak en de daaraan uitgevoerde werkzaamheden, de financiële afwikkeling van alles met betrekking tot zijn dijkvak, maar ook het leiding geven aan de dokwerkers bij calamiteiten, zoals dreigende dijkdoorbraak [Archiefdienst Westfriese Gemeenten (AWG); Gemeente Archief (GA) Grootebroek inv. nr. 540 (Instructie Waarschappen Drechterland d.d. 13-12-1763; goedgekeurd door Gecommitteerde Raden d.d. 16-12-1763)]. Zeker dit- laatste aspect vereiste mensen met de nodige kwaliteiten. November 1775, 1776 en 1777 zou de toen optredende waarschappen de kans bieden hun kwaliteiten te tonen.

November 1775

Zondag 12 november 1775 was het, met name 's avonds, warm voor de tijd van het jaar (ca. 11 graden C). [Waarnemingen in opdracht van het Hoogheemraadschap Rhijnland gedaan bij het gemeenlandshuis Zwanenburg nabij Halfweg.] Tegenover deze hoge thermometerstand stond een steeds verder dalende barometerstand: aankondiging van slecht weer. Dat slechte weer diende zich al voor de middag van maandag 13 november aan. Een aantrekkende west tot noord-westenwind zorgde voor onstuimig weer en de nog steeds dalende barometers voorspelden weinig goeds.

Twee grafieken, 
		gebaseerd op meteorologische gegevens van het hoogheemraadschap Rijnland

Twee grafieken, gebaseerd op meteorologische gegevens van het hoogheemraadschap Rijnland; in de maanden november 1775 en november 1776 verzameld nabij Halfweg. De bovenste lijn geeft de luchtdruk weer (in mmHg), de onderste de windkracht.

De volgende morgen vroeg stormde het rond 5 à 6 uur uit het zuidwesten. Een storm die tegen de middag uit steeds noordelijker richtingen begon te komen en dat bij temperaturen van zo'n 5 graden C. [Glimmerveen, D. J., Geschiedkundig verslag van de meestbekende buitengewone hooge watervloeden, doorbraken en overstromingen welke Noord en Zuid-Nederland van de vroegste tijd tot heden hebben geteisterd. Weijting & Van der Haart, Amsterdam 1856: pag. 86 & 87.] In de namiddag kwam de wind uit het noord-westen tot noorden, soms doorschietend tot noord [WW; OAD, inv. nr. 12, d.d. november 1775.] en werd steeds heviger. Op veel plaatsen langs de kust zou dit het voorspel vormen voor een tragedie. In de nacht van 14 op 15 november 1775 joeg de stormwind, die ongeveer 24 uur aan zou houden, de vloed met name in de Zuiderzee op tot ongekende hoogte. Zelfs hoger dan tijdens de stormvloed van eerste Kerstdag 1717, toen het water hoger kwam dan iemand zich kon herinneren. Het werd derhalve een waterstand waartegen een aantal dijken niet bestand zou blijken met als gevolg veel overstromingen. [Glimmerveen, 1856: pag. 87 en volgende.] Ook bij het nabij West Friesland gelegen Warder ontstonden gaten in de dijk. Niet alleen de Zeevang maar ook Waterland raakte overstroomd en de verliezen aan mensenlevens en goederen waren groot. [Buisman, J. 'Bar en Boos', pag. 167.] Zelfs de bijna onkwetsbaar geachte Hondbossezeewering liep een ongekende schade op. Ook West Friesland kwam zwaar onder de invloed van de enorme hoge vloed in de Zuiderzee. In en rond Medemblik was alles in alarmtoestand. Een vergelijkbare situatie heerste in Enkhuizen, waar in de loop van de nacht grote delen van de stad onder water begonnen te lopen en daken en schoorstenen werden vernield. In Hoorn was rond drie uur 's nachts het water zo hoog gestegen dat men het raadzaam achtte de noodklokken te luiden. [AWG; Oud Archief Hoorn (OAH), inv. nr. 1072, (bergnr. 2482).] Vele schepen op de Noordzee kwamen in nood. [Rijksarchief Noord Holland (RANH), Archief Gecommitteerde Raden Noorderkwartier en Westfriesland (Gecomm. Raden) inv. nr. 11 BU (diverse rapportages omtrent vergane schepen o.a. uit Egmond, Schoorl en de Waddeneilanden).] Een Enkhuizer haringbuis sloeg van zijn anker en werd rond half acht 's avonds tegen de dijk bij de Fluithoek verpletterd. Zes opvarenden kwamen om. [AWG; OAH, inv. nr. 1072 (hergnr. 2482).] Ook grotere schepen sloegen op de Noorderdijk te pletter. [RANH; Gecomm. Raden, inv. nr. 11 BU (brief van de schout van Grootebroek d.d. 25-11-1775 m.b.t. stranding cofschip 'de Vrouwe Cornelia').] Onder deze omstandigheden moest de Westfriese omringdijk zien stand te houden. Met name de dijken aan de noordzijde hadden het moeilijk, want die kregen met de meest uit noordelijke richtingen komende storm de volle laag.

De Noorderdijk houdt stand

De bijna 16 km lange Drechterlandse noorderdijk vervulde een hoofdrol. Het water werd ook daar opgezwiept tot zo'n 5 á 5½ duim (= ca. 14 cm) boven het hoogste peil veroorzaakt door de tot dan toe als hoogste vloed bekende stormvloed van 1717. [WW; OAD, inv. nr. L403.]
De combinatie storm en hoge waterstand - het peil was ruim 8 voet (= ca. 3 meter) hoger dan bij normale vloed - was op een groot aantal plaatsen te veel voor de dijk. Het water stond op de gevaarlijkste momenten maar om en nabij 7 voet (= 2,3 meter) onder de kruin van de dijk. De dijk raakte gedurende de nacht langzaam maar zeker beschadigd. Nu beperkte de schade zich niet zoals te verwachten was tot de zeezijde, maar met name het over de dijk slaande water verzwakte het dijklichaam. De binnentaluds raakten doorweekt en er spoelden steeds groter wordende gaten in. Een zeer dreigende situatie ontstond bij de enigszins in zee stekende dijkgedeelten: de Geldersehoek en de Fluithoek. Vanzelfsprekend noopte die situatie tot actie. De dijk moest het houden, want anders zou West Friesland overstroomd raken. Die nobele gedachte zal op dat hachelijke ogenblik wel niet bij de mensen die de dijk in stand moesten houden op zijn gekomen, maar de wetenschap dat zij als bewoners van de achterliggende polder zelf de eerst getroffenen zouden worden zal voldoende motivatie hebben gegeven om tot het uiterste te gaan.

De Noorderdijk 
		van Drechterland, die het zwaar te verduren kreeg.

De Noorderdijk van Drechterland, die het zwaar te verduren kreeg. Een fragment van de kaart van Drechterland (1723). Rechts de Venhoek. Naar links gaande komen we resp. langs de Geldersehoek, de Fluithoek en de Kathoek. Met I is aangegeven de banne Grootebroek, II is de banne Bovenkarspel en III de banne Enkhuizen. (Rijksarchief in Noord-Holland.)

Zoals reeds omschreven was het dijkonderhoud verdeeld over de Westfriese bannen. De bedreigde dijk bij de Geldersehoek viel onder de verantwoordelijkheid van Enkhuizen en Westeinde. Vertegenwoordigers van die banne die bij de dijk waren zagen in de loop van de nacht van 14 op 15 november 1775 wel in dat er veel energie en arbeid moesten worden aangewend om dijkdoorbraak te voorkomen. Bij de Geldersehoek, maar ook bij de nabij gelegen vuurtoren de 'Ven' (banne Hoogkarspel) spoelden hele stukken dijk in zee. [WW; OAD, inv. nr. 12 folio 229, 230.] Ter ondersteuning van de bij de Geldersehoek reeds in de loeiende storm en in het donker ploeterende 'Boeren, en 't volk dat van Dijkgraafswegen daar in het werk was, die met hunne dorsch zeijlen en andere dijkmaterialen de verdere aanslag des waters tragten te weren en te behouden dat er nog overig was' [AWG; OAH, inv. nr. 1072, (bergnr. 2482).] werd om twee uur 's nachts een compagnie Enkhuizer schutters naar de dijk gedirigeerd. De volgende morgen werden zelfs nog één á twee compagnieën schutters extra naar de Noorderdijk gezonden. Ook bij de andere bedreigde plaatsen waren velen met noeste ijver bezig zeilen, gewichten etc. te plaatsen om er zo voor te zorgen dat de dijk stand zou houden. Toen donderdag 16 november de wind was gaan liggen kon overal de balans worden opgemaakt. Voor iedereen werd toen duidelijk dat met meer geluk dan wijsheid een dijkdoorbraak was voorkomen. Claas Cos formuleerde het in zijn rapportage van de schade die hij op 14 december 1775 voor Gecommitteerde Raden opstelde zo: 'Het welke dog door de Goddelijke voorsienigheijd met het doen cesseren der Winde, het lager worden der zeewateren en door de Trouwe hulp der menschen genadelijk is verhoed geworden'. [AWG; OAH, inv. nr. 1072, (bergnr. 2482).]

Vanaf dat ogenblik werd een grootschalige hersteloperatie van een bijna onvoorstelbare hoeveelheid schade uitgevoerd. In een aantal verslagen werd de enorme schade aan de Noorderdijk beschreven. In één van de registers beschreef Drechterland-secretaris Pool in grote lijnen de zwaarste schade, met daarbij soms een korte verwijzing naar het gevoel van radeloosheid dat de toeschouwers die nacht moeten hebben gehad. Zoals toen bij "t Kerkje te Andijk (...) een gedeelte van de wierriem en aardendijk in zee gerukt en weggeslagen (werd), waardoor in die nagt een groote consternatie veroorzaakte' en bij de eerder genoemde Fluithoek waar de schade bestond uit 'een lengte van 70 roeden (zo'n 275 meter) de wierdijk bijna alles in zee gerukt met een groot gedeelte van den aardendijk daar dezelve op sommige plaatsen maar tot 6 voeten (= slechts 1,9 meter) breette gekomen was, zoodat hier alles voor verloren wierde geagt'. Maar op veel meer plaatsen was de dijk zwaar beschadigd zoals bij de vuurtoren de 'Ven'. Schade daar ontstaan 'toen de wind beoosten 't noord liep, is wel 25 roeden (± 100 meter), de buitengloijing van den aardendijk, met een gedeelte van de kruijn der dijks tot op vijf voeten (± 1,6 meter) na, door de zee weggeslagen en tot een diepte van meer als een manslengte weggenomen niet tegenstaande dat alhier een buitenoever voor was'. [WW; OAD, inv. nr. 12 (beschrijving van de toestand door secretaris J. Pool. Een vergelijkbaar rapport was dat van Claas Cos d.d. 13 en 14 december 1775 (AWG; OAH, inv. nr. 1072, bergnr. 2482). Er zijn ook officiële rapportages met beschrijvingen van de schade per dijkvak en de voortgang van het herstel (WW; OAD, inv. nr. L403).] In de daaropvolgende weken werd alle schade gerepareerd. Eerst provisorisch, zoals bijvoorbeeld in het dijkvak van Grootebroek waar een gat in de binnenglooiing 'reeds met stroo op en aangevuld' was 'en met de uitgespeelde aarde overdekt'. [WW; OAD, inv. nr. L403.] In de loop van de maand december kwam de stroom benodigde herstelmaterialen (palen, steen) goed op gang. Op 28 december waren de zwakste plekken al voorzien en ook ander herstel was ter hand genomen. [WW; OAD, inv. nr. L403 (rapport voortgang herstelwerk d.d. 28-12-1775).] Het zou echter nog weken duren eer alle werkzaamheden waren verricht. Daar de dijk die periode zeer zwak zou blijven werd door het college van Gecommitteerde Raden van West Friesland en het Noorderkwartier een brief verzonden waarin alle dorpen en steden werd aangezegd dat er mannen klaar moesten staan om eventueel hulp te kunnen bieden. [RANH; Gecomm. Raden inv. nr. 13BB, d.d. 23-11-1775.] Gelukkig zou die winter geen nieuwe storm de kust teisteren. [WW; OAD, inv. nr. 10 d.d. 26-8-1778.] In de vergadering van de Dijkgraaf en waarschappen van Drechterland op 21 februari 1776 kon, nadat een aantal van hen de werken aan de Noorderdijk had geïnspecteerd, in grote lijnen de financiële balans worden opgemaakt. De kosten van het herstel werden geschat op zo'n ƒ 78.000.-, een bedrag dat door de ingelanden onmogelijk was op te brengen. Als illustratie moge dienen de uitgaven over de periode 1766 tot en met 1775. Deze beliepen voor Drechterland jaarlijks gemiddeld ƒ 120.504,23. [WW; OAD, inv. nr. 76.] Dit bedrag werd eik jaar verrekend met de andere drie ambachten in West Friesland wat er altijd in resulteerde dat Drechterland geld van die andere ambachten kreeg. De stormschade zou dus neerkomen op nagenoeg een verdubbeling van Drechterlands normale lasten. Daarom werd bij de Staten van Holland en West Friesland een subsidie aangevraagd, want voor het in stand houden van een sterke zeewering waren goed uitgevoerde reparaties nodig. Het dijkherstel was in februari wel zover dat de gaten etc. waren gedicht, maar men vond dat niet voldoende om zich echt zeker te voelen. Voorgesteld werd de kosten op de Westfriese dijktekening te verantwoorden. [WW; OAD, inv. nr. 7.] Op 17 mei 1776 stelden de Staten in totaal ƒ 100.000,- voor het dijkherstel in West Friesland beschikbaar, waarvan ƒ  60.000,- voor Drechterland, de overige ƒ 40.000,- was voor de Vier Noorder Koggen. [AWG; OAH, inv. nr. 200, (bergnr. 648) (resoluties Staten van Holland en West-Friesland d.d. 17-5-1776).] Voor Drechterland was dit bedrag te laag, want de kosten van het herstel van de stormschade bedroegen uiteindelijk ƒ 79.270,-. [WW; OAD, inv. nr. 76.]

November 1776

Nog maar net een jaar na de verschrikkelijke stormvloed van 1775 begon het in de avond van de 18e november 1776 uit het noordwesten te stormen. Tevens bracht de wind in die behoorlijk donkere nacht - de maan was net in het eerste kwartier - buien met regen en hagel. Dit gure weer hield twee dagen aan. In de morgen van 20 november wakkerde de westenwind aan, draaide 's avonds naar het noordwesten daarbij verder aanzwellend tot een hevige storm [Glimmerveen, 1856: pag. 100.] of zoals Juriaan Spruyt schreef tot 'een woedende orcaan' met regen en hagelbuien die de gehele nacht aanhield. [AWG; OAH, inv. nr. 1072, (bergnr. 2482).] In Enkhuizen waaiden dakpannen van de daken en stortten schoorstenen in . [AWG; OAH, nr. 1072 (bergnr. 2482) brief uit Enkhuizen aan Juriaan Spruyt.] Resultaat van deze weersomstandigheden was een nieuwe zeer hoge vloed in de Zuiderzee, die tegen vijf uur in de vroege morgen van 21 november een niveau bereikte dat slechts enkele centimeters (in Enkhuizen zo'n 2½ duim = 6,8 cm) onder de gevaarlijke vloed van het voorgaande jaar lag. Geen wonder dat onder die omstandigheden vergelijkingen met 1775 werden gemaakt. De rapportages van de aan de dijk toegebrachte schade rechtvaardigen die vergelijking in alle opzichten. Op zeer veel locaties aan de Noorderdijk was de schade minstens zo erg als in het voorgaande jaar, [WW; OAD, inv. nr. L403.] waarbij het dijkdeel van de bannen Grootebroek en Lutjebroek er uitsprongen. Dat stuk dijk was tijdens de stormvloed 'in de alleruyterste gevaren, en scheen van moment tot moment, te sullen beswijken. [AWG; OAH, inv. nr. 1072, bergnr. 2482.] Berichten van de Noorderdijk die Grootebroek en Lutjebroek bereikten waren zo alarmerend, dat in de morgen van 21 november in beide dorpen de noodklokken werden geluid om mensen op te roepen assistentie te gaan verlenen. [WW; OAD, inv. nr. L403.] De meeste problemen gaven die plaatsen waar de nog relatief verse reparaties na november 1775 op de proef werden gesteld. In alle gevallen waren de herstelde stukken wederom zwaar gehavend, zoals bij dijkvak nummer acht, waar 'de buitengloijing van Oudijk en Lutjebroek die voorleden jaar weggeslagen is en in de gepasseerde somer gemaait, nu wederom geruineert en weggeslagen' was. Soms bleek een buitengewone oorzaak mede ten grondslag aan de schade te liggen. In dijkvak 14 was een deel van de huitenglooiing en de palenrij weggeslagen als gevolg van het daar tegen de dijk vergaan van een kofschip. Maar wat de oorzaak ook was de dijk was op een groot aantal plaatsen weer veranderd in een ravage. 'Het behoud heeft afgehangen van bet spoedig employ van Ankers en Zeijlen, een werk in soodanige Stormen en Vloeden bijna de Menschelijke kragt te boven gaande' schreef Drechterland op 9 december 17 76 aan de Staten van Holland in Den Haag. [WW; OAD, inv. nr. 12.] Gewapend met de ervaring van het vorig jaar was het niet moeilijk te becijferen dat herstel van de ravage weer enorme bedragen zou vergen. Daarom verzocht men bij de Staten vermindering van de normale verponding om dan met de daardoor vrijkomende gelden de rekeningen te kunnen betalen. [WW; OAD, inv. nr. 10.] Dit verzoek werd op 18 januari 1777 ingewilligd en gedurende een periode van vijf jaar zou geheel West Friesland geen 'ordinaris verponding' in de vorm van 100e en 200e penning hebben af te dragen. [AWG; OAH, inv. nr. 200, (bergnr. 650) (Resoluties Staten van Holland en West Friesland d.d. 18-1-1777) en WW; OAD, inv. nr. 13.] Die gelden mochten echter uitsluitend worden gebruikt voor buitengewone werken aan de dijk. Om fraude te voorkomen hielden de Gecommitteerde Raden in Hoorn de zaak in de gaten en moesten de uitgaven worden verantwoord op de Westfriese dijktekening. Het ging hierbij om enorme bedragen. De onkosten van de stormramp van 1776 kwamen uit op een bedrag van ƒ 215.000,-. In de volgende jaren zou regelmatig een nieuw beroep op de resolutie van de Staten worden gedaan om meer geld te kunnen besteden. Zo werd in 1777 zelfs voor ƒ 340.000,- aan buitengewone werken aanbesteed. [WW; OAD, inv. nr. 13.]

November 1777

Een deel van dat hoge bedrag voor 1777 werd veroorzaakt door enkele nieuwe stormen, want alsof twee opeenvolgende jaren met uitzonderlijke stormvloeden nog niet voldoende waren volgde een jaar na de storm van 1776 in november 1777 een aantal zware noordwesten novemberstormen, waarvan die van 23 november de zwaarste was. Ook toen, zoals gewoonlijk bij noordwestenwind, gecombineerd met een extra hoge Vloed. [AWG; OAH, inv. nr. 1072, (bergnr. 2482).] Door de kortere duur was voor wat betreft de Drechterlandse Noorderdijk deze storm minder schadelijk dan die van voorgaande jaren. Dat was niet alleen voor de dijk een gelukkige omstandigheid - deze werd niet nog een jaar verzwakt - ook bij de ingelanden zal dit opluchting teweeg hebben gebracht. De financiële lasten van het herstel in de voorgaande jaren alsmede de verbeteringen aan de dijk waren tenslotte al zwaar genoeg, want de verponding werd dan wel niet afgedragen aan de Staten, de ingelanden dienden het geld wèl op te brengen.

Request van de ingelanden aan de Noorderdijk

De stormen in de jaren 1775-1777 maakten de bewoners van de buurtschappen langs de Drechterlandse Noorderdijk - vanaf 1811 verenigd in de gemeente Andijk - weer eens heel goed duidelijk dat de zee een continue bedreiging voor hen vormde. Bij een dijkdoorbraak zouden zij als eersten have en goed verliezen. Het verwekt dan ook geen verwondering dat zij een optimale aanpak van het werk tijdens storm en/of extra hoge vloeden voorstonden. Om dat standpunt nog eens kenbaar te maken werd begin juni 1778 een request aan Gecommitteerde Raden van West Friesland en het Noorderkwartier samengesteld. In het request werd, na de benodigde hoffelijkheden aan het adres van de gecommitteerden, geschreven over de in november 1775 op vele plekken bedreigde dijk die 'in zonderheit op de zoogenaamde Fluithoek door de geweldige woede der zee zodanig wierd geramponeert en weggeslagen dat voor menschen oogenschijn niet anders te dugten was dan dat de gemelde dijk op verscheidene plaatse geheel doorgebroken en dus niet alleen hunne polder, maar zeer waarschijnlijk geheel Westvriesland geinundeert zoude zijn geworden'.

Deze bezorgdheid van de Andijkers lijkt wat vreemd voor mensen die toch wel gewend waren dat de zee zo nu en dan een aanslag op de dijk pleegde, ofschoon de omvang in 1775 uitzonderlijk was. Dat was dan ook niet de hoofdreden van hun request. Die reden wordt duidelijk in het volgende citaat: 'Dat zij (de Andijkers) in die gevaarlijke toestand bij 't continueeren der vreeselijke storm en verbolgene zee zig bevonden ontbloot van iemand, aan wie de bezorging der Dijkagie in diergelijke periculeuse omstandigheden was aanbevolen, weshalven eenigen uit hun ten besten van het algemeen en om was 't mogelijk de dijkagie in dit haggelijke tijdstip zooveel doenlijk tegens de verdere woede der zee te verzorgen en het land tegens inundatie te secureeren hebben ondernomen met de uiterste scrupule als ongequalificeert zijnde de daer toe benoodigde manschap en bij de hand zijnde materiaalen te emploijeeren en in 't werk te stellen met dat gesegent effect dat gemelde dijkagie daar door van doorbraken bevrijd en 't land voor inundatie beveiligt is gebleven.. '. [WW; OAD, inv. nr. 10: request bewoners Noorderdijk d.d. 11-6-1778.] Om de heren gecommitteerden echt te overtuigen werd nog even toegevoegd dat hun inzet 'niet alleen door Heeren Dijksregenten maar zelve door UEd. Mogende met derzelven goedkeuring is vereert geworden'. Vervolgens werd aangehaald dat ook bij de stormvloeden van november 1776 en 1777 '... behoorlijk gequalificeerde persoonen, om de noodige ordres tot conservatie der dijkagie te stellen en doen uitvoeren ...' afwezig waren geweest. Dat was niet verwonderlijk, want de functionarissen - de waarschappen van de respectievelijke bannes - waren 'veelal in de Streek woonagtig' en konden bij de gevaarlijke noordwesten stormen 'niet dan met grote moeite, en langs verre omwegen derwaards (...) overkomen'.
Wat was, volgens de Andijkers, onder die omstandigheden meer voor de hand liggend dan te formaliseren wat in 1775 en volgende jaren al was gebeurd. Het authoriseren van enkele Andijkers om in geval van nood de benodigde werkzaamheden in gang te zetten totdat de waarschap aanwezig was. In de voorgaande jaren was dat tenslotte succesvol gebleken. Onder de Andijkers waren ongetwijfeld mensen te vinden met de vereiste capaciteiten. Daarom bevatte het request het formele verzoek om over te gaan tot het officieel aanstellen van twee of meer Andijkers als leiders voor de periode dat de officiële functionarissen van Drechterland nog afwezig waren. Tenslotte was behoud van de dijk een behoud van heel West Friesland. De voorzichtige Andijkers durfden en wilden echter geenszins de officiële regels doorkruisen. Om dat te waarborgen verzocht men aan de leden van Gecommitteerde Raden, om 'na derzelver hooge wijsheit' de benodigde instructies op te stellen. Het request werd begin juni 1778 door totaal 109 inwoners en ingelanden uit Andijk ondertekend, waarna het aan Gecommitteerde Raden in Hoorn werd gezonden. Daar werd het op 11 juni 1778 behandeld. [RANH; Gecomm. Raden inv. nr. 10P.]
Nu is er één zeer opmerkelijk feit aan de hele gang van zaken. Bij de indiening van het request werd het ambacht Drechterland volledig gepasseerd. Nergens blijkt dat men eerst contact heeft gehad met de dijkgraaf of andere functionarissen betreffende dit idee. [Nergens in de notulen van de vergaderingen van Dijkgraaf en Waarschappen of in het request wordt gerefereerd aan (mislukte) onderhandelingen hieromtrent.] Blijkbaar verwachtte men meer succes in Hoorn. Dat de regenten van Drechterland zich gepasseerd voelden is niet verwonderlijk en dat zou men ook spoedig laten blijken.

Drechterland reageert

Het verzoekschrift werd op 11 juni 1778 door Gecommitteerde Raden behandeld, maar alvorens een besluit te nemen wilden zij eerst een reactie van het bestuur van Drechterland. Daarom vervoegde de Medemblikker gecommitteerde C. Gerdenier zich met het verzoekschrift op 17 juni 1778 bij Drechterland-secretaris J. Pool. [WW; OAD, inv. nr. 10 (nota J. Pool).] De reactie van het bestuur van Drechterland was voorspelbaar: men was hoogst verontwaardigd. Men was het natuurlijk niet met de inhoud van het stuk eens, maar niet minder verontwaardigd was men over het feit dat die lastige Andijkers het lef hadden gehad om buiten de ambachtsregenten om rechtstreeks naar Gecommitteerde Raden te schrijven. Nog diezelfde 17e juni 1778 stelde J. Pool een concept reactie op het Andijker schrijven op. Een maand later werd een aantal feiten voor het definitieve antwoord in de vorm van officiële verklaringen op papier gezet door de Enkhuizet notaris Aaron van den Ramhorst Roldanus. In een drietal acten legde op 10 juli 1778 een aantal bij het dijkbehoud betrokken personen hun verklaringen af. [Oud Notarieel Archief (ONA), inv. nr. 1434.] Deze verklaringen vormden de basis voor een totaal andere lezing van de gebeurtenissen in de voorgaande jaren. Eén die veel minder gunstig was voor de Andijkers.

De gebeurtenissen volgens Drechterland

Eén van de personen die in juli 1778 bij notaris Van den Ramhorst Roldanus verscheen was de Enkhuizer waarschap Wouter de Jong. Deze verklaarde dat hij in de avond van 14 november 1775 rond middernacht met twee stadgenoten naar het Enkhuizer dijkvak was vertrokken. Op weg daarheen werd al snel duidelijk hoe de toestand was. Bij vuurtoren de 'Ven' was een stuk dijk (van Hoogkarspel) reeds zodanig weggeslagen dat passage levensgevaarlijk was. Men trok verder naar het eigen stuk dijk. Daar aangekomen bleken bij de Geldersehoek ook al stukken dijk weggeslagen te zijn. De waarschap installeerde zich bij het magazijn de 'Tent' en zond, zoals hij verplicht was te doen, één van de mannen verder westwaards om volk te halen. Te paard ging Swier Gerrits op weg. Tot zijn stomme verbazing heerste er in alle huizen langs het door Bovenkatspel beheerde deel van de dijk rust. In de lezing van Drechterland werd deze 'zorgeloosheit' verklaard door te veronderstellen dat "t schielijk oploopen der zee' door de mensen, ook de meest kundigen, was onderschat. Swier reed verder naar het aangrenzende Grootebroeker dijkvak. Daar trof hij de eerste mensen. Hij trachtte deze personen mee te krijgen naar de Geldersehoek, maar men weigerde met de verklaring 'wij hebben hier de handen genoeg vol werk'. Na deze weinig bevredigende, maar zoals later zou blijken wel correcte verklaring ging Swier Gerritsz maar weer terug naar de 'Tent'. Daar was ondertussen achter het magazijn door De jong een noodvuur ontstoken en hij was met slechts enkele personen toch begonnen op de bedreigde plaatsen met zeilen en andere materialen de dijk te versterken. Langzamerhand begonnen berichten over de zeer penibele situatie bij de Fluithoek door te dringen, maar er waren geen mannen over om enkelen van hen daar naar toe te kunnen sturen.

'De Tent.' Het 
		  Gemeenlandhuis van Drechterland in Andijk-Oost.

'De Tent.' Het Gemeenlandhuis van Drechterland in Andijk-Oost. Tussen de ramen opzichter Louwers met zijn vrouw. (Foto Rijksarchief in Noord-Holland.)

Weinig hulpvaardigen

Bij de Fluithoek kwam rond de dageraad van woensdag 15 november Dirk Swagerman, de verantwoordelijke waarschap, met enkele dorpsgenoten aan 'dewelke met groote ontroering de gevaarlijke toestand van de dijk' aanschouwden. Zij waren daarin op dat ogenblik niet de enigen. Ook twee Andijkers (Claas Clomp en Cornelis Mantel) liepen daar op dat ogenblik, maar beiden liepen gewoon verder. Op één Andijker na (Roo Jan of zoals hij eigenlijk heette Jan Klaasz (Vriend) zou voor vrijdag 17 november geen Andijker in dat dijkvak werk verrichten.
Gelukkig kwamen in de loop van woensdagmorgen steeds meer mensen, met name uit het door het noodvuur gealarmeerde Enkhuizen, hulp bieden. Hierdoor werd verdeling van de beschikbare mankracht over andere delen van de dijk mogelijk. Die woensdag kwamen 's avonds drie Andijkers (later overigens ondertekenaars van het request) bij de Lutjebroeker waarschap Pieter Brugman met het aanbod de volgende dag naar de 'Tent' te rijden om te zien hoe het daar gesteld was. Brugman stemde daar mee in en de volgende morgen namen zij de toestand op. De Andijkers kwamen nog diezelfde avond bij Brugman om te vragen of zij de losgeslagen palen die zij hadden gezien bij de Fluithoek in de grond mochten heien. Dat werd toegestaan en in de volgende morgen van vrijdag 17 november begonnen de Andijkers met het heien. Tot en met donderdag hadden zij bij de dijkvakken van Lutjebroek en Grootebroek geen hulp verleend.
In de avond van donderdag 16 november was de dijk al op alle plaatsen zodanig voorzien dat men - als het weer gunstig bleef - van mening was dat het grootste gevaar was overwonnen.
In de ogen van Drechterland kon uit het voorgaande worden geconcludeerd dat het request wel erg overmoedig had gesteld dat het Andijkers waren geweest die de dijk hadden behouden. '... eerst op den volgende dag zijnde vrijdag den 17e November doen 't weder reeds geheel en al bedaart was en alles zig met Godes hulpe bereids ten besten begon te schikken ...' vingen de Andijkers aan met het heien van palen bij met name de Fluithoek. Diezelfde vrijdag kwam de Enkhuizer dijkgraaf Mr. Jan van Romond voor een inspectie bij de dijk. Hij toonde zich zeer tevreden, 'dog teffens bemerkende dat ieder daar wel een Opperhooft scheen te willen zijn'. De aanwezige waarschap werd min of meer genegeerd. Romond moest daar vanzelfsprekend tegen optreden en drong dan ook aan op gehoorzaamheid aan de waarschap. Dit laatste feit moest voor de Gecommitteerden toch wel een duidelijke aanwijzing zijn dat het juist niet de Andijkers konden zijn geweest die dat jaar een dijkdoorbraak hadden voorkomen.

Een aantal Andijkers staakt

Alles leek goed te gaan met de dijk tot in de nacht van 20 op 21 november 1776 zich een nieuwe stormvloed voordeed. Al in de avond van 20 november ging een groep inwoners van Bovenkarspel met waarschap Dirk Swagerman mee naar hun dijkvak. Toen vroeg in de morgen van 21 november de storm goed opstak kwamen steeds meer Andijkers bij de dijk kijken. Maar toen hun hulp werd gevraagd reageerden zij afwijzend. Een aantal van hen ging demonstratief bij het magazijn zitten. Toen dijkgraaf Romond daar aankwam en hen om hulp vroeg kwamen zij nog niet in actie. Ze 'grimlachten' slechts.
Bij het dijkdeel van Lutjebroek was het iets anders gesteld. In eerste instantie was slechts één Andijker bij de dijk. Ook 's nachts bleef het aantal Andijkers tot zes beperkt, ondanks aanmoedigingen om te helpen bij de dijkbewaking. De volgende dag ging in het hevigst van de storm een aantal belangrijke Andijker ingelanden naar het Lutjebroeker magazijn. Dat was in een fase 'toen de zee golven zoo geweldig over den dijk heen sloegen, dat geen mensch op den dijk nog bij 't magazijn konde staan'. [ONA 1434, d.d. 10-7-1778 (acte 62).] Daar informeerden zij handenwringend bij waarschap Jan Hauwert 'wat zal dat worden'. Hauwert gaf ze te kennen dat het hoog tijd was aan het werk te gaan. De Andijkers gingen daarop aan de slag. De derde achtereenvolgende belangrijke storm - die van 28 november 1777 leverde in het dijkvak van Lutjebroek 's middags, toen een groep volk uit Lutjebroek bij waarschap Brugman aankwam, nog geen enkel gevaar op. 's Avonds veranderde die situatie door het beschadigd raken van zo'n acht á negen roeden (circa 33 meter) buitenglooiing, zodat daarover zeilen moesten worden gelegd. Ondanks dat de Lutjebroekers dit niet voor elkaar kregen hielpen de bij de dijk verzamelde Andijkers niet. Nee, op een verzoek om hulp van waarschap Brugman maakte één van hen zelfs de opmerking: 'Ik slaan er geen handen aan, al breekt den dijk door'. Anderen lachten om deze opmerking en gingen evenmin aan het werk. Zo werd tijdens die storm de dijk zonder hulp van de Andijkers gered.
Het tweede punt waartegen Drechterland uitdrukkelijk bezwaar maakte betrof de wel erg eenvoudige opvattingen die de Andijkers erop na hielden over het ambt van waarschap. De zeer oude functie werd al genoemd in de veertiende eeuwse stukken. Tevens had de functie van oudsher niet uitsluitend betrekking op het dijkonderhoud. In voorkomende gevallen moest een waarschap ook een burgemeester kunnen vervangen. In een aantal plaatsen werden de functies dan ook gecombineerd. Voor zo'n belangrijk ambt diende men respect te hebben en dat miste men duidelijk in het schrijven van de Andijkers.

Extra vergadering Drechterland

Om te komen tot het vaststellen van de reactie op het request van de ingelanden aan de Noorderdijk werd op 26 augustus 1778 in "t Tolhek' te Hoogkarspel een extra vergadering van de Dijkgraaf, heemraden en waarschappen belegd.
In de vergadering stelde de dijkgraaf bijna ten overvloede nog eens vast dat hij vond dat 'eenige van die requestranten klaarblijkelijk tot een oogmerk hebben om onse dijksregeering te ondermeinen'. Het feit dat de Andijkers tegen hen hadden gezwegen woog zwaar. Er werd zelfs gesteld dat de Andijkers een regering in een regering zouden willen. [WW; OAD, inv. nr. 12.] Daarbij kwam dat wat de Andijkers wilden reeds bestond. Al vijftien jaar eerder, op 16 december 1763 was door Gecommitteerde Raden de instructie voor de waarschappen goedgekeurd. Daarin waren enkele artikelen opgenomen die het mogelijk maakten dat plaatsvervangers voor de waarschappen konden worden benoemd. Eén van die artikelen was art. 28 dat luidde:
Daarom zullen de afgelegenste Waarsmannen met kennisse van de Dijkgraav, moeten hebben op zekere bepaalde plaatzen aan dijk (bedoeld worden hier de Zuider- en Westerdijk; BCM), vaste perzoonen, die vigilant, en bekwaam zijn, om bij een schielijk opkomende storm of hoogen vloed, aanstonds bij de werke te zijn, en den dijk ten eersten bij continuatie langs te gaan, iets van noodzakelijkheid gewaar wordende, en gevaar daar uit kunnende ontstaan, aanstonds te werk te gaan, even alsof de Waarschap, of een ander Dijksregent praesent zijnde, zoude kunnen, en moeten doen. [AWG; GA Grootebroek inv. nr. 540.]
Voor de Noorderdijk bestond. een soortgelijk artikel (art. 29) dat voorzag in één man per magazijn. Op basis van deze artikelen was op 12 december 1765 een aantal vervangers van de waarschappen aangesteld. Wel bleek op 26 augustus 1778 dat een aantal van de posten van plaatsvervanger vacant was, [WW; OAD, inv. nr. 17 d.d. 26-8-1778.] dus erg belangrijk vond men die functionarissen blijkbaar niet. De dijkgraaf moest daarbij ook erkennen dat de door de Andijkers geuite wensen overeenkwamen met de geest van art. 28 en 29 van de instructie voor de waarschappen.

Onverwachte wending

'Gevende bij Heer Dijkgraaf vervolgens in bedenking of het jegenswoordig niet best ware om nu deze luiden klagteloos te stellen 't getal van persoonen aan de Noorderdijk te verdubbelen ... '. [WW; OAD, inv. nr. 7 d.d. 26 augustus 1778.] Dat voorstel werd aangenomen en voortaan zouden voor ieder dijkvak van Drechterland (dus ook bij de Zuider- en Westerdijk) twee plaatsvervangers voor een waarschap worden aangesteld. Hiervoor zou worden gekozen voor personen die aan de voet van de dijk woonden en dus indien nodig zeer snel ter plaatse konden zijn. Voor de Noorderdijk betekende dit dat per dijkvak twee Andijkers werden aangewezen, waarvan één van beiden tevens een sleutel van het dijkmagazijn onder zijn beheer kreeg. [WW; OAD, inv. nr. 7 d.d. 26-8-1778.] Ook voorzag men snel in een reglement voor deze plaatsvervangers. In tegenstelling tot de Andijkers vond men het opstellen daarvan geen taak voor Gecommitteerde Raden. [WW; OAD, inv. nr. 13.] Onder de aangewezen Andijkers bevonden zich opmerkelijk veel ondertekenaars van het request. [WW; OAD, inv. nrs. 10 (request d.d. 11-6-1778) en 7 (d.d. 26-8-1778). Uit vergelijking van de namen van de ondertekenaars van het request met die van de benoemden blijkt dat zeker vier van de zeven benoemden ondertekenaars waren.] Zeker in de eerstvolgende jaren werden consequent nieuwe plaatsvervangers benoemd als door overlijden of vertrek een plaats open viel. [WW; OAD, inv. nr. 6 en 7 (in de notulen tot circa 1790 staan regelmatig benoemingen vermeld, daarna werd incidenteel een nieuwe benoeming genoteerd).]
De benoemingen werden in het schrijven aan Gecommitteerde Raden vermeld. Hierdoor was het verwijt van de Andijkers ondervangen en het uiteindelijke advies aan Gecommitteerde Raden luidde dan ook dat zij het verzoek van de Andijkers beter konden afwijzen.
Met dit advies werd de vele pagina's tellende reactie van Drechterland afgesloten. Een reactie waarin de regenten van Drechterland zich volledig konden vinden en zij keurden het dan ook goed. Het antwoord werd inclusief het originele verzoekschrift naar Hoorn teruggezonden. Daar werd het in de vergadering van Gecommitteerde Raden van 28 augustus 1778 behandeld. Er werd geen besluit in welke vorm dan ook genomen, men wilde de zaak nader 'examineren'. [RANH; Gecomm. Raden, inv. nr. 10P.] Nadien is de zaak daar niet meer aan de orde geweest. En dat terwijl Drechterland voor het opstellen van de reactie aan schrijf-, salaris- en advieskosten ƒ 122,12,0 had moeten uitgeven. [WW; OAD, inv. nr. 10 (nota's van: Drechterland secretaris J. Pool (ƒ 48,8,0), notaris A. van der Ramhorst Roldanus (ƒ 18,12,0) en de Enkhuizer jurist D. Rooleeuw I'Epie (ƒ 55,12,0).]
Ondanks dat de uiteindelijke beslissingen van Drechterland als een soort zoethoudertje werden gepresenteerd bleek men toch feitelijk aan de eisen van de Andijkers te hebben toegegeven. Een vreemde houding van de regenten, die zo nadrukkelijk meenden dat het gelijk aan hun kant was. Blijkbaar was men toch niet zo zeker van zijn zaak en wachtte men een beslissing van Gecommitteerde Raden liever niet af. Een twijfelachtige gang van zaken, want de door Drechterland aangevoerde beschuldigingen aan het adres van de Andijkers waren zeer zwaar.

Enige nuancering lijkt op zijn plaats

Het weigeren mee te werken aan het dijkwerk, zoals dat in 1775 en 1776 zou zijn gebeurd, was een onvergeeflijke wandaad. Het ligt voor de hand dat zo'n belangrijk feit ergens in de stukken over de rampen gememoreerd zou worden. Niets is echter minder waar. De immer zo nauwkeurige secretaris Johannes Pool noteerde in de notulen of in de rapporten over de stormvloeden geen enkel feit dat duidt op ongeregeldheden tijdens de stormen. Ook in het oud rechterlijke archief van Drechterland - het ambacht had tenslotte ook juridische bevoegdheden - komen de aangevoerde weigeringen niet voor. Ook de beschuldiging dat een Andijker, iemand uit het 'gewone' volk, de dijkgraaf en de secretaris zou hebben beledigd werd nooit vervolgd. En dat terwijl er steeds op werd gewezen dat gezagshandhaving voor de dijksregenten zo belangrijk was. Nog geen zestig jaar eerder was voor het beledigen van Anthony de Jong, de toenmalige dijkgraaf, Willem Paulusz Kocksholm - die nota bene burgemeester van Bovenkarspel was - wèl voor de heemtaden gedaagd. [ORA 7072 d.d. 12-1-1717.]
Alles wijst erop dat de feiten toch iets minder extreem waren geweest dan Drechterland ze voorstelde en dat de zorg van de Andijkers voor het dijkbeheer oprecht was. Ook de volgende feiten wijzen in die richting. Een maand na de storm van november 1775 schreef de Aartswouder burgemeester Claas Cos dat de dijk behouden gebleven was door de ornstandigheden 'en door de Trouwe hulp der menschen'. Een onbekende rapporteur uit Enkhuizen schreef over diezelfde stormnacht dat 'in dese gevaarlijke omstandigheden heeft een ieder alle mogelijke hulp getragt aan te wenden soo kleijn als groot, rijk als arm, soo wel uyt de Regeeringspersonen als het gemeen ...'. Beide schrijvers meldden geen enkele wanklank. [AWG; OAH, inv. nr. 1072, (bergnr. 2482).] In de officieel vastgestelde dijktekeningen over 1775 stond bij de verschillende bannen onder de kop 'Furiewerken' een post voor lonen aan meerdere personen 'zo in als na de Storm'. De Lutjebroeker waarschap Pieter Brugman noteerde de post 'Betaald aan Diverse Persoonen, voor Dagloonven, en bewaken van de Dijk, in de Storm en digt maken van 't Gat, (...) Consumptien en verder Verschot te samen ƒ 540,-'. Nu zouden deze posten betrekking kunnen hebben op mannen afkomstig uit de streekdorpen, maar te oordelen naar de hoogte van de bedragen lijkt dat niet aannemelijk. De gebruikelijke beloning voor het werk was ƒ 1,- per man per dag. [WW; OAD, inv. nr. 76.]
In 1776 stonden wederom vele posten met betrekking tot de storm op de rekening waarbij Grootebroek de posten opvoerde: 'aan Jan Mantel met zijn Volk voor Dagloonen (...) zoo in als na de Storm ƒ 660,-' en 'aan Nanne Teunisz en 37 Man voor Dagloonen in de Nagt met de Storm van de 20 en 21 November 1776 ƒ 37,-'. [WW; OAD, inv. nr. 77.] De Andijkers Jan Mantel en Nanne Teunisz hadden dus wel degelijk met veel volk tijdens de storm gewerkt. Ook Bovenkarspel voerde een forse post voor daglonen op, maar deze werden niet uitgesplitst naar begunstigde.
De harde beschuldigingen in de reactie van Drechterland lijken niet ontbloot van enige rancune ten opzichte van die brutale Andijkers. Die hadden met hun request aan Gecommitteerde Raden in zekere zin een onvoldoende uitgedeeld aan de waarschappen. Dat neemt niet weg dat de Andijkers zich tijdens de stormen bijna zeker aan een aantal betreurenswaardige handelingen zullen hebben schuldig gemaakt, maar het waren tijden van zware spanning en onder dergelijke omstandigheden reageert niet iedereen even tactvol. De regenten van Drechterland toonden een ietwat selectief geheugen te hebben voor die Andijkers die zich onder druk van de omstandigheden kritisch, eigenzinnig en misschien zelfs wel weerspannig opstelden. Echter, het feitelijk inwilligen van de eisen van de Andijkers suggereert dat in hun argumenten een grond van waarheid zat.
Dat de Andijkers immer bereid zijn gebleven moeite noch kosten te sparen als het ging om behoud van hun Noorderdijk hebben zij honderdvijftig jaar later, tijdens de stormramp van januari 1916, nog weer eens bewezen.

Sijbekarspel, april 1989


© 2001-2017 | Kistemaker NetWerk | Sitemap

Westfries Genootschap