Kistemaker NetWerk

 
Delen :


rss

Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 82-98

9. Gezondheids- en armenzorg

Oorloof, mijn arme schapen... 1812 tot 1848

Het met zoveel fanfare aangekondigde ‘herstel van Neerlands onafhankelijkheid’, heeft het volk niet uit de nood geholpen. In 1824 wordt de Nederlandsche Handel Maatschappij opgericht, waarvan Willem I de grootste aandeelhouder is. De rijkaards, die er aan deelnemen, ontvangen 4,5%. Na enig verlies in de eerste jaren, volgen rijke winsten! Het Cultuurstelsel van ‘jonkheer’ van den Bosch helpt daaraan mee. Dat dit ten koste gaat van enorm veel Javanenzweet, doet er minder toe. In eigen land tiert de armoe welig.
Duizenden zijn werkeloos en vervallen tot bedelarij. Op de Veluwe wonen hele kolonies bijelkaar in hutten van stro. Er worden klopjachten gehouden, niet op wild, maar op mensen. Wie opgepakt wordt, wordt naar een van de werkkampen gestuurd, die de ‘Maatschappij van Weldadigheid’ reeds in 1818 opgericht heeft, Frederiksoord, e.d.

‘Weldadigheid’ is het wachtwoord van deze tijd! Het dichtvuur wordt er zelfs door ontstoken: de aalmoes, de berusting en de weldadigheid worden om het hardst bezongen, In een zalvend-vleierig gedicht ‘aan een Christen-Rijke’ door M.C. van Hall is een enkele regel bijzonder tekenend: ‘Een schaamle kinderschaar omringt U allerwegen’. Weldadigheid, bedeling overal. In 1847 wordt eenzesde deel van de Nederlandsche bevolking bedeeld: 155 bedeelden per 1000 inwoners. Hoe is het te Andijk? Ook hier ‘weldadigheid’. In een strenge winter mogen de arme mensen hardrijden op de schaats, om bonen, erwten, spek of worst, of ham (waarvan ze alleen maar hebben mogen dromen) en zelfs wordt er een ‘hemdenrace’ georganiseerd.

Op 14 September 1835 wordt hier een departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen opgericht. Dominee Van der Zee is president, meester Cornelis Korting vicepresident en dokter J.M.J. Engerlingh secretaris. De laatste twee zijn van Wervershoof, want de beide dorpen behoren nog bijelkaar. ‘Het Nut’ doet veel goed. Reeds op 11 December wordt een ziekenfonds opgericht, met plm. 40 leden. Ook streeft men naar beter onderwijs. In 1851 komt er een Naaien breischool ‘voor behoeftige meisjes’, 24 van Andijk en 32 van Wervershoof, dat is meteen 56 leerlingen. Ook aan armenzorg wordt gedaan: in 1843 wordt voor 35 gulden katoen gekocht en uitgedeeld en worden ‘zoowel Roomschen als Hervormden bedacht’, want het is immers ‘tot Nut van 't Algemeen’.

In dat zelfde jaar 1843 wordt de Nutsspaarbank Andijk en Wervershoof opgericht, om het sparen aan te moedigen. In 1844 wordt reeds voor fl. 1.378,30½ ingelegd en slechts fl. 75,- teruggevraagd. De rentevoet is 4% en de zuivere winst fl. 15,77. In 1848 zijn er reeds 150 inleggers, waarbij dienstboden die 50 tot 90 gulden inlegden’. Overigens is het Nut een club van notabelen het gewone volk komt er niet aan te pas. In eigen kring worden lezingen gehouden, om de algemene ontwikkeling van de leden wat op peil te brengen. Met de ontwikkeling van het gewone volk is nog droevig gesteld: na 1830 zijn er zelfs nog analfabeten,die als ze trouwen, niet eens hun naam onder de acte kunnen schrijven, ‘Verklarende geen schrijven geleerd te hebben’. Want leerplicht is er nog niet. Het leven gaat door. 18 September 1845 wordt Dirk Groot burgemeester. Hij is de rijkste boer van Andijk en meldt dat in zijn sollicitatie als aanbeveling! Hij is van 1845 tot 1859 burgemeester Andijk en Wervershoof samen. In 1845 wordt het eerste raadhuis(je) van Andijk gebouwd, pal achter Buurtjeskerk. Tot zolang heeft de gemeenteraad in de ‘Krimper’ vergaderd.

 

Meister Hammes uit Andijk: een dorpsdokter in de vorige eeuw

Hoewel hij de titel arts mocht voeren en dus voor dokter had gestudeerd werd hij altijd ‘meister’ genoemd. Dat was in de jaren toen de dorpsdokter nog ‘meester chirurgijn’ was. Hij was dan lid van het Cosmas en Damianusgilde en had daarvoor een ‘meesterproef’ afgelegd.

‘O, meester zurezijn,
verlos mij van de pijn!’

Onze voorvaderen liepen niet zo gauw naar de dokter. Een doktersrekening was elk Nieuwjaar een onwelkome verrassing! Zij hielden zich maar liever aan het oude recept:

‘Houdt het hoofd koel, de benen warm en het lijf open,
Dan kun je alle dokters laten lopen.’

(de laatste regel met variaties) Maar als voor hun zenuwzinkings, derdedaagse koorts en hoe het verder mocht heten de huismiddeltjes niet hielpen, kwam de gedachte op: ‘Ik most maarderes meister’. Dan werd de dokter gewaarschuwd en dat was maar niet zomaar wat! Telefoon, auto's en fietsen waren er nog niet, dus werd het lopen. Wie dichtbij woonde liep naar het doktershuis; wie veraf woonde naar de kruidenier. Die zette dan een vlaggetje uit. Met de adresbriefjes aan een wasknijper en zo wist dokter zonder veel tijdverlies zijn klanten te vinden.

Meister Hammes woonde op Andijk niet ver van de Bakkershoek, in een huis dat door de gemeente was gebouwd. Hij kwam hier in 1859 vanuit Papendrecht nadat zijn voorganger, dokter Pieter Stolp, naar Zuid-Scharwoude was vertrokken. ‘Hammes’ klinkt nogal Gronings (patroniem van Hamme, vgl. Tammes en Bammes), maar verder terug zal de oorsprong wel in Duitsland te vinden zijn. Hij was nl. Evangelisch Luthers en zijn vader heette Johann Adolf; wat nogal Duits klinkt.
Pieter Hammes was op 3 maart 1832 te Rotterdam geboren en (waarschijnlijk aldaar) gehuwd met Maria Henrietta van Steenis; ook te Rotterdam geboren, op 13 mei 1835. Hij heeft te Dordrecht gestudeerd en is eerst een paar jaar dokter te Papendrecht geweest. Daar werden twee kinderen geboren, waarvan de tweede reeds in 1862 te Andijk overleed.
Te Andijk werden nog twaalf kinderen geboren, waarvan de laatste twee levenloos.

Meister Hammes was op 13 april 1859 als gast aanwezig in een bijeenkomst van het Nut van 't Algemeen en werd al spoedig lid. Dat hoorde zo: burgemeester, secretaris, dominee, dokter, notaris en schoolmeester waren lid van 't Nut en de welgestelde boeren achtten het een eer om in zulk geleerd gezelschap te mogen vertoeven.

In mei 1865 hield hij voor 't Nut een lezing over ‘voeding’ en het volgende jaar over ‘de magt des veroordeels’. Dat ging over paardevlees, dat bij de boeren, die zelf koe- en kalfsvlees genoeg hadden, taboe was. Paardevlees was armelui's eten! De armen aten het wel, want je werd er sterk van!

Meister Hammes was vooruitstrevend, zo niet zijn tijd vooruit! Op 29 september 1866 stelde hij in een Nutsvergadering voor gymnastiekonderwijs op de scholen te geven; zoals was aanbevolen door Lubach en Allebe. Er werd geen beslissing genomen. Er waren te weinig leden aanwezig. Op 21 januari 1867 stelde hij de kwestie weer aan de orde, maar weer geen beslissing ‘vanwege de diep-ingrijpende financien’.
(25 gulden voor de toestellen en 100 gulden honorarium voor de leraar.) Hetzelfde jaar, op 12 november, ontving meister Hammes een zilveren medaille, ‘wegens betoonden ijver in de zaak der vaccinatie’.

Hierbij valt te bedenken, dat het gereformeerde deel van Andijk principieel tegen vaccinatie was: ‘Zouden wij het goede wel uit de hand des Heeren ontvangen en het kwade niet? De Heere zal het voorzien’.
Hammes was dokter voor heel Andijk, dus zal hij heel wat tegenstand hebben ondervonden.

Hij had blijkbaar een drukke praktijk. Andijk had in de 60-er jaren ruim 2000 inwoners. Op 9 december 1867 werd Johan Scheffelaar Klots, ‘geneesheer’, lid van 't Nut. Deze jongeman was waarschijnlijk assistent van meister Hammes. Maar op 22 maart 1869 heeft hij reeds weer voor 't Nut bedankt en is datzelfde jaar te Hoorn getrouwd met Johanna Maria van Hoolwerff. In 1891 was hij dokter te Westwoud.

Zoals hiervoor reeds gememoreerd waren van de veertien kinderen er twaalf levend geboren. Vier daarvan zijn te Andijk jong overleden; de oudste ervan was pas vijf jaar... Acht van de veertien zijn volwassen geworden. De kinderen die opgroeiden moesten zo mogelijk een trapje hogerop in het dagelijkse leven. Daarvoor gingen ze, na de lagere school op het Buurtje, naar de H.B.S.; eerst te Enkhuizen, later te Hoorn. Dagelijks vice-versa was praktisch onmogelijk. Er was nog geen openbaar vervoer, zoals nu. Waarschijnlijk gingen de kinderen daarom ‘in de kost’ bij familie of kennissen. Zo werd de oudste zoon Johan Adolf, op 26 november 1866 bij de burgelijke stand overgeboekt naar Enkhuizen. Petronella, de oudste dochter, volgde 10 juni 1873.

Johan Christiaan, toen 15 jaar en Cornelis Marinus, 14, gingen op 1 september 1876 naar Rotterdam. Petrus en Gerardus op 9 oktober 1883 naar Enkhuizen en de jongste zoon Theodoor, op 1 september 1886 naar Hoorn.

Kwamen ze een trapje hoger? Het is niet mogelijk van alle kinderen de levensloop na te gaan. Van enkelen hunner weten we iets. De oudste, Johan Adolf (geb. 1856), kwam op 5 februari 1884 van Leiden naar Wognum en werd daar ‘geneesheer’. Hij trouwde te Amsterdam op 28 april 1892 met Geertruy van Steenis. (familie van zijn moeder?)

Er waren waarschijnlijk familie relaties in Noord-Brabant: Petronella vertrok in 1900 naar Almkerk en Christiaan Hendrik in 1898 naar Dinther.
Johan Adolf, de dokter, vertrok 26 augustus 1899 naar Utrecht. Voordien woonden te Wognum zijn zuster en drie broers bij hem in. Omdat de jongens naar de H.B.S. te Hoorn moesten: Gerardus, Christiaan-Hendrik en Theodoor. Petronella zal er de huishouding hebben verzorgd: zij bleef ongehuwd. Johannes Christoffel, geb. 1861, werd koopman te Alkmaar.

Pieter Hammes junior geb. 1869, werd reiziger in tabak te Amsterdam.
Gerardus, geb. 1870, werd werktuigkundige te Leiden. Christiaan Hendrik, geb. 1871, werd kunstschilder. Na de H.B.S. te Hoorn werd hij eerst leerling van de Rijksschool voor kunstnijverheid en daarna van de Rijksakademie, beide te Amsterdam.

Op 2 augustus 1897 kwam hij naar Andijk terug en vertrok 22 april 1898 naar Dinther (N.B.) Hij vestigde zich daar als etser en schilder en maakte reizen naar o.m. Belgie, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland en Spanje. Hij overleed op zeer hoge leeftijd (91) op 10 januari 1965 te Hees bij Nijmegen, Huize ‘Laarhoek’.

De jongste zoon, Theodoor, geb. 1874, studeerde ook te Amsterdam. Hij keerde op 3 december 1899 op Andijk terug. Op 30 maart 1901 vertrok hij weer naar Amsterdam en werd daar arts en narcotiseur. Hij overleed te Amsterdam op 19 december 1951, 77 jaar oud. Zo zwermden die Andijker jongens uit. Hoge toppen hebben ze niet bereikt maar dat is ook maar voor enkelingen...

De oude meister Hammes is ruim veertig jaar dokter op Andijk geweest.
Dat was een lange periode. Hij kende zijn klanten tenslotte van haver tot gort! Het was geen gemakkelijke taak: er was veel armoede en ziekte en het peil van de ‘geneeskunst’ was nog bij lange na niet dat van tegenwoordig. In de lange jaren van zijn praktijk groeide de bevolking van Andijk van 2000 tot 2600 inwoners en daar stond hij alleen voor.
Hoewel het katholieke deel van Andijk-West zich meer naar Wervershoof gericht zal hebben. De grootste volksvijand was de T.B.C. Veel jongemannen zijn hieraan overleden, soms stierf het hele gezin. Voeg daarbij de vaak slechte behuizing. Alles geschiedde in een kleine kamer: geboorte, ziekte, dood... Voorts de slechte hygiene: geen waterleiding, alle vaatwerk werd gespoeld in slootwater, (ook de po's van de tbc-patienten!), want regenwater was schaars.
Dan de zuigelingen zorg. Veel babies stierven in de wieg, in veel te zware verpakking. Vooral de voeding was een probleem. Als borstvoeding ontbrak moest de zuigfles dat goedmaken. Eerst volle melk en als die te zwaar bleek, water erbij; al dunner, tot rijstwater toe. Tot de baby van honger stierf... Geen wonder dat meister Hammes een lezing over ‘voeding’ hield!

Uit het grafboek van Andijk-West hebben we een staatje gemaakt van de leeftijd der overledenen. Hiervan nemen we vijftien jaar uit het leven van meister Hammes, om aan te tonen hoe enorm hoog de zuigelingensterfte toen was. Pas na 1900 daalde die en tegenwoordig blijven bijna alle zuigelingen, dank zij de consultatiebureau's, in leven. Ook is het gelukt de TBC te verdrijven. Er mag nog sporadisch een geval voorkomen, maar een volksziekte is het niet meer. (zie tabel 1)

Meister Hammes is op 16 augustus 1900 naar Heiloo vertrokken. Een rustige levensavond is hem niet verleend. Reeds hetzelfde jaar, op 13 oktober overleed zijn vrouw, nog maar 65 jaar oud. En het volgende jaar, op 6 november 1901 overleed Pieter Hammes, zonder beroep, oud negen-en-zestig jaar. Ze zijn beiden niet oud geworden, maar ze hadden dan ook nogal wat achter de rug! Een woord van hulde aan deze man, die veertig jaar streed tegen ziekte en onkunde!


TABEL 1.
leeftijd tot:
levenloos 1 5 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100
JAAR totaal
1865 47 5 19 2 2 5 3 - 3 1 3 3 1 -
1866 36 3 13 3 - 5 1 2 2 4 1 1 1 -
1867 39 4 14 2 - 8 2 1 - 2 3 3 - -
1868 35 2 14 2 1 3 5 - - - 4 - 2 -
1869 36 5 12 2 - 4 3 - - - 2 3 3 -
1870 53 2 15 10 - 4 5 6 - - 3 4 - -
1871 49 - 17 9 3 1 4 - - 5 2 2 2 -
1872 38 1 11 7 2 4 4 3 - 1 1 2 2 -
1873 45 1 17 5 4 1 5 - - 4 - 5 3 -
1874 35 1 18 1 2 - 3 1 - 5 3 1 - -
1875 33 4 11 1 - 1 6 - - 3 4 2 1 -
1876 37 4 7 4 1 5 3 1 2 2 3 3 2 -
1877 41 2 17 5 - 2 4 3 - 1 - 6 - -
1878 43 3 8 13 1 2 4 1 - 2 3 4 1 -
1879 23 5 5 - 2 - 2 - - 4 2 2 1 -
1880 47 3 12 6 1 2 6 6 - 3 3 4 - -

uit het grafboek van Andijk-West

Armenzorg in de oude tijd

‘Die goeie ouwe tijd.’ Nou, vergeet 't maar. Ik wil U even mee terug nemen naar de tweede helft van de achttiende eeuw. Naar de zogeheten ‘pruikentijd’. Een tijd met zeer rijke en met zeer arme mensen. Voor die arme mensen was het een barre tijd. Voor hen was het leven hard. De sociale zorg was lang niet zo goed geregeld als tegenwoordig. Voor de armen was er slechts de diaconie van de kerk. Ik neem U even mee terug in de tijd aan de hand van het diaconieboek van de Buurtjeskerk te Andijk. Toen nog een gereformeerde kerk. Pas in 1815 werd het een nederlands hervormde kerk. Het boek geeft een aardig beeld van de wijze, waarop er door de diaconie voor de armen werd gezorgd. De giften werden meestal in natura verstrekt. Het dagelijks brood was immers het meest nodig.
We vinden tal van posten voor brood, geleverd door de plaatselijke bakkers Gerrit Masereeuw, Gerrit Prins, Tijs Koolhaas en anderen.
De armen kregen ook echte boter. Margarine was er namelijk nog niet:

10 maart 1770, aan weduwe Sjerp Imkes (Rigt Ipes) butter voor David (Jacobsz.) 37.16.00.

Er werd gerekend in guldens, stuivers en penningen. Een gulden was 20 stuivers, een stuiver was 16 penningen.
De diakenen konden met dit systeem goed terecht, hun optellingen kloppen keurig! We vinden nog verscheidene posten met ‘Butter van Rigt’. Zij woonde ‘in 't velt achter Bovenkarspel’ en was kennelijk een flinke boerin!
De diakenen, die meestal zelf boer waren, leverden graag kaas aan de diaconie. Bijvoorbeeld:

1766 aan Lieuwe Willems betaalt voor 102 pond kaas 10.06.00.
aan Jan Dral betaalt voor 103 pond kaas 12.06.00.
De kaas kostte dus nog geen dubbeltje per pond.

Voor spek en vlees werd eveneens gezorgd. In November 1766 kochten de diakenen zelfs een heel varken:

1766, de sijs (cijns) voor een hokling en een varken betaald 02.08.00.
Een varken gekocht van Yakop Fijn voor 16.00.00.
1768, aan Grote Sijmen voor een varken 16.18.00.
Aan de oude Pieter Mantel voor slagdood (slachtersloon) 01.16.00.
Voor fl. 1,80 werd er dus een heel varken geslacht!

De boer-diakenen leverden ook vlees:

1766 aan Yan Best voor 1/4 vleesch 06.10.00.
1767 aan Volkert Best 1/8 piek koevleesch gelevert 04.15.00.

Bij de opkomst van de landbouw (de tuinbouw deed pas later zijn intrede in deze contreien) werden er door de diaconie tevens landbouwprodukten verstrekt:

18 december 1772 aan Meindert Groen aardappelen voor David 11.08.00.
1 february 1799 aan dezelfde voor 4 manden aardappelen 01.04.00.
Meindert Groen was de eerste aardappelteler op Andijk.

Ook peulvruchten kwamen aan bod. Voornamelijk grauwe erwten:

26 Juni 1773 aan Klaas Oostwouder 1/4 zak erte voor Davit 01.10.00.
21 April 1789 aan Klaas Fedes voor 1 loopen grauwe erte 08.00.00.
8 April 1790 aan Pieter Vreeksz. voor 1 taak grauwe erte 05.08.00.
Wie weet er nog hoeveel een loopen of een taak bedroeg?

Verder vinden we uitgaven voor gort en meel. Pap en brij waren volksvoedsel. Groenten werden nog maar weinig gegeten.
Kruidenierswaren werden eveneens soms verstrekt. Een keer worden die winkelwaren ‘ebrawaren’ genoemd: eetbare waren:

1 Januari 1770 aan Jan Okke ebraware voor David 15.00.00.
David Jacobsz. was jarenlang vaste klant van de diakonie.
Hij had in de eendenkooi van Klaas van der Velde gewerkt, maar
was - met het klimmen der jaren - tot armoede vervallen.

In de wintermaanden verstrekte de diaconie soms ook brandstof aan de armen. Meestal turf, want steenkool was onbereikbaar duur:

8 December 1762 aan Jan Kort voor Klaas Bakker 12 ton turf,
de ton 9 1/2 stuiver, 05.14.00.

Die ton was in dit geval een geijkt vat. Dus geen 1000 kilo. Curieus zijn ook de uitgaven voor logtriet. Dat spul was goedkoper dan turf en kon bosje voor bosje onder de ketel worden verstookt. Dat er daarbij wel eens een rietpluis door de kamer zweefde mocht niet hinderen:

30 maart 1776 aan Willem Sijmensz een voer logtriet 01.04.00.

We vinden voorts verschillende uitgaven voor wijn. Arme mensen en wijn? Dat is een contradictie. Maar waarschijnlijk betrof het de inkoop van wijn voor het avondmaal. Gezien ook het kwantum:

7 September 1773 Jacob Rootjes 22 flesschen Spaanse wijn 12.00.00.
Dat is nog geen 54 1/2 cent per fles. Sante!

Ook voor de zieken werd gezorgd:

30 september 1772 aan Jeremias van Dalen mestersloon voor David 07.16.00.
Hier wordt bedoeld meestersloon. Tot 1900 heette de dokter ‘meister’ omdat hij daarvoor ‘mr. chirurgijn’ werd genoemd.

De arme werd tot in het graf door de diaconie begeleid.
‘Van de armen begraven’ heette dat. En dat had geen beste klank, want een armenbegrafenis was uiterst sober. Het diaconieboek bevat uitgaven voor doodkisten, rouwkleed, klokluiden en de koop van een graf:

‘Heden, den 18den Januari 1778 hebben wij diaconen verkogt een
graf aan Cornelis Cornelisz. Boeier met condisje dat zoo wanneer
Pieter Mantel de oude komt te sterven, dat hij daar dan in begraven
moet worden, zijnde no. 46 en dat voor een somma van 22 guldens.’

Een paar maal vinden we een uitgaaf voor tabak:

8 Februari 1763 aan Jan Cobus 1/4 kostgelt en tabak 24.10.00.
21 augustus 1763 aan deselve voor tabak 01.15.00.
24 januari 1764 aan deselve voor tabak en nijloon 01.05.08.

In latere jaren vinden we deze uitgaven niet meer. Als er nog tabak in voorkomt is het in combinatie met (Goudse) pijpen en kaarsen voor de kerkeraadsvergadering.

Het bovenstaande waren allemaal uitgaven. Maar wat waren de inkomsten? Het geld moest toch ergens vandaan komen. Andijk had een arme kerk, in 1767 met de hulp van de Westfriese steden geinstalleerd. De kerken in de Streekdorpen - Bovenkarspel, Grootebroek, Hoogkarspel - waren van oudere datum. Zij bezaten vele bunders armenen wezenland, dat aan lidmaten van de kerk werd verhuurd. Andijk daarentegen bezat slechts een paar akkers, die aan inkomsten (huur/pacht) 12 tot 17 gulden per jaar opbrachten. De kerk bezat voorts nog enkele huisjes - waarvan een in Oostwoud - die door lidmaten zonder familie (erfgenamen) aan de kerk waren nagelaten.

Teeuwis Kort betaalde van 1763 tot 1769, 13 gulden akkerhuur. Vervolgens betaalde jan Groot jarenlang akkerhuur van 15 tot 17 gulden. Tot hij op 16 maart 1807 de akkers kocht voor een bedrag van 680 gulden. De miljoenen van Sluis en Groot vinden hier hun oorsprong!

Verder was er het ‘armenzakje’; de klinkbuul, met onderaan een belletje voor de slapers! Voor het decimale stelsel werd ingevoerd was er een enorme variatie aan munten in omloop. Andijk telde ook zeevarenden onder haar inwoners, die van hun reizen soms vreemde munten mee namen.
‘Malle of ofsette duyte’ noemde men die. Daarom moest er af en toe een diaken naar Enkhuizen, om aldaar ‘malle duyte’ en soms ook enig zilver, day door de gestorven arme was nagelaten (bijvoorbeeld in de vorm van een zilveren schoengesp) in te ruilen voor gangbaar geld:

2januari 1765 de ofiette duyte verruylt     17.04.04
1 maart 1779 van oude zilvere knope verruylt    01.08.00
Dat was een bedrag van ƒ 1,40. Wat zouden ze n u opbrengen?

Een flinke dreun in de kas was een legaat van Cornelis Pool, die duizend gulden aan de diaconie vermaakte.

28 April 1786 uyt de boedel van Cornelis Pool      1000.00.00

Dat was een rijke! Wie helemaal niets bezat verviel aan de diaconie. Wie nog werken kon bijv. iemand die wegens gevorderde leeftijd uit het weeshuis te Grootebroek ontslagen was, en geen familie had, werd ‘bestedeling’. Hij of zij werd door de diaconie uitbesteed bij een boer, die werk had. En op een koopje uit was! De bestedelingen zullen hier wel niet verveild zijn, zoals dat in Belgie gebruikelijk was en in het gedicht de ‘bestedeling’ van jan Beers uitvoerig getekend wordt.
Zo'n bestedeling was Marij Cornelis’. Ze werd nooit anders genoemd, vrouwen hadden in die jaren gewoonlijk geen achternaam. Haar kleding werd door de diaconie tot en met verzorgd: naailoon, kleren, mutsen, nieuwe schoenen(fl. 1,40), nieuwe klompen (fl. 0,45), dunne schoenen (zeildoeken sokken), en af en toe wat zakgeld. Ze werd bij een boer uitbesteed:

31 januari 1763 van Petrus van Broek ontvangen de huur van Mary Cornelis’,
na aftrek van haar verschot melkloon en ses weken, die niet uitgediend zijn 13.14.00.

Zes weken niet uitgediend! Is ze half november 1762 ziek geworden?

7 februari 1763 van Jan Best de huur van Marij Cornelis’ voor 1761 05.09.00

Deze dikke boer betaalde dus een jaar te laat! Marij wordt nu bij Pieter Mantel uitbesteed:

Idem aan Pieter Mantel een jaar costgelt voor Marij Cornelis' 100.00.00.
31 December 1764 aan Pieter Mantel een jaar costgelt voor Marij Cornelis’ en eenig onderhout 98.02.00.
1767 aan kleren en buelgeld voor Mary Cornelis’ 22.00.00.

Dat is de laatste post, die we van haar vinden. Waar is zij gebleven? Op 6 februari 1772 trouwde zij met Klaas Cornelisz. Bakker, een arme schoenmaker, die later vaste klant bij de diaconie werd. Voor Mary Cornelis’ werd het dus een leven in armoe. Op 12 mei 1790 werd zij op het kerkhof van Buurtje begraven. Een graf in de kerk was er voor de armen niet bij.

Dat was tijdens het Koninkrijk Holland van ‘Lodewijk’ Napoleon.

 

‘Gertje Bues’, een klein drama

Als 't verhaal niet zoo droevig was, zou 't een lofzang der schamelen kunnen heeten, want het gaat over arme menschen in de goede oude tijd.
Zoover ik kan nagaan is Gertje Bues nooit een man in bonus geweest.
Zelfs een familienaam had hij niet. 't Was maar gewoon Gerrit Jansz., in de wandeling ‘Bues’

Wanneer hij geboren werd? Ik weet het niet, de doopboeken werden niet altijd even nauwkeurig bijgehouden en juist in de jaren 1714 - 1723, waarin Gertje Bues geboortejaar moet vallen is geen doopboek te vinden.
Misschien wel gelukkig: nu hoeft geen enkele familie zich voor Gertje Bues’ armoe te schamen.

In de zomer van 1742 trouwde Gertje Buus. Jannetje Hendriks heette zijn bruid. Wellicht was ze een arme ‘dienstknecht’. Ook haar geboortedag is niet te vinden. Mogelijk was ze van een andere plaats hier heen getrokken. Althans de naam Hendrik was hier niet inheemsch: pas in 1752 werd de eerste Hendrik hier in de doopboeken ingeschreven. Dus zal ook Jannetje Hendriks vader uit ‘den vreemde’ gekomen zijn. In een lidmatenlijst van 1760 heet ze Jannetje Laries (later weer Jannetje Hendriks).
Liep haar vader soms met een ‘lariemandje’?

In elk geval: Gertje en zijn vrouw waren arm. Laten we aannemen, dat ze gelukkig waren. Immers reeds het volgende voorjaar, Maart 1743 werd hun eerste kind geboren, een meisje, dat ze Aaltje noemden.
Aaltje Gerrits heeft ze lang of kort geleefd? Ik weet het niet: ik heb haar naam later niet weergevonden. Is ze, zoals zooveel zuigelingen in deze moeilijke jaren, kort na haar geboorte gestorven? Moesten Gerrit Jansz. en Jannetje Hendriks haar al vroeg naar 't kerkhof brengen, met de schrale troost, dat voor arme menschen 't kerkhof gelukkig dichtbij was? Ik weet het niet, ‘haar plaats kent haar niet meer’.
Ze hebben ook een zoon gekregen, die ze Jan noemden naar Gertje Bues’ vader. Jan Bues bleef langer leven, althans in 1776 wordt hij nog genoemd.
In 1749 werd Geesje Jans Bues geboren. Meer kinderen zijn er waarschijnlijk niet geweest. Misschien wel gelukkig, want Gertje Bues en Jannetje Laries hadden zorgen genoeg.

Hij was maar een klein bouwertje die wat groote bonen en erwten bouwde, wat zaad, een beetje vlas en wat kool. Dat blijkt uit zijn boelhuislijst
anno 1676, die o.m. vermeld:

‘een half schepel, een half taak, een maatkop, een dito half, een arrijte kol, zeven grove zakken, een stoov'zeyl, een houten kneppel, een vlashekel, een groote boone Rol, een houten gieter, een groote eetkaas(houten), een telmandje, 2 kloete, een wit schuytzeyl, een koolschuit, een vlos, een spitter en een berry’.

Een schamel beetje gereedschap dus!

Gertje Buus bouwde drie akkers en woonde in een ‘eigen’ huis. Maar de tijden waren slecht: 1744 was het beruchte veepestjaar. In Westfriesland stierven duizenden koeien en vele boeren konden de belasting, ‘landschot’ en ‘verponding’, niet meer opbrengen. Veel land, vooral dat wat slecht was, tusschen oue wal en Kadijk bijv. werd ‘spagestoken’. D.w.z. de eigenaar stak er een schop in als bewijs dat hij zijn rechten opgaf.
Het moest. De lasten waren hooger dan de opbrengst. Dat dit voor onze Westfriesche boeren een hard gelag was, is duidelijk. Als de tijd dan weer wat opleefde, werd het land door de Ed. Gr. M. de Heeren Staten publiekelijk verkocht en ging het in andere handen over. In zoo'n tijd, als de veeboeren 't zoo slecht hadden, was 't voor de bouwers ook nooit best. Dus zal Gertje Bues, het kleine bouwertje, het wel taai gehad hebben.

Tenminste in 1762 komt hij in aanraking met de diaconie. Een zware gang, nu nog, maar toen zooveel te meer. In de kerkeraad zaten alleen boeren; een arm man kwam daar niet in. In 1685 schreven ze al in hun notulenboek, dat ‘Willem Cornelis op 't Buurtje, op de wagt, ‘in swakheyt des lichaams en in armoede vervallen en alsoo tot hetselve ampt onbequaem’ was.

Slechte schrijvers maar goede financiers, die Andijker ‘diaconen’. De diaconie was wel niet rijk, maar had toch bezit en de voornaamste zorg was, dat geld veilig te stellen en te beleggen in Gemeenelandspapieren of hypotheken, safety first! Uit de rente konden dan de armen onderhouden worden en in een singulier geval mocht een extra collecte nog wel eens baten.
Gertje Bues krijgt dan ook een ‘ebiteekt’ van fl. 200.-. De rente valt nogal mee; elk jaar fl. 5.- dat is 2,5%. Elke zomer moet dat betaald worden. Dat hebben de voorzichtige diaconen zoo bepaald. Immers als 't niet in orde kwam kon Gertje Bues er altijd nog wel een week voor werken bij een hunner. In de hooitijd kan men wel een mannetje extra gebruiken!

Willen Sijmens is de eerste die ‘het boek en de bos’ heeft en getrouwlijk aanteekent dat Gertje Bues rente betaalt ... 5.00.00.
Dat gaat zoo door tot 1771. Dan wordt er niets vermeld. Toen was Jannetje Hendriks gestorven. Wellicht hebben de diaconen toen genadiglijk bewillicht dat Gertje Bues voor deze ene keer vrij mocht van rente voor het ‘ebiteekt’ Nog twee keer wordt die rente betaald.

Willem Pieters Swagerman is de laatste die opteekent:

‘16 Juli 1773, de rente van Gerrit Jansz. Bues ... 5.00.00’.

Nu loopt het mis! Anno 1774 lezen we:

‘Op 21 April uitgaaf aan de secretaris (notaris?) aan
onkoste van de briefe van Gerrit Jansz. ... 10.08.12'’

Die notarissen zijn nooit goedkoop geweest! Ruim 5% van de lening! En dat op een bedrag van zegge fl. 200.- en in een tijd toen voor zoo'n tientje ruim 100 pond kaas te koop was! Wat hebben die kaasmakers en maaksters moeten zweten voor die 100 pond klaar was!

Voor een arm mannetje als Gertje Buus was 5 guldens rente een enorm bedrag! Arme Gertje Bues. Hij is waarschijnlijk omstreeks deze tijd ziek geworden, want in 1775 heeft Jan Bues de rente betaald en in 1776 nog eens voor het laatst:

‘Op 17 May is de ebiteekt van Gerryt bues voldaan 210.00.00’.

De onkosten van ‘de briefe’ hadden de diaconen dus aan de broek! Nu loopt het helemaal mis met Gertje Bues!

‘Folkert Best heeft het boek en de bos ontvangen’

en teekent aan:


‘1776 hebbe de diaconie van Andijk verkogt de boedel van Gertje bues’.
het huys 350.00.00
dirk groen een akker 207.16.04
sry en bakken, twe akkers 152.05.00
huysraet 68.08.00
van yan bues een som 34.08.02
geesyen een bed 10.00.00
822.17.06
daar gaat af 2.12.00
ontvang is 820.05.06

U kunt controleren of Folkert Best goed geteld heeft, het klopt als een bus! Een gulden is 20 stuivers, een stuiver is 16 penningen.

ebieteekt

210.00.00
aen yan bues 270.00.00
(grondbelasting) Landschot 33.05.12
(belasting op huizen) verponding 14.12.04
gees voor moederserf 40.00.00
de schuytmaeker 14.08.00
? coenraet 10.14.00
(Jan Hendriks Ligter, winkelier) yan Hendriks 7.13.06
(lev. turf toen ca. 12 ton)  yan kort 6.04.00
(timmerman) yan mantel 9.04.00
(bode?) de boed 1.04.00
? aen ontyert 61.03.00
? yacob overboom 3.16.00
(de bakker) cornelis tijsz 16.10.00
diakens van Wervershoeft 10.00.00
(meester Jeremias, medicijnen) van Dalen 5.15.00
(als taxateur?) Volkert Best 3.10.00

uitgaaf is 717.19.06
ontfang is 820.05.06
uytgaaf is 717.19.06

102.06.00

Nu is de overschot van Gertje Bues’ boel een som van hondert en twee gld en ses stuyvers.
De rekening gedaan den 11 Maert in 't yaer 1777 door Volkert Dirks Best.

Voor iets meer dan hondert gulden is Gertje Buus dus ‘onder de blauwe pannen’. Hij is nu in de kost bij Jacob Outjers en Crelisje de Haas.
Op tweede kerstdag 1778 ontvangt Jacob Outjers van de diaconen 9 guldens.
Dat is toch wel heel weinig! Of was er nog andere hulp? 't Blijkt te weinig te zijn om een zieke man te verzorgen.
Jacob Outjers zal bij ‘de diaconen versogt hebben om hulp in de hoog dryngende noot’. Althans in 1779 wordt 9 gulden gegeven maar in 1780 boekt Volkert Best op 21 Dec. ‘aen Jacob Outgers voor garryt bues 16.00.00’ en het volgende jaar is het zelfs 18.00.00! Maar dat is ook het laatste.
Gertje Bues is waarschijnlijk in dat jaar gestorven.... Alleen in 1784 lezen we nog:

‘ontfangen boelhuysgeld van gertje bues 13.15.00’

Toen hebben de diaconen dus het laatste schamele meubilair, of alleen wat kleeren en beddegoed?, van gertje bues verkocht en de penningskens in de schatkist geworpen. Nu is Gertje Bues dood. En zijn kinderen? Van Jan Bues lezen we nergens meer. Is hij vertrokken? Of heeft hij de kerk de rug toegekeerd? Geesje Gerrits wordt nog een paar maal genoemd. In 1776 deed ze belijdenis, dat was laat, want toen was ze al 27. In 1788 was ze meid bij Willem Tensen en Trijntje Jans Meurs en in 1794 bij diens zoon Jan Tensen en Marij Hermens Dekker. Toen was ze al 45, dus al een oude boerenmeid.
Ze trouwde niet. Wat zal de arme sloof wat afgeschuurd hebben! Al die groote kaastobbe's en weivaten en emmers en groote geelkoperen waterketels. Al dat koper en tin en tafelzilver moest bikkelglad want de West-friese boerinnen waren kraakzindelijk. Maar medelijden met ‘het volk’ was er meestal niet bij!

Gertje Jansz. ‘Buus’. Hoe kwam hij aan die naam? Was het een zachtere vorm van ‘buis’. Buis zegt Bilderdijk, aantekeningen op Warenar van Hooft, beter: buist, dat is dronken, beter: bevangen van de wijn. Het is een contractie van be-oost. De grondvorm is ‘oos’, water, eau.
Gertje Bues zou dus dronken Gertje zijn? Hij weet het niet maar ik vermoed iets. In de boelhuislijst van Gertje Bues’ boel vinden we nl. o.m: 2 groote vlesse, 2 aarden kannen, 1 tinnen halve jenever kan, 1 do. mutsje, 2 do. halfmutsjes, 1 tinnen tregter, 10 brandewijnskoppen, 5 bierglazen, 14 wijn kelkjes, 3 tinnen bierkannen, 1 bierkraan...

Dat is wel wat veel aan drankgerei voor 1 man! Nu was het drankgebruik in die tijden veel meer algemeen. Bier was een volksdrank. Telkens als 't maar eenigszins te pas kwam werd er ‘drank’, d.i. jenever geschonken, maar zooveel! Had Gertje Bues soms een klein drankwinkeltje en was hij zelf de beste klant? Was dat soms de oorzaak van zijn vroegtijdige ondergang? Dronken Gertje, arme Gertje Buus! Er zijn zoo weinig glanspunten in zijn leven geweest! Het was een sobere tijd waarin hij leefde.
De Gouden Eeuw was lang voorbij. Holland kampte nog wanhopig tegen het machtige Brittanje, dat de wereldmacht geleidelijk overnam en weldra de zeeen geheel beheerschte.

Die herhaalde oorlogen konden niet anders dan nadelig zijn en vooral de arme bevolking zal dat terdege gevoeld hebben. En waarom zoeken we deze scherven uit het verleden zoo zorgvuldig bij elkaar. Om er een gebroken beeld van te lijmen? Liggen de beelden niet alle dag voor het grijpen?

 

Een bekende naam in een oud boekje

‘No’ m'n joon, dat je deer nou zovveul mee op hewwe!’ Zo werd ik door een oud vrouwtje begroet, toen ik op strooptocht naar voorvaderen Midwoud aandeed. Misschien onbewust, vertolkte het oude mens hiermee een zeer algemeen verbreid gevoelen, nl. dat het zoeken in die oude, vergeelde papieren een vervelend en uitermate droog karweitje moet zijn...? En toch hebben ze het mis! Snuffelen in oude archieven kan soms heel interessant zijn, je ziet het leven in die ‘goeie oude tijd’ en je voelt weer met die mensen mee in lief en ... leed. Want dat leed hoorde er in die goeie ouwe tijd maar al te vaak bij!

Zo zat ik eens heel alleen op een klein zolderkamertje van het Hoornse stadhuis, met uitzicht op een leeg binnenplein en snuffelde in een klein, oud boekje. Het was een zg. ‘weeskinderboekje’ (no.946). Vier eeuwen geleden hadden verschillende weesvaders daarin allerlei aangetekend wat voor het weeshuis belangrijk was. Afstammelingen van het Hoornse patriciaat kunnen daar nog lezen, (als ze het kunnen tenminste, want het schrift is erg ouderwets en door ‘de tand des tijds’ verbleekt), hoeveel Carolusguldens hun voorouders aan ‘het Huys’ hebben geschonken en voor hoeveel idem ze zich een lijfrente kochten. Bedenk daarbij dat honderd gulden toetertijd een enorm kapitaal was, toen de arbeidslonen nog in stuyvers (en penningen) berekend werden. Die donaties dateren van 1530 af. Wat verderop hebben weesvaders aangetekend welke kinderen in het huis kwamen en hoelang zij daar bleven, bijv.:

Vroucken Willems quam in het huys 20 Novembris ao 1596
haer moeder hiette Neeltgen ende was poorteresse van Hoorn.
Uyt te May 1614.

Dat ‘Uyt te May’ was er later in margine bijgeschreven en het betekent, dat het weeskind met haar 18e jaar in een of andere dienst gekomen is.
De weesjongens werden vaak op een Oost-Indievaarder geplaatst, omdat men in de Compagniestijd gebrek aan varensgasten had, soms ook omdat de jongens het zelf wilden. Indie was toen wat Canada nu is: land van de toekomst! Helaas kwamen allen niet zo ver, dat ze ‘te May uyt’ konden gaan. Hoevele malen lezen we niet:

Anneken Pieters quam int huys ao 1560 en sterf an pest ao 67...
Neeltgen Dircx quam.... ende sturf an pest....
Janneken Jans.... sterf an de pest....

Welk een schreiend kinderleed hebben die hoge, grauwe muren van ‘het Huys’ verborgen! Arme weesjes, ziek in een groot, vreemd huis, zonder de liefderijke zorg van een eigen, echte moeder.... ‘Straf is mijn hand, maar lieflijk mijn gemoed’, zei de weesmoeder, maar die liefde bleef surrogaat... Dan, opeens, valt mijn oog op een bekende naam:

Den 26 September 1626 4 kinderen ingekomen van Jacob Isbrantsz.
BONTEKOE, hij woonde tot Amsterdam, die kinderen hieten Antjen Jacobs out 10 jaren, Isbrant Jacobs out 8 jaren, Geert Jacobs out 6 jaren, Jannetjen Jacobs out 4 jaren. Die moeder hiet Reynu Jacobs.

in de margine: Jannetjen en Geurtjen zijn gestorven den 12 November 1636. Antjen uyt te May 1637.

Antje heeft dus het pestjaar 1636 overleefd. Van Isbrant weten we dat niet...

‘BONTEKOE’. Echt een familie van zeevaarders... Drie zonen van IJsbrant Willemsz. bevoeren de wereldzeeen: Willem, Pieter en Jacob.
Willem, waarschijnlijk de oudste, geboren 1587, voer in Augustus 1617 met het schip ‘de Bonte Koe’ (130 last) naar de Levant. Het werd een onvoorspoedige reis, want in de Middellandse zee werd hij buitgemaakt door ‘Turkse’ zeerovers... (Al dat bruine roversvolk rond de Midd. zee heette toen ‘Turks’, liever Turks dan Paaps, zeiden de Watergeuzen).
Hij werd door Spanjaarden naar Gibraltar gebracht, bereikte Hoorn en ...ging weer varen! Op 26 December 1618 voer hij van Tessel met een groot en nieuw schip, de ‘Nieuw-Hoorn’ (550 last en 206 ‘eters’). Een mooie promotie dus! De tragische afloop van die reis is bekend: Willem IJsbrantsz. werd als door een wonder gered, nadat zijn mooie schip door een ontploffing in de lucht gevlogen was. Te Batavia meldde hij zijn groot ongeluk aan zijn stadgenoot Jan Pietersz. Coen, die hem een plaats gaf op een veel kleiner schip: ‘de Bergerboot’ een kort schip met 32 stukken geschut. Daarmee bevoer hij de Indische zeeen. In 1620 bereikte hij Ternate. Daarna, overgegaan op de ‘Groningen’, voer hij langs de kust van China... In de nacht van 13 op 14 December 1622 ontmoette hij daar zijn broer Pieter... Twee Hoornse jongens zo ver van huis! Maar die ouwe pikbroeken vonden dat maar heel gewoon:... 'quam ook van Japon en de Pescadores’ (visserseilanden) schrijft hij in zijn journaal.

Pieter IJsbrantsz. voer op de 'Haerlem’, een swack schip, moet nootzakelijk verdubbelt worden’, want het lekte als een mandje! De lading ging daarom over in de 'Groningen’ en zo scharrelden ze daar 'langs China’ de duizenden voor de Heren Zeventien bijelkaar.

Jacob IJsbrantsz. Bontekoe, schipper op de 'Mauritius’, kwam in 1623 tegelijk met 'het Wapen van Rotterdam’ te Batavia aan... 'heel miserabel...’ Ze hadden 'yder omtrent 275 man verloren’. Denk het u even in! Die 2 x 275 man kunnen niet allemaal matrozen geweest zijn.
In die tijd van opkomst werden ook veel emigranten naar Indie verscheept, waarvan velen het land van belofte nooit bereikten. Jacob IJsbrantsz. 'wierd naar Amboina gezonden’... Verder weten we niets van hem. Was hij overleden toen zijn vier kinderen in het weeshuis kwamen? De jongste was in 1622 geboren, dus juist voor hij met de 'Mauritius’ naar Indie voer. Of er nog nageslacht van de Bontekoe's leeft? Wij weten het niet, maar als je in zo'n oud boekje zo'n bekende naam tegenkomt, gaat er een wereld open... Je ziet ze zwerven over de wereldzeeen, vechten tegen zeerovers, tegen storm en tegen stilte, met hun schepen, vaak 'onbehiert en lecq’, 'sodat alle man aen de pompen most staen’, maar ze kwamen er! Willem, Pieter en Jacob IJsbrantsz.
Bontekoe, 'drie gebroeders, alle drie SCHIPPERS’, (zoals Willem eenvoudig, maar met rechtvaardigde trots in zijn journaal schrijft), ontvang alsnog onze eerbiedige hulde!

 

Ongewenste gasten

Nu de polio zich nog steeds uitbreidt, meest in streken waar men tegen vaccinatie is, komen soortgelijke gevallen in onze herinnering. Andere epidemieen, die tijdelijk ons land teisterden. Vooral pokken. In 1834 was er zo'n epidemie, de pokken kwamen ook op Andijk en ook toen was er verzet tegen vaccinatie, meest bij zwaar-kerkelijke mensen, de 'afgescheidenen’. Mevr. A.C. ter Horst-Hoekstra, vertelt er van in 'Kloin Pittichie':

Moeder, moeder! Grieije loit mitpokke in de besstee en skreeuwt om moeder. Wat is 't m'n koind, jeukt et weer zo? En Troinije skuifit de besgerdoinijes efkes opzai. Je moete maar dinke, moidje, 't erregst is nou verbai, je benne an de beterende hand. ja moeder, maar 'tjeukt zo, magge m'n bande nou niet losbonden? Nei 'oor liefke, aars krabje ommers de roufies der ofen den worje later zo merakel lillek, met diepe koete in je wange. Staan 't nou nag maar een toidje uit. Deimee komt vader thuis’.

Dan komt vader thuis van de bouw en praat met Grietje over inenting, die hij afwijst op dezelfde gronden die nu nog op de Veluwe gelden:

'Je moete maar dinke: we kroige alles van God, de pokke ok.
Hai weet, wat goed voor ons is. Binne de pokke den goed voor moin, vader? Oo meskien is 't een straf, omdat ik welderes stout weest hew... Maar Keessie het z'n moeder welderes uitskolden en toch ken meister Ales (de dokter, die inentte) make dat ie de pokke niet kroigt. Ik wou dat ik ok maar inent was. Stil moidje, stil, je wete niet watje zegge, zukke kloine joons magge niet over zuk prate en gieniens denke ok. Later, asje groot binne, begroip je alles veul beter, koind. Net as vader? Ik wou dat ik den maar groot was. Vader zucht. Wat zukke kloine snotbriebelkes niet zegge konne, weer je gien antwoord op wiste...'

Nu was deze afgescheiden vader niet de enige, die tegen inenting was.
De vaccinatie Jenner had veel tegenstand ontmoet. Engelse caricaturisten hadden er hevig mee gespot: de inge-ente personen kregen wonderlijke uitwassen aan armen en benen: die puisten groeiden uit tot kalfs- en koeiekoppen... geen gezicht!

Maar toen de vaccinatie resultaten bleek te geven, bedaarde de spot. Alleen de zwaarste gelovigen bleven er tegen: Wat God doet, dat is welgedaan. Zouden wij het goede wel uit Zijn Hand ontvangen en het kwade niet? Desondanks bleven er tot na 1900 nog mensen lopen, die pokdalig’ waren: de pokken lieten 'moeten’ achter, die wel iets vergroeiden, maar nooit helemaal wegraakten.
Een andere epidemie was cholera. Cholera Asiatica, braakloop, is een ingewandsziekte, waarvan tot 1883 de oorzaak niet bekend was. Nog in 1836 schreef men:

Niettegenstaande dat er thans reeds ruim 300 geschriften in alle talen over de cholera in het licht verschenen zijn, is men nog weinig gevorderd in de kennis van den eigenlijken aard dezer sneldoodende ziekte, van welke men helaas nog weinig meer dan de verschijnselen kent en omtrent welker oorzaken, al ofniet besmettelijkheid, voorbehoeden redmiddelen, men nog in bet onzekere verkeert’.

In 1817 woedde een choleraepidemie hevig aan de oevers van de Ganges en verbreidde zich snel over Azie en Europa, met duizenden doden. In 1832 bereikte de cholera Nederland. Over het aantal overledenen is ons niets bekend, maar het blijkt dat de overheid maatregelen tot tegenweer genomen heeft. Dat bleek ons uit een acte, die notaris Cornelis Pool opmaakte:

'Op heden den achttienden October desjaars acbttienhonderd achtendertig, voormiddags ten negen ure, ten verzoeke van den Heer Maarten van der Meer, Burgemeester der gemeente Andijk en aldaar woonachtig, wordt door mij Cornelis Poo4 openbaar notaris in het arrondissement Hoorn, provincie Noord-Holland, residerende te Grootebroek, in tegenwoordigheid van Andries Zwaan, grutten, wonende te Grootebroek en Jabob Aaij, arbeider, te Bovencarspel woonachtig, getuigen ten deze verzocht, ten Raadhuize te Andijk, overgegaan tot den publieken verkoop van de navolgende CHOLERA MEDICAMENTEN en goederen aan de gemeente behoorende op de navolgende conditien,'enz.

Volgen de geveilde goederen met namen en prijzen en namen van de kopers. De goederen bestonden uit: krebben, dekens, lakens, hemden, linnen, schuifpot en andere po's... Van de medicijnen worden geen speciale namen genoemd. Hier volgen enkele namen van kopers en hun gekochte waar:

Een kreb aan Maarten van der Meer, burgemeester te Andijk voor fl. 2,40
Schuifpot aan den zelfde voor fl. 3,50
Tinnen pot aan Pieter Burger, verwer te Andijk voor fl. 0,65
Kan aan Anna Maria Heiman, (vroedvrouw) fl. 0,65
Deken aan Sijmon Pieterszoon Mantel, bouwman te Andijk voor fl. 2,90
Flanellen hemd aan Arend Bakker, bouwman te Andijk voor fl. 2,40
Linnen aan Jn Waker, molenaar te Andijk voor fl. 1,85
Een laken aan Jan Jonker, landman te Andijk voor fl. 2,20
Idem aan Gerrit Zwagerman, arbeider te Andijk voor fl. 2,50
Een kist aan Dirk Groot, landman te Andijk voor fl. 1,50

Het hele geval bracht fl. 86,60 op, w.o. fl.14,00 voor de medicijnen.

Bernardus Imming, heelmeester te Andijk kocht daarvan voor fl. 13,50 en Klaas Zinger, bouwman, voor fl. 0,50. Het was nu zes jaar nadat de cholera op Andijk gekomen was, en men achtte het gevaar nu wel geweken! Of er te Andijk mensen aan cholera bezweken zijn, weten we niet. Af en toe keerde de cholera in Nederland terug, gewoonlijk de lichte soort: Cholera nostras, dwz. onze cholera, of 'cholerine’. In September 1899 is Aafje Schuurman Cd. oud 19 jaar, daaraan overleden. In 1883 vond Dr. Robert Koch (1843 - 1910) de verwekker van de cholera, de 'kommabacil’. Hij werd daarvoor door de Duitse Rijksdag beloond met 100.000 Mark. In 1905 ontving hij de Nobelprijs. Dr. Koch vond ook de miltvuurbacil en de tuberkelbacil. De mensheid is hem zeer veel dank verschuldigd!


© 2001-2017 | Kistemaker NetWerk | Sitemap

Westfries Genootschap