Kistemaker NetWerk

 
Delen :


rss

Jaarboekjes Oud Andijk » 1984 » pagina 31-33

Bij Andijks kroniekschrijver

Woensdag 30 juli 1941.

De heer R. Prins Jbzn. weet alles van zijn dorp. ("'n Apart slag volk die Andijkers".)

Kennis der geschiedenis van het eigen gewest en het hooghouden van tradities is nooit de sterkste zij van ons Westfriezen geweest. Nuchterheid, gepaard met een zekere angst om sentimenteel te lijken waren twee tegenwerkende factoren, terwijl bovendien de met reuzenschreden vooruitgaande techniek, die door haar steeds meer volmaakte communicatiemiddelen het gedeeltelijke isolement van het platteland geheel ophief er in niet geringe mate toe leidde dat een vervlakking ontstond, waardoor behouden gebleven gebruiken en gewoonten, cultuurwaarden zonder weerga, verdwenen.
Er is gelukkig een kentering gekomen. Vooral door het werken van de West-Frieze Styk en door het Historisch Genootschap "Oud Westfriesland" werd weer belangstelling gewekt voor de cultuur van eigen bodem en thans zijn er weer velen in ons gewest die grote intersse aan de dag leggen voor de historie van hun geboortegrond en alles wat daarmee samenhangt.
Echter, ook voor deze systematische actie waren er natuurlijk mensen; die zoveel voor hun plaats van inwoning of gewest voelden, dat ze de historie daarvan bestudeerden of beschreven en tot hen behoort de heer Roelof Prins te Andijk, die sinds tientallen jaren een uitgebreide studie maakt van Andijk in het verleden en heden en zijn ervaringen te boek stelt.

Dezer dagen hebben wij den kroniekschrijver van Andijk in zijn woning achter de voormalige Gereformeerde Kerk opgezocht en enige uren zoet gebracht met luisteren naar de interessante vertellingen van den heer Prins en het bekijken van allerlei bezienswaardigheden in dit huis, dat op een museum gelijkt.
"Tja", vertelt onze krasse gastheer, die allang de zeven kruisjes achter de rug heeft, "al vroeg had ik liefhebberij voor de historie. Ik snuffelde graag in 't kerkarchief en in dat van de gemeente en daarin vond ik zoveel interessante dingen dat ik ermee begon die op te schrijven. Daar ben ik zo mee doorgegaan en thans heb ik al verscheidene boeken volgeschreven".
En dan toont hij ons een stapel dikke notulenboeken en schriften in cartonnen kaft, bladzijde voor bladzijde keurig beschreven in een soort rondschrift, dat allerlei merkwaardige dingen verhaalt uit Andijks verleden.

"Andijk is oud, heel oud", zegt de heer Prins, "meestal gaat men daaraan voorbij, omdat de burgerlijke gemeente pas dateert van 1813. Maar eeuwen daarvoor reeds bestond Andijk. De Buurtjeskerk toch dateert van 1667, doch het schijnt dat Willem II, toen hij omstreeks 1250 een veldtocht tegen de Westfriezen ondernam, die niet bepaald op hem gesteld waren, bij "Aendiek" een dag rust heeft gehouden. Toen moet dus hier al een dorp hebben bestaan!
Echter het vermoeden is gewettigd, dat lang daarvoor hier reeds een gehucht was. Op Munnekay – de naam zegt het reeds – stond een klooster van de monniken van Grootebroek, waarvan de datum van oprichting zich verliest in de grijze oudheid, maar waarvoor sommigen de achtste eeuw aannemen. Om het klooster en op het naburige Krimpenerveld en andere hooggelegen plaatsen zullen toen zeker ook al wel mensen gewoond hebben.
Maar van voor de stichting van de kerk in 1667 weten we heel weinig. Daarna wel. Het Kerkarchief levert toch verschillende byzonder aardige punten op en geeft ons vermakelijke verhalen te lezen over moeilijkheden die de kerkeraad wel eens had met weerspannige lidmaten." Prins bladert in een van zijn cahiers en leest een stukje voor uit de kerkeraadsnotulen van plus minus 1700, waaruit de zwarigheden volkomen blijken.

Er woonde toentertijd een zekere Marij Galis op Krimpen in het oude magazijn en deze "dame", die geen lidmaat was, kwam toch geregeld bij de kerkeraad om ondersteuning aankloppen. De kerkeraad overwoog – heel humaan – dat men "Marij Galis als wonende in een landt van vrijheid, in welke men geen mens van honger en dorst sterven laat niet kon laten omkomen" en verschafte haar geld. Maar Marij Galis toonde zich een ondankbaar schepsel en moest meermalen wegens dronkenschap en andere grote zonden gecensireerd (gewaarschuwd) worden en het gebruik van het H.H. Avondmaal aan den tafel des Heren ontzegd".

Ook met een meneer, zekere Symen Bakker, geboren in 1683, lag het eerwaardige college gedurig overhoop omdat Symen trachtte andere Andijkers te verleiden hun kerkelijke plichten niet na te komen. "Ja, er woonden hier vreemde snuiters op Andijk", meent de heer Prins. "En nog. 't Is hier beslist een apart soort volk. Vrijgevochten, zich absoluut onafhankelijk gevoelend en reddig. Dat is na tuurlijk weI gekomen door het eeuwelange isolement van het dorp, waardoor men wel op zichzelf was aangewezen. Maar over vreemde snuiters gesproken: Ik weet er nog van dat er in de Molenhoek een familie woonde – de naam doet er niet toe – waarvan alle leden geweldige vechtersbazen waren. Op zijn tijd moest ieder een potje vechten, anders verkniesden ze. En als er met de beste wil van de wereld niets te vechten viel .. dan gingen ze naar het varkenshok en sloegen de toet op zijn dikke rug!

Fantastische bijnamen
Het isolement van het dorp maakte ook, dat er nooit veel mutatie in de bevolking kwam. Wel groeide het zielental gestaag, maar dit kwam slechts door geboorteoverschot. Vandaar dat men nu zoveel Andijkers met dezelfde familienaam aantreft. Namen als Groot, Mantel, Kooyman, Prins komen bij bosjes voor en het ligt dus voor de hand dat de volksmond ter onderscheiding verschillende bijnamen bedacht, waarvan thans veelal de oorsprong in het duister ligt. Namen als Schol, Stoisel (stijfsel), Koet, Muis, Sap zijn misschien te verklaren, maar wat moet men denken van een bijnaam als "Lichies" of "Terre"?
"En heeft U al dergelijke dingen opgeschreven?" willen wij weten. "nou dat alles niet", glimlacht de heer Prins, "maar wel alles wat ik me herinneren en nagaan kon over oude gebruiken hier op de plaats, over woorden die in onbruik geraakt zijn, over voorwerpen, die vroeger in de woningen waren, over klederdrachten, over de prijs van allerlei artikelen in verschillende tijden, enzovoorts".

Schrijver, schilder, knutselaar
Dan gaan we even kijken in de naastgelegen kamer, waar de heer Prins zijn "museum" heeft. Aan de wand hangen verschillende aardige schilderijtjes, die de oude historicus ook zelf blijkt te hebben vervaardigd. 't Zijn bijna alle voorstellingen van Andijk in vroeger dagen en ze geven een typische kijk op de toestanden zoals die indertijd waren in het langgerekte dorpje aan de Zuiderzee.
Een copie van een grote bannekaart uit het jaar 1830 prijkt hier ook, Prins heeft haar zelf nauwgezet nagetekend. In de boekerij zien we verschillende kostbare werken als de kroniek van Enkhuizen van Brandt, een deel van de eerste uitgave van de werken van Flavius Josephus (1639), een prachtige zeventiende eeuwse Statenbijbel, voorts nog honderden boeken van allerlei soort.
De heer Prins wijst ons op een kastje aan de wand, dat hij getimmerd heeft en waarin steentjes uit verschillende plaatsen van het Heilige Land liggen, die een kennis eens daar vandaan heeft meegebracht. Even verder ligt een stukje gouderts, uit Transvaal en dan zien we stukken steen van een Zwitserse gletscher, waaromheen de heer Prins een heel berglandschap heeft geboetseerd. Allemaal dingen die op zichzelf niet zo heel byzonder zijn, maar juist door het persoonlijke wat Prins er door zijn toelichting aan weet te geven van belang worden.
In de voorkamer bekijken we nog schilderijen van de ijsschuiving in 1891 en dan verlaten we deze vriendelijke kroniekschrijver, schilder en knutselaar, wiens jarenlange arbeid waardering verdient van alle Westfriezen – en speciaal de Andijkers – die gehecht zijn aan hun geboortegrond.


© 2001-2017 | Kistemaker NetWerk | Sitemap

Westfries Genootschap