Kistemaker NetWerk

 
Delen :


rss

Jaarboekjes Oud Andijk » 1998 » pagina 51-56

Dat vrachtvaren naar "De Tuinbouw", hoe ging dat?

Toen onze polder nog vaarpolder was, werden veel producten, aardappelen, bloemkool, sluitkool enz. rechtstreeks vanaf het land aangeboden bij veiling "De Tuinbouw", toen gelegen aan het station Grootebroek-Bovenkarspel. De grotere bedrijven deden dit varen naar de markt zelf, de vele kleine tuinders waren aangewezen op de vrachtvaarders.
We hebben geprobeerd, via vele kanalen, er achter te komen wanneer en hoe dat vrachtvaren is ontstaan. Dat is een haast onuitvoerbaar streven geweest. Zelfs in het mooie jubileumboek "60 jaar "De Tuinbouw" uit 1952 van P. Noordeloos, komt het woord vrachtvaarder niet voor.
Toch kunnen we enige verbinding leggen met de vorige eeuw, dankzij het leuke boekje "100 jaar "Akkerbouw", geschreven door de heren C. Visser en G.D. v.d. Heide. Toen waren er schippers/vaarders die de producten naar Hoorn brachten en aldaar ook voor die tuinders verkochten. Die hadden een behoorlijke vertrouwenspositie, maar het is gebeurd dat die werd beschaamd.
Het was overigens een gigantische reis, met de schuit, zonder motor, via Hoogkarspel, Westwoud, naar de Bangert en Zwaag. Daar blokkeerde de weg de doorvaart en moest men over het "Bangerter Rad", waarbij de schuiten over de weg werden gehaald, dan aan de andere kant verder om via de Koewijzend verder om in Hoorn te komen.

Van dhr. L. Sluys, onze wethouder, kwamen we aan de weet dat zijn voorvaderen, tot en met zijn eigen vader, Jb.Sluys, altijd bij het vrachtvaren betrokken zijn geweest. Een eigenlijk triest, maar anderzijds ook kostelijk verhaal kwam op deze wijze tot ons.
Overgrootvader, W. Sluys, was zo'n schipper, hij ging tweemaal per week naar Hoorn. Hij vertrok dan 's nachts om twee uur met de schuit volgens boven omschreven weg. Het eerste stuk als het even kon zeilen, doch bij Westwoud hield dat op vanwege de vele bruggen. Geen nood, want er waren ook twee trekhonden mee, die aan een lijn op de wal werden gezet. Maar hoe hield je die aan de gang? Nou dat was een doordenkertje! Aan de kop van de lijn werd het vrouwtje, de teef, geposteerd en op vijf meter daarachter het mannetje, de reu. Het zou nu terecht als dierenmishandeling worden beschouwd, maar daar hield men zich toen niet mee op. Reken er op dat het mannetje zich uitsloofde om bij het vrouwtje te komen en die op haar beurt deed haar uiterste best om weg te blijven. Resultaat ...... de schipper hoefde alleen maar te sturen. Dat mocht ook wel want het was evengoed al weer 12 uur 's nachts eer hij thuis was.

In de jaren later werd de reis danig ingekort, toen men de producten kwijt kon in de Broekerhaven, gelegen aan de, toen nog, Zuiderzee.
In 1892 werd de veilingvereniging "De Tuinbouw" opgericht, maar het duurde nog tot 1924 eer de rechtstreekse verkoop richting Amsterdam werd stopgezet. Tot dan had daar onze Coop. Vereniging "Akkerbouw" erg veel mee te maken. Vanaf dat moment gingen de aardappelen en groente naar "De Tuinbouw" in Grootebroek-Bovenkarspel. De vrachtvaarders bleven, hun aantal werd zelfs groter naarmate de teeltoppervlakten toenamen.
In Andijk waren er heel wat en die hadden middels mondelinge overeenkomsten hun klantengebieden aardig afgebakend. Natuurlijk ging er wel eens iets mis, b.v. als een tuinder in verschillende gebieden land had en hij toch bij een vrachtvaarder wilde blijven, maar overigens hield men zich keurig aan de grenzen.
Het was omstreeks 1935 dat ondergetekende in aanraking kwam met de vrachtschuit. Hij logeerde, als Amsterdamse stadsjongen, dan bij zijn oom Cees Ruiter, die had een dubbelbedrijf tuinder/vrachtvaarder en wat was er nou mooier te bedenken dan een dagje met de vrachtschuit mee. Die dagjes waren spaarzaam, want het was hard werken en dan moest er niet een joch van amper twaalf jaar voor je benen lopen.
Een voorval tijdens zo'n vakantiedag vergeet ik echter nooit meer. Halverwege de dertiger jaren verkeerde ons land in een rampzalige economische crisis. Enorme werkeloosheid, schrijnende armoede, het volk had veel te weinig geld om normaal te kunnen consumeren.
Direct gevolg, de agrarische sector, zeker de kleine tuinderij, kreeg ogenblikkelijk zware klappen. Honderden schuiten met aardappelen gingen via "de kippenloop" (zie verder) onder de veilingklok door die weinig anders deed dan "doordraaien" (niet verkoopbaar), ook onze vracht ontliep dat lot niet. We vaarden na het gebouw en kwamen bij een stuk land waarop een berg aardappelen lag zo hoog als de nok van een nabij gelegen schuur. Aanmeren in de sloot ernaast en dan over de planken omhoog lopen met zo'n kist met 25 kg aardappelen en bovengekomen omkeren die handel. Dan kwam er regelmatig een veilingmedewerker langs met een bus met petroleum die hij dan over die aardappelen uitgoot. Er mocht nog eens een arme huisvader langskomen om een maaltje "mee te pikken"!
Ik was nog een kind, maar wat was dat erg!
Een paar jaar later kwam ik voorgoed naar Andijk bij de Ruiters aan de Kleingouw. Je was dan een "thuishaaldertje" zoals men dat noemde.
Het grootste deel van het jaar werkte ik daar "op de bouw" wat toen gewoon tuinbouwarbeider was. Doch in de zomennaanden kwam ik steeds meer in de vrachtschuit terecht, waar ik me best thuisvoelde.

Als in de tweede helft van mei, dan moest er niet veel nachtvorst geweest zijn, de eerste aardappelen gerooid konden worden, begon ook de veiling in de Streek te draaien.
Als het goed zat, kon er voor een tuinder een leuk primeurtje inzitten. Dat was dan een goed begin van het seizoen omdat er weer eens een paar centen binnenkwamen. De klanten van de vrachtvaarders kwamen dan 's avonds, vlak na het eten, even langs om te horen welke prijs er die dag gemaakt was. Sommige vaarders hadden dan "'t Eerappelebordje" met de prijs er op buiten staan. (Een apart artikeltje hierover staat in het "Jaarboekje" nummer 17 van het jaar 1993).
Als de oogst eenmaal goed op gang was kregen de vrachtvaarders het druk, vooral de Andijkers, want veel Andijker tuinders gingen niet zelf naar de markt.
In de jaren waar het hier over gaat kenden we in Andijk, van uiterst oost tot de grens met Wervershoof waren dat: Hielke Nauta, Jaap Sluys, Ate Prikkel, Gerrit de Jong (later Klaas) Simon Beets (later Piet Singer Nz.), Cees Ruiter (later Klaas), Jacob Hooiveld (later Pe v.d. Gulik). De wijk van oom, Cees lag tussen de Broekersloot (nu kanaal) en de Ruinesloot (ter hoogte van Kleingouw 165, met centraal de Hornsloot, thans nabij de Kadijkweg.
We gingen dan 's morgens na "konkeltoid" met twee schuiten van start. De motorschuit ging vanaf huis bij de Molenslootbrug. Het was een schuit waar zo'n 120 baal aardappelen in kon, een baal = 2 kistjes van 25 Kg, derhalve een vracht van 3 ton. De motor was een 4 cylinder T-Ford, "nieuw uit de kist", moest je van oom Cees altijd horen. Ondergetekende vertrok met de vaarschuit vanaf de brug bij de Hornsloot, deze schuit kon 140 baal, dus 3,50 ton laden. Als het erg druk was huurden we er nog wel eens een z.g. "Bok" bij van schuitenhelling Botman uit Lutjebroek, die had een laadvermogen van 5 ton!

Bij de start stak elke vrachtvaarder de "sjouw" op z'n schuit, dat kon een vlaggetje zijn, maar ook gewoon een jute zak aan een stok. Het ging er om dat de tuinders hun vaarders in de verte aan zagen komen, want zij moesten er voor zorgen dat hun vrachtje voor die dag op de wal stond. Het klantenbestand bestond uit een gevarieerd gezelschap van tuinders. De meermansbedrijven, waar je zo'n 30 tot 40 kistjes kon laden, maar voor het grootste deel de eenmansbedrijven waar de vracht uit 10 tot 15 kistjes bestond.
De vrachtvaarders hadden allemaal hun eigen bonnenboekje, elke bon bestond uit twee delen,waarvan de tuinder er een ontving. Bovendien had je nog een opschrijfboekje waar per dag alles onder elkaar werd gezet. Hoeveel je per dag ophaalde wist je nooit vantevoren. Dat laden van zo'n schuit ging volgens een patroon, je moest er voor zorgen dat de ruimte die je per laag overhield altijd in het midden zat, pas dan bleef de schuit vlak op het water liggen. Onze schuiten kwamen elke dag in de buurt van de "Naiedik" (Nieuwe Dijksloot) bij elkaar en dan konden zich twee zaken aandienen. Of de totale vracht werd even over beide schuiten. verdeeld, of er moest soms nog een tuindersschuit gecharterd worden om alles mee te kunnen nemen, want er moesten nog enkele klanten bezocht worden. Vandaar ging dan de vaarschuit achter de motorschuit. Was er ook nog die, bovengenoemde, kleine schuit, ging die, kort vastgebonden aan de motorschuit en daarachter aan een lijn van 5 tot 6 meter, de grote "laad". Dat sturen achterin moest je echt wet een beetje leren. Vooral als de sleep eem hoek om moest was het opletten geblazen. Je moest er voor zorgen dat de lijn strak bleef en vooral niet binnendoor sturen want dan liep je de kans dat je schuit op de "kimmend" liep, dat was een erg vlak lopend talud van de sloot, onder water en niet zichtbaar. Dan liep de schuit vast en ging over een kant hellen met als gevolg water in de schuit en zo vol als ze waren was dat meestal fataal. Zelf gelukkig nooit meegemaakt!

We voeren vanaf genoemde plek zuidwaarts over de Broekersloot tot het "Kedik" (thans "de Weelen") dan tussen de rietbossen door het oosten in. Een stukje voorbij wat nu de Dijkgraaf Grootweg is, voeren we naar de Pieter Reussloot welke we rechtsaf insloegen, richting de Streek. Bij Grootebroek gekomen moesten we twee bruggen passeren, eerst bij de Streekweg en een paar honderd meter verder die van de spoorbaan. Vooral met overvolle schuiten, soms aan de rode rand, moest dat met veel beleid gebeuren want het was er erg smal. Daarna, direct na de spoorbrug linksaf nog een klein stukje varen op de Tocht en een grote kluwen van volle schuiten kondigden de Veiling aan.
Op volgorde van aankomst kreeg je een houten nummertje aangegooid van een mannetje, Ypie genaamd, die van grote afstand zo'n nummertje precies op je schuit wist te keilen.
Via het reeds genoemde boekje vulde je dan de veilinglijst in waar correct op kwam te staan wat elke tuinder die dag aanvoerde, met hun veilingnummer. Het totaal wat er in de schuit zat moest op het veilingbord worden geschreven met krijt. Dat veilingbord was een klapbord, wat naar twee kanten toe, hetzelfde moest vermelden en boven op de vracht werd gezet ten dienste van de kooplieden en vooral de veilingmeester. Zo'n bord kunt u nog terugvinden in ons Poldermuseum.
Al wriemelende kwam je dan in de "kippenloop", een overdekte watergang van een schuit breed. Zo kwam je dan bij de veilingklok, even lag je stil, de veilingmeester las overluid op wat er op je bord stond en de klok begon te draaien, prijs en koopmansnummer lichtten dan op en geen tien tellen later had je de koopbon in je handen, waarbij de vrachtvaarder zijn papieren overhandigde.
Als je dan op weg ging om je handel bij de kooplieden te lossen, kwam er veel routine aan te pas om dat vlot te laten verlopen. Hoe meer soorten en maten je in de schuit had, op des te meer plekken moest je zijn en die handelaren hadden allemaal hun eigen plaatsen.
Er waren daar bij het station zes z.g. "Kopsporen", wij noemde ze "tongen", daar werden de spoorwagons op gerangeerd. Als je vandaag de dag eens moet wachten op de trein bij het station Grootebroek-Bovenkarspel dan kun je vanaf het perron aan de zuidzijde nog enkele restanten zien van die "tongen". Ze waren aan twee kanten per schuit bereikbaar.
Het was altijd een drukte van belang en, zoals gezegd, je moest er een beetje bekend zijn, vooral met de omgangsvormen, want het ging er nogal eens link aan toe. Die transportarbeiders die je handel moesten verwerken die moest je te vriend houden. Het grootste deel van je vracht was aan een handelaar verkocht en dat lossen ging volgems ongeschreven wetten, die overigens wel streng gehandhaafd werden. De vrachtvaarders, maar ook de tuinders die zelf vaarden, waren er niet mee klaar als de kisten uit de schuit op de kant werden gezet. De aardappelen werden opgebaald, twee kisten in een zak waarna de zakken moesten worden dichtgenaaid, een klusje wat je ook moest leren. Er waren dus meerdere mensen voor nodig en daarom werd er met anderen samengewerkt, meestal een paar vrachtvaarders met elkaar gezien de hoeveelheden die zij rnoesten lossen. Opgemerkt dient hierbij nog te worden, dat er dagelijks een groepje "losse" transportarbeiders in de middag bij de veiling kwam kijken of er voor hen nog wat te verdienen was. Als de vrachtvaarder eigenlijk te veel vracht had voor de twee man waar bij mee was, nam je er zo'n man bij. Meestal werkte dezelfde man bij dezelfde vrachtvaarder en slechts een enkel teken vanuit de schuit naar de wal was genoeg om die zaak per middag te regelen, dat werd rechtstreeks per uur geregeld.
De vaste transportarbeiders, zij die dus voor de kooplieden werkten, kwamen er aan te pas als die balen in de spoorwagons geladen moesten worden.
Als je dan los was, moest er even gedronken worden. Daar hoefde je niet voor te lopen want de beide marktcafe's hadden langs de tongen een mannetje lopen met een hengselmand aan hun arm, waarin flesjes bier en de z.g. "kogelflesjes", gevuld met gazeuse. Die zorgden er wel voor dat ze nooit ver verwijderd waren van schuiten die net los waren. Die transporters dronken uiteraard mee, daar moest je goed om denken.
Tijdens de oorlogsjaren verliep dat lossen behoorlijk wat eenvoudiger want de Duitse bezetters hadden er alle belang bij dat ons product zo snel mogelijk, zonder al te veel "poes-pas," naar de Heimat ging. We losten de kisten toen aan de z.g. korte kant van de tongen. Kistjes op de kant zetten en de transporters zetten ze in de wagon waar de aardappelen los in gestort werden.

Nog anders was het verhaal als je handel was verkocht aan een handelaar die zijn zaken naar elders regelde per binnenvaartschepen, welke van Broekerhaven uit over het IJsselmeer naar Amsterdam en nog verder voeren.
De vrachtvaarder, doch ook de zelfvarende tuinder, was dan verplicht vanaf het station in oostelijke richting over de Tocht door te varen tot bij de molen "Ceres" (nu helemaal gerestaureerd). Daar ging je rechtsaf de Westerwortelensloot op, langs de Broekerhavenweg en aan het einde daarvan had je de "overhaal". Aldaar aangekomen, soms na lang in de file gevaren te hebben, werd je met schuit en al zo'n vier a vijf meter ornhooggebracht, dan enkele meters naar links geschoven, om dan in het hoge water van het IJsselmeer neer gezet te worden.
Dat was toch een uniek gebeuren, die electrische overhaal, zo'n hele middag draaide bij door, tuindersschuiten bij twee, grote vrachtschuiten bij een tegelijk. Naderhand leeg weer terug.
Het kon in die kleine havenkolk als een mierenhoop zo druk zijn en het lossen aldaar was, waar het ging om het aantal zweetdruppeltjes nogal verschillend. Je trof het als jouw vracht als de laatste in een schip kon, want dan lag die al mooi diep en dat scheelde al gauw anderhalve meter tillen vergeleken met een leeg schip. Reken er op dat die dingen telden!
Gelukkig heeft men een paar jaar geleden die "Overhaal" helemaal opgeknapt en ook het haventje is nog intact al ligt het nu vol met plezierjachten. Toch is even overpeinzen op die plek mij al enkele keren overkomen.
Als je naar Broekerhaven moest kon je er toch wel voor rekenen dat je 's avonds een paar uur later thuis was.

Een mooi beeld van de vrachtvaarder

Een mooi beeld van de vrachtvaarder die voor de ochtendmarkt van de volgende dag de vracht in ontvangst neemt als de bouwers 's avonds naar huis gaan.
Dit is aan de Hogesluissloot (bij de Schoolweg) en het moet haast een medewerker van Hielke Nauta zijn die aan het laden is. De schuit met de kistjes van de vorige dag ligt op de voorgrond.

Wat het eerder omschreven ophalen bij de klanten betrof, dat veranderde nogal als, zo omstreeks 1 augustus, de aanvang van de veiling van 's middags naar de morgenuren werd gebracht. We hebben het nooit precies kunnen achterhalen maar waarschijnlijk had dat te maken rnet de grotere aanvoer van bloemkool.
De vrachtvaarders lagen dan avonds elk op hun eigen stekkie op de naar huis varende tuinders te wachten. Deze hadden dan hun vrachtje mee en losten die bij hun "vaarder". Ze konden dan gelijk zelf de kisten van de vorige dag weer meenemen. Dat was altijd een hele bedrijvigheid zo tussen half zes en zes uur 's avonds op die plaatsen, vooral op de kruising van de Kleingouw en de Broekersloot (nu bij de grote brug over het kanaal) was het druk want daar had een drietal vrachtvaarders de wacht betrokken. Een voordeel was dat elke vaarder precies wist met welke vracht hij de volgende morgen op pad ging richting de Streek.
Dat vrachtvaren is doorgegaan tot rond 1960. Toen was het railvervoer en ook dat van de binnenvaartscheepjes, al haast geheel verdrongen door het wegvervoer. "De Tuinbouw" ging mee met zijn tijd en liet een nieuwe los- en laadplaats bouwen aan de zuidzijde van het veilinggebouw. Het duurde niet lang of ook bij de aanvoer werd steeds meer gebruik gemaakt van de weg, de trekker begon zijn opmars.
En later, met de intrede van de Ruilverkavelingswerkzaamheden in 1973, was het met het varen in de polder helemaal gebeurd, behalve dan in het natuurgebied "De Weelen"'.
VRACHTVAREN, het was een zeer intensief, maar ook afwisselend werk. Het was destijds voor de kleine tuinders een onmisbare factor bij de uitoefening van hun bedrijf.

G. van Gelder

P.S.
Wij hebben ons in bovenstaand artikel uitsluitend bepaald tot het vervoer van aardappelen naar de veiling "De Tuinbouw".
Er waren ook enkele vrachtvaarders die tulpen en andere bloembollen en -knollen naar de bollenveiling "West-Friesland" brachten.
Zij zorgden er dan eerst voor dat de kwekers bollenmanden van de veiling ter beschikking kregen. Op maandagmorgen werd de vracht opgehaald bij de hollenschuren en naar "West-Friesland"' gebracht, waar op de woensdag daarna de veiling gehouden werd. De toen alombekende Theeuwis Tensen was zo'n vaarder, later zoon Klaas. Het verdwijnen daarvan was uiteraard gelijkluidend als bij het aardappelenverhaal.


© 2001-2018 | Kistemaker NetWerk | Sitemap

Westfries Genootschap