Kistemaker

Thuis » Boeken » Al deze Stenen voor Sparen en Lenen » Hoofdstuk 1 » Pagina 9

De wortels van een grote organisatie

Raiffeisen werd geboren in 1818 en groeide op in een tamelijk welgesteld gezin. Zijn vader was burgemeester, waardoor bij toen ook al de praktijken van woekeraars leerde kennen. Woekeraars die soms “rekenfouten” maakten, waarvan de boeren het slachtoffer werden.
Op verzoek van de boeren controleerde hij met enige regelmaat de vorderingen die schuldeisers meenden te hebben. Daarbij werden meestal grote “vergissingen” geconstateerd, hetgeen hem, door die schuldeisers, niet altijd in dank werd afgenomen.

Geboortehuis van Raiffeisen in Hamm.Geboortehuis van Raiffeisen in Hamm.

Zijn moeder zag graag dat hij een plaats in het bedrijfsleven zou vinden. Maar zijn hart ging uit naar een militaire loopbaan. Drie jaar was hij vrijwilliger bij de 7e artillerie brigade voor hij in 1838 naar de officiersschool in Koblenz ging. Een opleiding waar hij ook in zijn latere leven veel aan zou hebben, al zou hij geen militaire loopbaan gaan vervullen. Al snel na het afronden van de officiersopleiding bleek hij een oogziekte te hebben, die niet te genezen was en zijn gezichtsvermogen in de loop van de tijd verder zou laten afnemen.
Hij kreeg een administratieve functie bij de Koninklijke Pruisische regering en werd in 1845 benoemd tot Burgemeester in Weyerbusch. Daar treft hij in die strenge winter veel ellende aan. Veel werk voor wie zich het lot van arme boeren aantrekt. De oogst is mislukt, de boeren worden geterroriseerd door woekeraars. Die woekeraars bevonden zich voornamelijk onder de veehandelaren. in eerste instantie lieten de boeren zich verleiden om één of enkele koeien van zo'n veehandelaar te kopen en wanneer ze daar het geld niet voor hadden mocht de koe voorlopig op krediet in de stal blijven staan. Ging er dan iets mis dan wilde de veehandelaar het dier wel terugkopen voor de helft van de prijs. Het begin van een grote schuld. Zo ging het van kwaad tot erger en leidde een torenhoge schuld tot openbare verkoop van alle (familie) bezittingen.
Raiffeisen besluit dat hij aan de ontstane nood iets moet doen, en niet als velen van zijn voorgangers snel op de vlucht slaan voor de problemen.
Om iets aan de dreigende hongersnood te doen weet hij 150 schepel meel uit de koninklijke magazijnen te krijgen. Als het meel arriveert, blijkt het geen schenking te zijn, maar mag het alleen tegen contante betaling aan de bevolking worden gegeven. Vanzelfsprekend was dat geen oplossing voor juist de allerarmsten. Het komt hem later op een ernstige berisping te staan wanneer hij, uit christelijke naastenliefde en in overeenstemming met zijn geweten het meel verdeelt zonder betaling te vragen. Hij doet dat via de oprichting van een armencommissie, gevormd door de welgestelden. Een eerste vorm van samenwerking. Een formule die hij nog vele malen zou gebruiken en die de basis vormt voor coöperatieve samenwerking zoals we die vandaag nog kennen.
Eenmalig wat meel was natuurlijk geen oplossing voor langere tijd, een volgende stap was het inkopen door de armencommissie van eigen graan en de bouw van een eigen bakkerij voor de gemeente. Met gezamenlijk bouwen had de gemeenschap al ervaring, doordat onder de leiding van Raiffeisen al eerder de school van het dorp opnieuw was gebouwd. Zestig deelnemers telde de armencommissie inmiddels, die ieder “een behoorlijke duit in de kas” deden. Zelf bleef Raiffeisen niet achter en stelde als eerste van zijn eigen spaargeld een bedrag beschikbaar.

Een nieuwe uitdaging

Al in 1848 moet bij Weyerbusch verlaten na er veel voor de bevolking te hebben gedaan.
Hij wordt overgeplaatst naar Flammensfeld. Ook daar treft hij weer dezelfde ellende aan. Het duurt dan ook niet lang of met steun van een bankier in Keulen is de “Flammensfelder Vereniging ter Ondersteuning van Onbemiddelde Landbouwers”, met 60 leden een feit. De vereniging geeft de boeren de gelegenheid om zelf vee te kopen, het vee blijft eigendom van de vereniging, totdat zij het zelf hebben kunnen terugbetalen. In de levensroman over Raiffeisen lezen we waar het allemaal om gaat: “In het nieuwe jaar 1850 bewees de vereniging op welk een gezonde, solide basis zij was opgericht: alleen op naastenliefde, want bestuur en leden deden al het werk zonder vergoeding. Slechts voor het ingewikkelde werk van de boekhouding, waarvoor de onderwijzer werd aangesteld, werd een billijk honorarium uitgetrokken, waartoe de rente met een tiende procent werd verhoogd.”
Na een jaar was het al mogelijk om naast de vereniging ook een spaarkas opte richten.
Weer volgt een overplaatsing, ditmaal naar Heddesdorf. Het kan niet uitblijven. Heddesdorf was weliswaar geen armelijke agrarische omgeving, maar nood was er wel degelijk. Hier kwam voor het eerst een echte “Voorschotbank” tot stand.


© 2001-2019 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap