Kistemaker NetWerk

Boeken » Al deze Stenen voor Sparen en Lenen » Hoofdstuk 14 » Pagina 144-147

De veilingen en de bank

Geldlopers

Nog even terug naar het betalingsverkeer in de eerste 65 jaar van de tuinbouwveiling. Het betalingsverkeer berustte geheel op contante betalingen, in een cyclus van twee weken. Die cyclus is er overigens ook vandaag nog. Alles wat in een week was geveild, werd berekend aan de kopers die in het begin van de daarop volgende week moesten betalen. In de tweede week begaf de geldloper zich op weg naar de telers om af te rekenen, iedere dag een deel van de route. Nu zou dat een ondenkbare situatie zijn: een man alleen, op de fiets, elke week volgens dezelfde route, op hetzelfde tijdstip van Enkhuizen langs alle tuindersbedrijven naar Lutjebroek, Met een bedrag in zijn tas dat niet zelden meer dan f 100.000,- bedroeg! In latere jaren zelfs een half miljoen. Aan de geldlopers uit die tijd kunnen we het niet vragen, ze zijn inmiddels allen overleden, maar een enkele weduwe weet ons nog te vertellen dat haar echtgenoot nooit een onveilig gevoel heeft gehad tijdens zijn werk. Er was ook geen reden voor: uit die tijd is geen enkel bericht over een overval of andere calamiteit. In het begin was Willem Ooteman verantwoordelijk voor de geldstromen, later Piet Bot.
Het waren ware rekenwonders. Ter plaatse, aan de keukentafel, werd pas de uit te betalen som uitgerekend. Hoofdrekenen was toen nog een gewone vaardigheid. De geldloper werd steeds met open armen ontvangen. Er werd op hem gewacht en als hij eens wat later arriveerde dan ontstond er al gauw een lichte paniek. Menig jongen en meisje uit die tijd, die nu tussen de 50 en 70 jaar is, herinnert zich nog de geldloper met zijn tas vol geld. Zij konden het niet laten om even vol verrukking naar de inhoud van de tas te kijken. Ook al moest dat natuurlijk wel van een afstandje! Op een aardigheidje mocht de geldloper altijd wel rekenen. Bij de kleinere telers vaak een goede sigaar, bij de grotere, vermogender tuinders een kleinere sigaar. Bekend is nog het verhaal van de rijke “Herenboer” J. B. uit de Streek, die in zijn wel voorziene sigarenkist een speciaal “arbeidershoekje” had, waaruit voor deze gelegenheden een kleinere en/of mindere sigaar kon worden gepresenteerd.

Het veilingbestuur in 1947.

Het veilingbestuur in 1947, met onder andere zittend 2e van links A. N. Jong
secretaris en voorzitter van de bank in Lutjebroek, daarnaast A. P. de Boer
voorzitter en geheel rechts P. C. M. Willebrands betaalmeester.

Omdat de uitbetaling altijd overdag plaats vond, was het de vrouw van de teler die het geld gewoonlijk in ontvangst nam, de mannen waren op het veld of naar de veiling. Daar, op de veiling, moesten zij zorgen voor de gunst van de keurmeester. Niet zelden was er sprake van de nodige corruptie. En een gelagkaartje van 25 of 50 cent was daarbij een belangrijk instrument.
Door die gelagkaartjes was er rond de veiling, zowel voor als ook nog na de oorlog veel drank(mis)-(ge)bruik.
Uit de geschiedenis van de veiling “De Eendracht” in Hoogkarspel, die later een fusie aanging met “De Tuinbouw” is nog het volgende voorval bekend: de geldloper van die veiling overkwam het, dat bij door een ongelukkig voorval met zijn fiets kwam te vallen. Daarbij rolde ook zijn geldtas over de weg en waaide het geld alle kanten op. Direct schoten een aantal inwoners van Hoogkarspel te hulp en in korte tijd was alle geld weer in de tas. Bij controle bleek er niets te zijn verdwenen.
Omdat de vrouwen thuis het geld ontvingen, leidde dat later tot de merkwaardige situatie dat zij het waren die de meeste weerstand boden bij de overgang van contante betaling naar betaling via de bank. Een beweging die natuurlijk niet was tegen te houden, maar die niet zonder grote protesten werd aanvaard. De vrouwen waren tegen omdat zij de macht over de inkomsten verloren. De mannen omdat ze weinig vertrouwen in de bank hadden of omdat ze liever niet hadden dat ieder bestuurslid van de bank van zijn inkomen op de hoogte was.
Een bezwaar tegen de coöperatieve banken, dat vaker in verschillende vormen de kop heeft opgestoken. immers de bestuursleden waren en zijn niet de minste onder de bevolking. In het jubileumboek van “De Tuinbouw” lezen we over de Boerenleenbanken: “De grootste grondbezitters werden wel vaak bestuurders, want... “Hoe meer land, ... hoe meer verstand.”

Naar giraal betalingsverkeer

Maar om even bij die vrouwen terug te komen: doordat zij het geld ontvingen, waren zij ook in staat om een deel achter te houden. Soms wel f 50,- van de ƒ 450,-. In sommige gezinnen leidde dat er toe dat, wanneer er nieuw land moest worden gekocht, de vrouw nog een reserve (in de oude sok) had om de aankoop mogelijk te maken. Hierdoor hadden vrouwen in die tijd al een veel grotere invloed op het bedrijf dan men tegenwoordig denkt.
Een enkele tuinder wist vol te houden dat hij beslist het geld contant wou hebben. Tot 1957 bleef daarvoor de geldloper actief. Later waren het er zo weinig dat zij naar het kantoor moesten om hun geld te halen. Waarschijnlijk was Jan Buisman uit Grootebroek de laatste die het voorrecht genoot om contant te worden uitbetaald.
Bij de overgang naar girale betaling werd ook de handel gedwongen aan deze nieuwe betaalvorm mee te doen. Zij betaalden op het veilingkantoor bij de betaalmeester. Een van die betaalmeesters was de vader van de huidige Kardinaal Willebrands. Zijn huis staat nog steeds tussen het postkantoor en “De Streekhof” in Grootebroek. Om er voor te zorgen dat de handelaren aan hun verplichtingen konden voldoen, moesten zij een zekerheid stellen voordat zij het recht kregen om op de veiling te kopen. Daartoe stortten zij een waarborgsom of gaven een garantie af. Een enkele keer was deze garantie afkomstig van een bank, maar meestal stonden familieleden of collega's borg. Op den duur leidde dat tot geweldige misstanden, omdat hele families in een cirkel voor elkaar borg stonden.
Door het verdwijnen van de grote sommen contant geld, ontstond er bij de veilingen een grotere behoefte aan krediet. Het was ook de tijd dat de eerste bedrijven begonnen met de salarissen per bank te betalen. Hoewel het tot 1960 zou duren voor men in de industrie en handel op grote schaal begon aan girale salarisbetaling. Voor de banken betekende al deze veranderingen een sterke expansie en wijziging van de bedrijfsvoering. De invoer van geautomatiseerde systemen maakte het allemaal mogelijk. Uit Amerika waren de eerste ponskaartmachines Europa binnengekomen en deze nieuwe techniek was hard nodig om het geheel veranderende betalingsverkeer in goede banen te leiden.

De eerste administratieve verwerking met ponskaarten.De eerste administratieve verwerking met ponskaarten.

Een praktisch probleem was de toekenning van banknummers. Met de toename van het cliëntenbestand en door de automatisering, moest iedereen over een banknummer beschikken. Voor de tuinders werd een even eenvoudige als praktische oplossing gevonden: het nummer waaronder de tuinder bij de veiling als lid geregistreerd stond, werd de kern van het banknummer. Daarvoor kwam een code voor het bankkantoor en daar achter een cijfer om het geheel controleerbaar te maken. De toen ontstane bankrekeningnummers zijn nu nog volop in gebruik. Het veilingnummer erin is nog herkenbaar. Aan de hoogte van dat veilingnummer is te zien uit welke plaats de familie van oorsprong komt. De veilingnummers zijn namelijk ooit uitgegeven aan de tuinders te beginnen in het Westeinde van Enkhuizen, tot aan het eind van Lutjebroek.
De, in die tijd nog betrekkelijk kleine, lokale banken waren niet in staat aan de grote vraag naar geld van de veiling te voldoen. Maar hier bleek nu pas echt het belang van de Centrale Bank die alle plaatselijke banken samen in het leven hadden geroepen. De leningen voor grote bedragen werden door de Centrale Bank verstrekt, terwijl de kredietfaciliteiten voor korte periodes, bijvoorbeeld om de betaling aan de tuinders te kunnen doen, door de plaatselijke bank werden verstrekt. De betalingen aan de tuinders moesten nu eenmaal volgens een strak schema en punctueel op tijd worden voldaan. Bij de geringste vertraging wordt de tuinder zenuwachtig en gaat twijfelen aan de soliditeit van de veiling. Zo was het lang geleden en zo is het vandaag nog steeds.
Soms hadden en hebben veilingen een sterke behoefte aan liquide geld. Deze behoefte vindt zijn oorzaak in het volgende: Alle belangrijke besluiten bij een veiling worden genomen door een Algemene Vergadering van leden. Onder die besluiten vallen alle investeringen, en ook alle besluiten over financieringen. Tijdens die vergaderingen kijken de leden-tuinders niet alleen naar het belang van de veiling, maar zeker ook naar het eigen belang. Daardoor wordt de rentabiliteit van de veiling zo minimaal mogelijk gehouden. Een hoge rentabiliteit gaat immers ten koste van directe uitbetaling aan de leden. Omdat geld voor reserveringen bij de leden vandaan moet komen, komt daardoor de reserveringscapaciteit bij veilingen altijd in de “gevarenzone”.
Waar de bank als financier optreedt van de veiling, komt deze vanzelfsprekend in een rol waarin zij moet pleiten voor een versterking van weerstandsvermogen van de veiling.
De rol van de bank bij de betaling van veilingopbrengsten, verschafte de bank ook nieuwe mogelijkheden om kennis te verzamelen over de ondernemer. Wanneer de tuinder een nieuw krediet nodig heeft, is het voor de bank eenvoudiger zich een beeld te vormen van dat bedrijf. Anderzijds geeft het ook de mogelijkheid om seizoenkredieten te verschaffen op basis van verpanding van de veilingopbrengsten. Ook de veilingen maken in de loop van de tijd beter gebruik van de automatiseringsmogelijkheden en verschaffen, niet tot ieders genoegen, wekelijks omzetcijfers aan de banken, ook in vergelijking met voorgaande jaren.


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap