Kistemaker NetWerk

Boeken » Samen nei de brand » Pagina 9-12

9-12

“Samen nei de brand”

Brandweermannen "benne doenige manjes".
Ja, dat kunt U rustig aannemen, maar notuleren, daar hadden ze wat tegen. Dat blijkt o.a. uit de opmerking van een secretaris, die over twee grote branden in 1953 notuleert: Ik kan hier niet veel over schrijven, want ik ben er zelf niet bij geweest. Jammer, maar 2 branden zijn nooit vergeten, omdat ze steeds zijn doorverteld.

Het was een warme zomernacht in juli 1953, en de fa. Vink zal zich het één en ander nog wel herinneren. Het was een brand met een bijzonder ontstaan. Nijvere expediteurs als het waren, stond er in de garage een bak met petroleum of benzine om de motoronderdelen vetvrij mee te maken. De bak stond op de grond en op de werkbank stond een stallantaam, die ze vergeten hadden uit te doen. 't Was een wanne windstille nacht en" iederien was puur onder zoil, want 't was een drokke dag weest". en om 6 uur of eerder ging de wekker weer. Was er maar wat meer wind geweest, dan was de garage wat meer doorgewaaid, maar ja... Nou weet U wel dat benzinedamp zwaarder is dan lucht en in een warme afgesloten ruimte verdampt de benzine, vermengt zich met de lucht en stapelt zich op. Met andere woorden, het ontplofbare mengsel kwam steeds hoger totdat ...... om een uur of 3 's nachts de spuitgasten uit bed werden getrommeld met de woorden: "Brand bij Vink aan de Molenweg". Op dat moment had het benzinegas de stallantaarn bereikt en explodeerde. Daar ging het bedrijf en een vrachtwagen die afgeladen vol stond met bollen voor de "Zuid".
De arriverende spuitgasten hadden de handen voorlopig vol. De garage die voor een groot deel van hout was, brandde als een lier, en de exploderende asbestplaten op het dak knalden alle buren uit bed. Toen de spuitgasten het sein "Brand Meester" gaven, was er van de garage en de vrachtwagens niet veel meer over. Maar de Vinken waren zeker niet voor één gat te vangen en als je nu al die kanjers van vrachtwagens ziet staan, dan hebben ze er toch weer heel wat van gemaakt.

Een maand later in augustus was het weer raak.
Het was een broeierige Zaterdag geweest en tegen de avond kwam er inderdaad vanuit het Zuiden wat onweer opzetten. Nu is dat in ons goede dorp meestal gauw over, maar laat die bui nou 's nachts terugkomen vanaf het IJsselmeer, een natuurverschijnsel wat hier maar zelden voorkomt en dat is maar goed ook. "Den deugt ie skoftig" zo zei een oud plaatsgenoot, en inderdaad "hij deugde". Het lichtte en donderde onophoudelijk. Het leek erop of alle wolken van plan waren om boven Andijk leeg te lopen. Hele families waren uit "bed rammeld", en zaten bij de peterolielamp of kaarslicht, want het elektrisch was ook al uitgevallen, wat met die bovengrondse leidingen vaak voorkwam met zwaar weer.
En ja hoor, hij was raak, U weet wel, zo'n felle flits en gelijk zo'n knal er bovenop. Juist, er bovenop. Op een boerderij in de Bangert, die bewoond werd door de families Buis en Stavenuiter. De boerderij had een rieten dak, dus de brand had gelijk de gang er in.
De gealarmeerde spuitgasten begaven zich op weg, en in die tijd nog vaak op de fiets of brommer. Wie op tijd was kon nog met de brandweerwagen mee, maar menig brandweerman zal in die nacht het moment verwenst hebben dat ie ook zo nodig bij de brandweer moest, want de meesten lieten toch ook vrouw en kinderen achter in dit noodweer. Ja beste lezer, daar mag U gerust es over nadenken. Ja, er moest snel gereden worden want anders ging de hele Bangert plat, de lucht werd al aardig rood in 't Westen. Chauffeur Klaas Brandsma, bij velen van U nog wel bekend, had er, zoals ie later vertelde: "er een oiselijke toer an om de wagen op de weg te houwe".
In die tijd hoorden brandweerwagens open te zijn en daar kwam hij dan ook achter. De ruitenwissers konden al het water niet verwerken en in de auto regende het al even hard. Gelukkig kwamen ze zonder ongelukken bij de brand en dat werd de hoogste tijd. De boerderij brandde als een fakkel en je weet het maar nooit met al die huisjes in de buurt. De spuitgasten rukten de slangen van de wagen en sleurden ze naar hun plaats. Nu komt het wel es voor dat je al spuitende denkt, als ik nu daar of daar stond, zou ik er beter bij kunnen. Dat was in die nacht ook het geval en omdat brandweerlui "doenige manjes benne" ging er ook één driftig met z'n slang aan de sleep. Trekken en sjorren vanzelf, want zo'n slang is geen pond suiker. En of het nou kwam omdat ie achteruit liep of omdat het zo rookte, opeens was ie tot z'n schrik nog maar half zo groot. En behalve naar vuur en rook, stonk z'n nieuwe standplaats ook nog es erbarmelijk naar wat anders.
Zonder dat hij ook maar het flauwste vermoeden had was ie achteruit in de gierkelder gelopen.
Er zal best een houten beun over of zoiets op hebben gelegen, maar door al dat water was die kelder volgelopen en genoemde beun is op de woelige baren een eigen leven gaan leiden, vandaar.... Dit alles tot groot misnoegen van de spuitgast, die in zeer gebelgde bewoordingen z'n gal spuide over veehouders in het algemeen en gierkelders in het bijzonder. Omdat er nogal wat werk te doen viel, zocht hij z'n straalpijp weer op en bluste verder.
Even later rende een volijverige collega de hoek om die elders nog wat te doen had en vanwege de rook, regen en duisternis ook niet veel zicht had en ja hoor.... U raadt het al. Ook hij was plotseling nog maar half zo groot.
Toen al deze rampspoed werd ontdekt, lagen alle collega's natuurlijk in een deuk, want als er wat valt te lachen staan brandweerlui nooit achteraan en op al te veel medeleven in dit soort kommervolle omstandigheden moet je echt niet rekenen. Omdat er ondertussen van de boerderij niet veel meer te redden was en er straalpijpen over waren, werden de "stinkende spuitertjes" door bereidwillige collega's schoongespoten op voorwaarde dat ze een beetje uit de buurt bleven. En omdat het juist kermis was in Hoorn kwamen ondertussen de laatste feestgangers op huis an, waaronder ook de zoon van de eigenaar van de enigszins platte boerderij. Toen hij een tikkeltje onder invloed van Bacchus de puinhoop aanschouwde deed hij de legendarische uitspraak:" Da's toch ok wat, nou ken ik gieniesen in m'n oigen nest".

Het was een koude winteravond, toen de spuitgasten bij de warme kachel werden weggeroepen en zich wederom naar de Bangert haastten, ditmaal voor een schoorsteenbrand. En velen van U weten nog wel hoe het daar was in de jaren '50 "kloine huissies en pittig wat jóós. Ja, de Moeders van toen moesten oiselijke panne met ete kouke en hadde puur zukke bulte wasgoed."
Drogers waren er nog niet dus hing het wasgoed meestal op zolder. Op die bewuste avond stormden de brandweermannen met ramoneurs (schoorsteenschoonmakers) en bijlen bij de trap op en baanden zich een weg door "de oiselijke buit wasgoed" die daar hing te drogen, naar de schoorsteen, die er lekker op los brandde. Er was niet direct gevaar, maar vanwege de overproduktie in de pijp stond de zolder vol met rook.
Eén van de spuitgasten "begroette dat puur" en hij zei nogal luid: "Manne, haal die klere d'rs van de loin, strakkies stinken ze as de pest". Gelijk meldde de vrouw des huizes zich onderaan de trap met de onversneden Westfriese uitroep:" Leit die troep maar hange hoor jóós, as ik 't an m'n kont trek wordt 't toch ok weer kladdig".
Gierend van het lachen stapten de spuiters na een tijdje weer in de wagen en vertrokken naar de kazerne. Nog steeds wordt dit verhaal in geuren en kleuren verteld aan de nieuwe spuitgasten.


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap