Kistemaker

Thuis » Diversen » Krantenknipsels

DE REDE-TIMMERMAN

Bron onbekend; indertijd gepubliceerd in een regionale krant (1931) in de rubriek "Ingezonden stukken. (Buiten verantwoordelijkheid van de Red.)"

Mag ik een plaatsje in ons orgaan. Bij voorbaat mijn dank.

Het is naar aanleiding van 't verslag eener lezing van den heer Timmerman gehouden te Andijk. Ik mag aannemen dat dit verslag zakelijk juist zijn rede weergeeft. Is dit het geval, dan meen ik te moeten protesteeren tegen de beschuldigingen die daar zoo ongemotiveerd tegen onze landbouwers worden uitgesproken.

Het eerste deel zijner rede zou ook wel de moeite loonen er op in te gaan. Zeker, Gods Woord getuigt tegen de sociale ongerechtigheid, maar nergens geeft dit Woord den indruk alsof die ongerechtigheid alleen bij één klasse der maatschappij bestond.

De mensch is zondig en daarom gaat ook de eisch in Gods Woord van recht en gerechtigheid tot rijk en arm, tot heer en knecht. Timmerman geeft sterk de indruk alsof de Schrift alleen die zonde ziet in de meer of minder bezittende klasse. Dit ruikt sterk naar klassenstrijd en in de practische toepassing van zijn onderwerp komt dit nog veel meer tot uiting.

Ik wil aan de hand van de gegevens, die Timmerman zelf geeft, dit trachten aan te toonen.

Elk weet of kan weten hoe slecht 't na de oorlogsjaren op tuinbouwgebied hier ging, uitgezonderd in de bloembollencultuur, die hier toen slechts van geringen omvang was, bij thans vergeleken. Nochtans bleven de loonen op het peil van de oorlogsjaren. Toen kwam 1922, hetwelk financieel voor de land- en tuinbouwers een rampjaar was. Aanmerkelijke daling der loonen en een groote werkloosheid trad in. 1923 was gelukkig beter, maar niemand mag zeggen dat 't best was. Volgens Timmerman's gegevens was toen het gemiddelde belastbaar inkomen 1681 gulden (belastingjaar 1924-1925). Let wel, dat werd niet door elk verdiend dat jaar, maar daar is de rente van ieders bezit bij te rekenen.

In de vijf volgende jaren was het gezamelijk inkomen 3½ millioen hooger aangeslagen. Nu is aanslag nog geen inkomen; velen worden wel eens duizenden hooger aangeslagen dan de werkelijkheid; ook de fiscus heeft wel eens fantastische voorstellingen van de rijke bloembollenkweekers. Toch wij nemen nu de cijfers uit 't verslag. 3½ millioen verdeeld over 5 jaar is ƒ 700.000 jaarlijks verdeeld over 1300 aangeslagenen, is ƒ 540 per jaar per aangeslagene. Nu zegt de heer Timmerman wel, de arbeiders en neringdoenden hebben er nauwelijks van geprofiteerd. Nu is dit onjuist, de loonen zijn heel wat gestegen, en dat de neringdoenden er niet van genoten hebben, dan moeten de Andijkers al een groote mate van spaarzaamheid beoefend hebben, als manufacturiers, timmerlieden, winkeliers, enz. enz. er niet van profiteerden. Doch het is waar, de landbouwers hebben grooter aandeel in dat meerdere inkomen van ƒ 450 per jaar.

Maar denk nu eens even na, hoeveel is er niet door elken landbouwer van dat meerdere inkomen aan bloembollen-inkoop besteed? Nu zal ik maar niet eens opnoemen de nieuwe schuren en andere inventaris die voor uitbreiding van dit bedrijf noodig was.

De fiscus heeft dat bedrag bij 't belasting, inkomen gevoegd; die zegt: of gij geld op rente zet of in de bloembollen steekt is ons hetzelfde.

Nu kan men zeggen: dat is de fout, men moest aan geen uitbreiding van bloembollen gedaan hebben. Maar waren de Andijker bouwers van zulk een geest geweest, wij hadden hier geen tulpencultuur gehad, en dezelfde ellende van andere landbouwstreken zou ons deel geweest zijn.

De arbeiders er nauwlijks van geprofiteerd! Waarom kwamen dan van allerlei provincies de arbeiders hier?
„Indien geen onverantwoordelijke uitgaven waren gedaan konden nu de reserves gebruikt worden.” Wordt dit gedaan? Neen! is de beschuldiging.

Nu moet elk inzien dat de reserves wel gebruikt worden; waar zouden in 1930 alle arbeidsloonen van betaald zijn? Waar moeten de loonen in 1931 van betaald worden? Wederom van de reserves.

Als er eens geen reserves waren, hoe laag zouden de loonen dan zinken?

1930, zegt Timmerman, is niet zoo slecht als wordt voorgegeven. Alweer een beschuldiging in 't algemeen. Hier tegenover plaats ik 't feit dat dezer dagen een stuk bouwland in 't centrum van 't dorp, vlak aan den weg, door iemand van Tilburg werd gekocht. Niemand van de honderden landbouwers waagde zijn geld er voor! (Commentaar overbodig).

Als regeering en gemeente zich beijveren om de vele werkloozen aan arbeid te helpen, opdat gezonde menschen hun eigen verdiend brood kunnen eten, dan worden de Andijker bouwers beschuldigd dat men de arbeiders laat „verkommeren” in de Wieringermeer.

Het, is spoedig gezegd: „Inplaats van een Christelijke geest komt de Kainsgeest naar voren en de arbeidsloonen worden verkort.”

Wat nut geven zulke onbewezen beschuldigingen? Worden patroons en arbeiders hierdoor dichter tot elkaar gebracht? Of tegen elkaar opgestookt?

Is in dezen tijd van crisis niet voor alles noodig dat werknemers en werkgevers dicht bij elkander gebracht worden, en door ijverigen arbeid en energie, en groote spaarzaamheid deze drukkende tijden trachten te boven te komen?

Meer, mijnheer de Redacteur, wensch ik hier niet aan toe te voegen. Ik hoop niet te veel ruimte van U gevraagd te hebben. Nogmaals mijn dank.

JAC. VRIEND Nz.
Landbouwer te Andijk.
Andijk-Oost, Febr. 1931.


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap