Kistemaker

Thuis » Diversen » Emigratie »

Andijk zag zijn vijfhonderdste vertrekken
(Uit: Panorama, 4-9-1954)

Reeds twaalf procent van de bevolking van het Noordhollandse tuinbouwdorp waagde de sprong naar een nieuw vaderland

Het heeft in vele kranten gestaan: de vijfhonderdste emigrant is uit de gemeente Andijk vertrokken. De vijfhonderdste emigrant na de bevrijding. Daarmee is dan gezegd, dat ruim twaalf procent van de bevolking van Andijk naar een nieuw vaderland vertrokken is, een percentage, dat wel door geen andere Nederlandse gemeente zal zijn bereikt.

Zo'n berichtje lees je anno 1954 in je krant en het zegt véél meer dan die enkele regels schijnen te bevatten. Het schetst een van de belangrijkste aspecten van deze tijd ten voeten uit. Nederland is vol. Dit volk dreigt in zichzelf te verstikken. In dat verontrustende bewustzijn is ons land uit de oorlog te voorschijn getreden. En Nederland is er van doordrongen, dat er voor deze kwaal maar één remedie bestaat : emigratie. Als hier geen toekomst is voor allen, zal een deel van ons volk weg moeten trekken naar verre oorden, die wel ruimte bieden en waar de mogelijkheden liggen voor het scheppen van een zelfstandig bestaan voor deze en volgende generaties.

Zo liggen de kaarten thans. Het begrip emigratie, in de dertiger jaren nauwelijks bekend, heeft inhoud gekregen voor tienduizenden. Men weet, dat sommige verre landen, die jonger zijn dan het oude Europa, hun poorten openen voor Nederlanders, die er een bestaan willen opbouwen. Men weet, dat Nederlanders daar onder bepaalde voorwaarden zeer welkom zijn. En zo nemen velen het besluit tot de belangrijke stap.

Bij schepen en vliegtuigen vol vertrekken ze, de landverhuizers van onze tijd. Met een traan in het oog en met hoop in het hart nemen ze afscheid van al wat hun dierbaar is. En Nederland ziet ze gaan met een mengsel van weemoed, dankbaarheid en bewondering. Bewondering vooral, want er is veel moed voor nodig om in een onbekend land opnieuw te beginnen.

In grotere gemeenschappen, in steden en provincieplaatsen, voltrekt het emigratieproces zich tamelijk onopvallend. Men hoort van deze en gene zeggen dat ze „gaan”, en het besef van de leegte, die zij achterlaten, dringt zich eigenlijk alleen op aan de naaste verwanten. Maar in kleiner verband spreekt het tijdsverschijnsel van de landverhuizing duidelijker. Zo bijvoorleeld in Andijk. Daar konden cijfers ontstaan, die een treffende taal spreken.

Vijfhonderd emigranten vertrokken uit een dorp waarvan de bevolking op 1 Januari 194 uit 4502 personen bestond. Daarmee is meer dan twaalf procent van het toenmalige bevolkingstal geëmigreerd, naar burgemeester mr H. H. Douma berekende. Een opmerkelijk aantal, verhoudingsgewijs. Opmerkelijk genoeg om wereldkundig te maken.
Zo verscheen Andijk dezer dagen in het nieuws.


Klik hier voor een grotere versie van onderstaande scan.
(Opent in een nieuw browservenster.)

Andijk zag zijn vijfhonderdste vertrekken (1/4)

Drie geledingen

Waarom zijn zovele Andijkers geëmigreerd?
Als, Andijk wordt aangewezen als de „snelst emigrerende gemeente van Nederland”, dan dringt zich onmiddellijk de vraag op, hoe het toch wel komt, dat juist uit die plaats zo'n groot aantal bewoners wegtrekken. Dan zou men geneigd zijn de conclusie te trekken, dat het in Andijk bepaald geen rozengeur en maneschijn is; dat in Andijk de levensomstandigheden in het algemeen ongunstiger zijn dan elders.

Men moet naar Andijk zelf gaan om te trachten achter de waarheid te komen. En die waarheid is gecompliceerder dan men zo op het eerste gezicht zou denken.

Voorop staat dat het bepaald niet aangaat om te concluderen, dat „de toestand” in Andijk ongunstig afsteekt bij andere gemeenten. Die veronderstelling ligt weliswaar voor de hand, maar zij, is lichtvaardig en beslist onjuist. Dat merkt de nieuwsgierige bezoeker, die zich de moeite getroost derwaarts te tijgen, al heel spoedig.

Beslist, want Andijk is een tamelijk welvarend dorp. Het ligt tussen Medemblik en Enkhuizen achter de dijk, die het vooruitspringende deel van Noord-Holland omlijnt. Dat zegt de naam trouwens: aan de dijk. En die dijk beschermt een best stuk polderland, voornamelijk bestaande uit, groeizame, zware klei, tegen het water van het IJselmeer. Het is grond waarin oerkracht schuilt, grond, die geschikt is voor zaadteelt, voor het verbouwen van pootaardappelen en voor de kweek van bloembollen, kortom, een bodem die de tuinbouwer vele mogelijkheden schenkt.

Als de bevolking van een arme, uitgemergelde streek de drang tot emigreren vertoont, behoeft dat niemand te verbazen. Dan is de grond zelf de oorzaak van de trek naar elders. Maar zo is het in Andijk niet. Men moet de verklaring voor het emigratieverschijnsel daar dan ook niet zoeken in de dode dingen, maar in de mensen.

Andijk, dat met Wervershoof de kuststreek tussen Medemblik en Enkhuizen deelt, herbergt een merkwaardige mensengemeenschap binnen zijn gemeentegrenzen. Een gemeenschap, die uit drie geledingen bestaat, welke duidelijk van elkander gescheiden zijn. Die drie geledingen, afzonderlijke bevolkingsgroepen, vindt men van west naar oost naast elkaar.

Wie uit het westen het dorp binnenkomt, belandt direct te midden van de eerste categorie Andijkers, die geheel uit rooms-katholieken bestaat. Zij maken twintig procent van de totale bevolking der gemeente uit en wonen het dichtst bij de eveneens rooms-katholieke plaats Wervershoof.

Aan het rooms-katholieke westelijk deel van Andijk grenst de middenmoot van het dorp, waar hervormden en buitenkerkelijke protestanten wonen, in totaal omstreeks veertig procent van de bevolking. Aan de andere zijde van deze middenmoot kan men dan weer een denkbeeldige grens noord-zuid trekken en ten oosten daarvan vindt men het gereformeerde volksdeel van Andijk, gegroepeerd rond een bijzonder mooi kerkgebouw. En ook deze calvinisten, eveneens circa veertig procent van de bevolking, vormen geografisch gezien een gesloten geheel. Van west naar oost dus: rooms-katholieken, een protestantse, weinig kerkelijke middengroep en tenslotte gereformeerden ; drie geledingen die in Andijk naast — maar dan ook duidelijk „naast” — elkaar leven.


Klik hier voor een grotere versie van onderstaande scan.
(Opent in een nieuw browservenster.)

Andijk zag zijn vijfhonderdste vertrekken (2/4)

„Geen doedelzakken”

Vijfhonderd Andijkers trokken na de bevrijding als emigranten weg. Slechts enkelen van die vijfhonderd waren rooms-katholiek, en wat meer, maar &0acute;ók weinig, waren vrijzinnig protestant. Het aller-, allergrootste deel van de emigranten behoorde tot de gereformeerde gemeenschap, die het oostelijk deel van Andijk bewoont.

En opnieuw rijst hier de vraag: Waarom? Waarom juist zij?

De Andijkers — en men móét in dit verband wel generaliseren — zijn een sterk slag mensen. Ze zijn bijzonder vrijheidslievend en vervuld van een diepgewortelde democratische gezindheid, een fikse dosis ondernemingsgeest en een meer dan middelmatig intellect. Dat zijn allemaal positieve eigenschappen.

„Andijkers zijn geen doedelzakken,” zegt burgemeester Douma, een Fries van origine, die zich tussen deze vrije Westfriezen heel wel bevindt. En hij bedoelt met die uitspraak, dat zijn gemeentenaren weten wat ze willen. Ze gaan geheel op in hun intensieve tuinbouw, en ze weten ook in tijden van voorspoed soberheid te betrachten.

Mensen, die aan zulk een beschrijving beantwoorden, zijn in elk immigratieland ter wereld welkom. Zo heeft de Andijker dus veel mee om de grote sprong te wagen. En nu doet zich dus het merkwaardige feit voor, dat de Andijkers, die tot nog toe hun geboortegrond vaarwel zeiden om in verre, ruime streken opnieuw te beginnen, voor circa vijfentachtig procent gereformeerd zijn. Dominee Zwart, de gereformeerde predikant ter plaatse, heeft daarvoor een summiere verklaring.

„Onder onze mensen,” zo zegt hij, „leeft sterk de oude Quaker-mentaliteit, de wil om zichzelf te zijn, desnoods ten koste van grote offers. Waarschijnlijk valt ons daardoor — bewust of onbewust — het emigreren in zekere zin gemakkelijker dan anderen, die een andere levensbeschouwing zijn toegedaan.”

Dominee Zwart staat nog niet zo lang in Andijk, maar van emigreren weet hij mee te praten. Hij heeft zelf drie jongens aan de overzijde van de oceaan, van wie er een voor predikant studeert. Hij is ze wezen opzoeken en hij weet dus ongeveer, wat de emigranten daarginds te wachten staat.

„Maar wat ze er van maken, hangt van de mensen zelf af,” zegt hij met nadruk. „Ik heb mannen en vrouwen zien vertrekken met illusies, die zeker niet in vervulling zullen gaan, maar ook mensen van wie je weet, dat ze overal ter wereld kunnen slagen. Men emigreert tegenwoordig soms wel eens al te lichtvaardig. Hoevelen nemen werkelijk de moeite de taal van het toekomstig vaderland enigszins machtig te worden? Ja, ze volgen vaak een of andere taalcursus, die hier door de onderwijzers van Andijk wordt gegeven, maar de meesten geloven het wel. En toch is het o zo belangrijk, dat de mensen goed beslagen ten ijs komen.”

Een van de onderwijzers, op wie ds Zwart doelt, zegt het nog anders: „De meesten begrijpen niet, dat ze zich moeten inspannen. Ze denken dan, dat het zó wel gaat. Ze hebben allemaal wel een of ander familielid daarginds, op wie ze al hun hoop gebouwd hebben.”


Klik hier voor een grotere versie van onderstaande scan.
(Opent in een nieuw browservenster.)

Andijk zag zijn vijfhonderdste vertrekken (3/4)

Internationaal georiënteerd

't Is waar. Wie met de Andijkers spreekt, krijgt zo het gevoel alsof Canada, het land waar al zovelen van hen heen trokken, een soort filiaal van Andijk moet zijn. Ontario vooral. Daar wordt jaarlijks, op 1 Juli een reünie van Andijkers gehouden en burgemeester Douma zal nooit verzuimen een hartelijke brief naar die vergadering van vroegere dorpsgenoten te zenden. De laatste maal waren er meer dan tweehonderd, een verbazend aantal, als men bedenkt hoe groot de afstanden zijn, die ze moeten afleggen om bijeen te komen.

Er bestaat een sterke band tussen Canada en het dorp aan het IJselmeer. Het plaatselijke nieuwsblad, De Andijker, heeft waarschijnlijk meer abonné's overzee dan enige andere Nederlandse dorpskrant. Men leest daarin ook advertenties als deze: „Met blijdschap geven wij kennis van de geboorte van ons dochtertje en zusje, Helen Margaret. Mr. and mrs. J. Medenblik, Anna Catharina, Marten, Eelco. Kingsville, R.R. 2, Ontario, Canada.”
Zo zijn de Andijkers wel.

Ze zullen geredelijk hun kleine tuinbouwbedrijfjes van de hand doen om de wijde ruimten van Canada op te zoeken, maar de herinnering aan het oude dorp blijft levend. En dan: de wereld is zo klein geworden met de hedendaagse reismogelijkheden. Vele dorpsbewoners zijn uit de aard van hun bedrijf al internationaal georiënteerd.

Ze gaan zaad verkopen in Zweden of Frankrijk of ze gaan naar Amerika om er een gladiolententoonstelling te organiseren. En als ze het geld er voor hebben, gaan ze ook rustig eens kijken, hoe de familie in Canada het maakt. De heer Jan Prins, een tuinder, die aan de Dijkweg woont, is onlangs pas van zo'n uitstapje teruggekomen. Hij is met zijn vrouw naar Alberta geweest, waar hun drie jongens wonen, en de heer Prins had er zó willen blijven, maar zijn echtgenote wilde niet.
„D'r is maar één Andijk,” zegt mevrouw Prins. En dat is natuurlijk óók waar.


Klik hier voor een grotere versie van onderstaande scan.
(Opent in een nieuw browservenster.)

Andijk zag zijn vijfhonderdste vertrekken (4/4)

Ideaal: eigen baas

Ach, in Andijk spreekt het verschijnsel wel heel duidelijk, maar overal in Nederland treft men mensen, die familieleden hebben zien emigreren. Het proces raakt ons gehele volk. De uitkomst van de rekensom der bevolkingstoename heeft geleerd, dat het noodzakelijk is, doch wie zal zich om die noodzaak verheugen? Emigratie gaat meestentijds gepaard met een massa persoonlijke tragiek. Het afscheid is in vele gevallen een afscheid voor altijd.

Wie ooit een emigrantenschip of -vliegtuig zag vertrekken, voelt dat bij die tragiek vooral onder hen die achterblijven een zeker protest ontstaat, zo in de zin van: „Is het nu wel nodig, dat juist onze kinderen, onze broers en zusters gaan?” En zo'n verzuchting krijgt een bittere klank, als men — misschien op dezelfde dag — in de krant leest dat op velerlei gebied in ons eigen land gebrek aan arbeidskrachten heerst. Met name in de industrie in verscheidene delen van ons land bestaat grote behoefte aan vakbekwame arbeidskrachten, die zeker niet onredelijk gesalarieerd worden.
En desondanks wordt er geëmigreerd!

Desondanks trekken ze weg, bij duizenden, de mannen en vrouwen die van de levenskansen in het eigen vaderland bewust geen gebruik willen maken, omdat zij voor zichzelf en voor hun kroost meer heil zien in een nieuw begin elders, een begin, waarin de belofte van mogelijke onafhankelijkheid schuilt. De wens, eenmaal „eigen baas” te zijn, is een voorname drijfveer tot emigratie en deze wens leeft het sterkst in het boerenvolk van Nederland. De boeren merken het best, dat ons land vol raakt. Het agrarische gebied is al in letterlijke zin „opgedeeld”, en vaak in heel kleine brokjes, die maar een benepen bestaan opleveren.
Daarom zijn het voornamelijk de plattelanders die gaan. Zij zullen misschien in den vreemde eerst in een fabriek moeten werken, maar hun ideaal is toch, eenmaal boer te kunnen zijn op eigen grond.

En zegt niet het drieëntwintigste artikel van de Universele Verklaring omtrent de Rechten van de Mens: Een ieder heeft recht op vrije keuze van beroep?

Vergeleken met vroeger is het emigreren niet zo moeilijk meer. Vooral niet voor degenen, die, als zoveel Andijkers, daarginds de ruggesteun vinden van een bloedverwant of vroegere buurman, die zich borg heeft willen stellen voor de nieuwkomer. Gelukkig biedt de wereld ruimte voor de Nederlanders, die hier hun draai niet kunnen vinden, en gelukkig slaagt ons land er in bij het vertrek van zovelen zichzelf te blijven.

Ook dat kan men in Andijk ervaren. Het is een gezond, een nijver dorp gebleven, ook al zag het twaalf procent van zijn bevolking vertrekken. De gedachten van Andijk zijn bij die twaalf procent en juist daardoor ligt het voor de hand, dat er op de duur nog meer zullen volgen. Maar in het dorp aan de voormalige Zuiderzeedijk zal daardoor niets veranderen. Andijk zal blijven, zoals de honderden die weggingen het zich tot het einde hunner dagen zullen herinneren.

En het is goed zo.


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap