» Diversen » De Speelwagen » 1952 » No. 10 » pagina 304-307
Eerder verschenen in 'De Speelwagen',
7e jaargang,
1952,
No. 10,
pagina 304-307.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Juist een eeuw geleden is het laatste deeltje der Kennemer Balladen van Willem Hofdijk in druk
verschenen. Wij merken dit op niet omdat het een gedenkwaardige gebeurtenis was, doch slechts om de
tijd aan te duiden, waarvan deze poëet en schrijver zozeer een kind is geweest. Tegen de vervlakkende
en vervagende geest der „Verlichting” was de romantiek in verzet gekomen. Op letterkundig
gebied waren Jacob van Lennep, Beets, Hasebroek, Drost en Potgieter de meest markante figuren der
Nederlandse romantiek. Hofdijk heeft zich veel moeite gegeven om in deze kring, zij het als nakomer en
als jongere, erkend te worden. Hij was niet vrij van zelfoverschatting. Reeds in Alkmaar had hij een
vriendschap voor het leven gesloten met dr Dirk Dorbeck, die zich enige jaren later, in 1840 als geneesheer
te Beverwijk heeft gevestigd. De belangstelling van Dorbeck was voor een groot deel gelijk gericht.
Ook hij voelde zich aangetrokken tot de Kennemer historie. Ook hij schreef gedichten en hield er biologische
liefhebberijen op na. Hofdijk was echter in al die zaken een typische autodidact. Aanvankelijk was hij
als „ondermeester” werkzaam geweest in de Heerhugowaard en in de Betuwe, doch in 1839 zegde
hij het onderwijs vaarwel.
Te Alkmaar ontmoette Hofdijk nog al eens de daar woonachtige Truida Toussaint. Deze introduceerde hem
bij J. P. Hasebroek, die als predikant te Heilo stond en wiens pastorie toen een middelpunt van letterkundig
leven was. In een brief van 21 Augustus 1839 schreef Hasebroek aan Potgieter, dat bij het jongmensch
met het gele bokkensikje onder de kin „veel inbeelding en weinig Bildung” te vinden was,
en dat hij erg fantastisch was aangelegd. Op de Heiloër pastorie, waar Hofdijk nu en dan werd
ontvangen, ontmoette hij een enkele maal Potgieter en ook
Beets.1
Van 1840 af was hij stadhuisklerk te Alkmaar. De werkzaamheden, die hij daar had te verrichten, waren
van eenvoudige aard. Intussen verdiepte hij zich in de Kennemer geschiedenis der Middeleeuwen. Zijn
indrukken gaf hij in berijmde vorm weer, maar deze poëzie bleef op een heel matig peil. Toch was
Hofdijk zelf er bijzonder mee ingenomen. In 1842 begint hij zich niet zonder pretentie de minstreel
van Kennemerland te noemen. In de letterkundige wereld stak men de draak met deze rijmelarij of zweeg
men haar dood. In 1847 – Hofdijk was toen 31 jaar – kreeg hij op zijn verzoek gedurende
een jaar nonactiviteit. Hij ging in Haarlem wonen om daar zijn vermeend schilderstalent tot ontwikkeling
te brengen. Daar zag hij zich reeds opstijgen in de rijen onzer beste kunstbeoefenaars en schreef hij
over zichzelf:
En daarom toog de slanke knaap, nu reeds
Een jongeling, naar elders, waar de Kunst
Zich handhaafde op den Vaderlandschen bodem,
In dienaars harer waardig in wier rij
Hij weldra optrad.
Vrijdagsavonds placht hij van daar met zijn schildersgerei of met zijn schetsboek onder de arm naar Beverwijk te wandelen. Onderweg verrijkte hij zijn schetsbladen:
Zijn oog blonk van genieting, naar de opnieuw
Ontworpen schets, steeds meer en meer volmaakt,
Als uitvloeide aan de teekenstift, die vast,
En zonder aarslen, met gewisse hand
't Gevoel vertolkte – tot ze een nieuwe studie
Het aanzijn schonk: een afdruk der natuur
Zoo als zij, in den boezem van 't genie,
Zich met zijne eigenheên verformt.
In Beverwijk overnachtte hij bij Dorbeck om Zaterdags zijn pad te vervolgen in de richting van Noorddorp.
Weinig bood de landweg (met
Zijn schaarsch zich slingerende richting, en
Van schraal gebladerde olm en elze omzoomd,
Die, tegen 't diepe en fijne blaauw der lucht,
Zoo armelijk, zoo klagend zich verhieven),
Wat 's Wandlaars schoonheidszin mocht boeien, of
Slechts prikkelen. Maar weldra hing zijn oog
Aan 't Dorp ter rechte, dat de eentoonigheid
Van 't groen der weiden, hoe met klaavrend vee
Bezaaid, en met een net van kaden ook
Doorheuveld, brak...„
Heemskerk kwam in het zicht
En midden uit
Die loovermassa rees een slanke toren,
In zwijnende ernst door 't licht bestraald, omhoog.
Dan gloeide Hofdijks boezem, want zijn gedachten gingen verwijlen bij het nabij gelegen dorpskerkhof. Daar riep het gedenkkruis, dat Maarten van Heemskerck op zijn vaders graf gesticht heeft, herinneringen wakker aan die grote kunstbroeder van weleer. Het was hem te moede als wentelden de eeuwen terug.
Een ander ras,
Stout, krachtig en gespierd, maar even blond,
Ruw, maar trouwhartig; onbeschaafd, maar gastvrij,
Bevolkte 't oord.2)
Zo voortmijmerende, om geen ander woord te bezigen, bereikte Hofdijk het doel van zijn wekelijkse voetreis, Alkmaar, waar zijn verloofde hem wachtte. 's Maandags maakte hij de tocht in omgekeerde richting, eveneens onderbroken door het logies ten huize van Dorbeck. Op deze tochten gevoelde hij zich steeds meer begeesterd door de oude Kennemer dreven. Als dan de zon ter kimme neigde placht hij
met de armen op de borst gekruist,
't Verheven, 't plechtig schouwspel aan te staren,
Waarmee de schoone najaarsdag zijn aanzijn
Besloot.
Somtijds overmeesterde hem daarbij de ontroering en dan
... hief hij, met een vochten blik, zijn oog
Naar boven, en zonk neder op de knie.
Dorbeck had nog altijd een dwaze veneratie voor hem. In een gedicht getiteld „Stanza's aan een Vriend” bracht de Wijker geneesheer hem, nu Hofdijk niet alleen dichter maar ook schilder ging worden, aldus hulde:
O Gij! door God met beide gaven
Gezalfd – gij, die aan dubble bron
Uw zucht naar Schoonheid vrij moogt laven,
En koestren in heur gloriezon;
Zó opgehemeld te worden was goed „om Hofdijk nog zotter, ijdeler en opgewondener te
maken dan hij is,” schreef Truida Toussaint aan Potgieter. Een schilderstalent bleek Hofdijk
overigens in het geheel niet te bezitten. Toch nam hij in 1848 voor goed ontslag uit zijn betrekking
op het Alkmaarse stadhuis. Enige stadgenoten alsmede Alberdingk Thijm en Jacob van Lennep, die hem niet
ongenegen waren, steunden hem financiëel.
In de jaren 1842-1847 treft men in de almanakken bijna geen werk van Hofdijk aan. De uitgevers hadden
het niet op zijn pennevruchten begrepen. Ten slotte kon Hofdijk's belangrijkste werk, „De Kennemer
Balladen”, in de jaren 1850-1852 geleidelijk in vijf deeltjes te Haarlem verschijnen. Zij hebben
echter allerminst grote waardering gevonden, hoewel al heel spoedig te Maassluis een tweede druk is
verschenen. In historisch opzicht zijn deze balladen grotendeels pure fantasie. De poëet had meestal
zelf de inhoud van het verhaal verzonnen. Soms steunen zij op ongecontroleerde mededelingen van populaire,
schrijvers uit de achttiende eeuw: Ludolf Smids, Cl. Bruin, Soeteboom en dergelijken. Met deze balladen,
die door het goedmoedige grote publiek voor historisch getrouw werden gehouden, heeft Hofdijk meer kwaad
dan nut gesticht. Beter waren deze onderwerpen niet aangeraakt door de „schendende hand van een
phantast”.
In Juni 185O heeft Hofdijk Haarlem metterwoon verlaten. In het voormalig buiten Holland op zijn Smalst,
gelegen ten westen van Scheybeeck bij Beverwijk, had hij kamers gehuurd en kwam hij wonen. De enige,
met wie hij daar verkeerde, was zijn vriend Dorbeck, die toen nog niet getrouwd was, en die hem zulk
een verering toedroeg, dat de poëet er door over het paard getild raakte. Hofdijks gedichten uit
deze periode hebben dan ook weinig te betekenen. Nog bedenkelijker werd de omgeving voor Hofdijk, toen
in hetzelfde huis zich ook een jonge Van der Hoop uit Den Haag kwam vestigen, een dweepziek jongmens,
dat zich inbeeldde dichterlijk te zijn aangelegd en onophoudelijk waardeloze rijmelarijen in de almanakken
deed opnemen.
Op een Zondag in November zijn „Thijm en Schimmel hem op zijn herhaald aandringen eens in De Wijk
komen opzoeken. In een brief aan Thijm schreef hij zeer opgetogen over die blijde dag. Hij had echter
Thijm nog wat prettig nieuws te melden. Er was namelijk die morgen „een scheefhalzige kaerel”
komen aankruien met een kist van de diligence. Met veel moeite was deze door de hospes en Keetjen te
zamen naar boven gesjouwd. Zij bleek een zwartmarmeren pendule te bevatten, een geschenk van koningin
Sofia als dank voor de toezending van het eerste deeltje van Hofdijks Balladen. De „Kennemer
minstreel” was in de wolken. „Mijn kachel snort, mijn theewater raast, mijn pendule tikt...,
en ik, ik zou – schreef hij – van louter pret wel over 't kleed willen gaan rollen.”
In September 1851 is Hofdijk leeraar geworden aan het stedelijk gymnasium te Amsterdam. Daarmede was
aan zijn Beverwijkse tijd een einde gekomen. In litterair opzicht had deze tijd weinig noemenswaards
opgeleverd. Dat wil niet zeggen, dat de roemzoekende Hofdijk niets aan het papier had toevertrouwd.
Een Haarlemse rederijkerskamer nodigde hem uit een drama te schrijven. Hij leverde er een op bestelling.
Het heette „De laatste dag van Heemskercks beleg. Historisch Dramatisch Gedicht” en was
een ware draak. Niettemin was de opvoering een groot succes bij het gehoor, dat de gezwollenheid van
zijn taal voor meesterwerk aanzag. Hofdijks ijdelheid was gestreeld. Hij liet zich door hetzelfde
dilettantengezelschap verleiden om nogmaals een drama te schrijven. Het stuk moest natuurlijk weder
in Kennemerland spelen. Het viel niet beter uit dan het eerste, maar... de rederijkerskamer en haar
publiek waren er gelukkig mee.
In zeker opzicht heeft niettemin het werk van Hofdijk, dat zo speciaal het kenmerk draagt van het
Kennemer regionalisme, een weinig nut afgeworpen. Zijn berijmde verhalen – hoe bedenkelijk ook
wat vorm en historische betrouwbaarheid aangaat – hebben op de duur bijgedragen tot een verhoogde
aandacht voor het rijke verleden dezer streek. Zelfs Hollands Middeleeuwse geschiedenis, welke toen
nog zeer verwaardloosd was, geraakte meer in de belangstelling der historici. De vroegere bekrompen
en uit onkunde voortgekomen verachting voor de Middeleeuwen begon plaats te maken voor een prikkel
tot onderzoek. Dit bevorderd te hebben is de praktische waarde van Hofdijks optreden, hoe voos zijn
kennis ook is geweest en hoe geheel aan de oppervlakte deze is gebleven.
1 A. Hendriks, Willem Hofdijk. De minstreel van Kennemerland (Amsterdam 1928); Nieuw Ned. Biogr. Wbk,
I, 740-741, 1133-1136; Dr G. Brom, Romantiek en Katholicisme in Nederland ('s-Gravenhage 1926), II,
147 e.v.
2 W. J. Hofdijk, Een Kunstenaars-Idylle (Haarlem 1849), VIII, 18, 27 e.v.
Willem Jacob Hofdijk, de Kennemer Bard, naar een
staalgravure door J. H. Renneveld, in de „Kennemer Legenden”, 1858
(Gem. Prentverzameling Alkmaar)