Kistemaker

Thuis » Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 13-21

3. Inpoldering

Het land plm. 1000 na Christus

Stellen we ons dit land voor: ‘Alles nog Vrieslandt tot Haerlem toe’, zegt Geraerdt Brandt. Westfriesland, een land zonder dijken, zonder wegen, zonder steden. Een land van poelen en meren, dat alleen met de polsstok begaanbaar is. Met een ‘planck, rafter (= richter), of daly (= balk)’, is het mogelijk van Westfriesland naar Midfriesland te komen. Nog is de woeste Noordzee niet ingebroken, nog zijn de vele kleine meertjes niet tot een groot Flevomeer gevormd. Nog is bewoning mogelijk op een kleine hoogte, een terp in miniatuur. Nog is dijkzorg niet nodig, gelukkig nog niet!

Dit is ook een land zonder steden. Waar wegen ontbreken kan een plaats van enige betekenis slechts aan een water weg gebouwd worden. Alleen Medemblik wordt als ‘villa Medemelacha’ in 985 genoemd, maar de naam stad is te grote eer voor dit gehucht van houten huisjes; baksteenbouw vond eerst na 1100 plaats.

Hoorn en Enkhuizen bestaan nog niet, hoogstens wonen er enkele vissers in schamele hutten. Misschien is Stavoren, de plaats waar de Frieze Koningen zetelen, de enige ‘stad’ in onze omgeving. Gelegen aan de handelsroute Dorestad - Utrecht - Oostzee, kan er van bloei spake zijn, hoewel de verhalen van een ‘machtige koopstad’, waar alle deurknoppen van goud of zilver zijn, zeker sprookjes zijn.

Land zonder dijken, waarom? Zien onze voorouders het nut van bedijking niet in? Ontbreekt het hen aan moed om de grimmige waterwolf te keren? Nee, niet aan moed, maar aan kracht ontbreekt het! Ze zijn niet bij machte om de zware last van de dijkzorg op hun schouders te nemen. Ze kunnen deze last niet dragen en bovendien: er is geen centrale macht, die hen beveelt! Vrije Friezen, ieder voor zich en God voor hen allen! Nog kunnen ze zich handhaven op een klein stukje grond met een aarden wal. Is Munnekei zo'n terp, waar ze de lange, natte winter doorkomen? Winter aan winter staan de landen blank, het water kan slechts wegtrekken langs natuurlijke weg, er is geen waterafvoersysteem, het siepelt maar langzaam naar de vele plassen. Er is geen bemaling, die dit proces kan versnellen, windmolens zijn nog niet uitgevonden. De zomerzon moet de landen drogen!

Maar watervloed volgt op watervloed, wilde stormen gieren over het land, de waterwolf keert weer en vreet telkens nieuwe stukken weg. De toestand op de kleine terpen wordt onhoudbaar. Winters aaneen ligt het land onder water. Er is geen voedsel voor het vee, het komt om van gebrek, zo er niet spoedig verandering komt! Hier is geen leven meer mogelijk, als de grond niet beter beschermd wordt. Er moet een wal gebouwd worden, om de woeste zee te keren.

Komt allen tesamen, helpt en bouwt, zo zal God ons helpen, amen!

‘Dit is ook landrecht: dat wij Friezen hebben een zeeburg te stichten en te beheren, een gouden band, die om geheel Friesland ligt, waarin elke dijksroede gelijk is aan de andere en waar de zoute zee beide des daags  en des nachts tegen aan zwelt, deswege zullen zowel de buitenst- als de binnenstwonenden plichtig zijn des winters en des  zomers langs de wegen (= dijkjes) te trekken met slede en wagen, opdat de een de ander daar moge ontmoeten. Ook zullen wij Friezen ons land houden met drieerlei tuig: met de spade en met de burrie en met de vork. Ook zullen wij ons land weren met het zwaard en met het bruine schild, tegen de hoge helm en tegen het rode schild en tegen de onrechtmatige heerschappij. Alzo zullen wij Friezen ons land houden van boven tot buiten, indien ons God helpen wil en Sint Petrus’.

Zo staat het in de Ruestringer rechtsregels.

Met deze primitieve middelen wordt de dijk gebouwd: met de spade, met de burrie en met de vork. De meest eenvoudige vorm van een waterkering, een aarden wal, een dam van klei, een zogenaamd ‘poepedijkje’, een aarden dijk met alleen een grasmat als bescherming zoals er langs de rivieren liggen. Meer is met deze geringe middelen en zwakke krachten niet te bereiken. Maar de woeste zee stoort zich daar niet aan! Ze keert herhaaldelijk weer, met storm- en springvloeden wordt de zwakke dijk en het arme achterland deerlijk geteisterd. Er moet een middel gevonden worden om de ‘zeeburg’ te beschermen tegen deze boze aanvallen. Dat middel is dichtbij en in overvloed te vinden: zeewier, dat in de waddenzee in overvloed groeit en zonder veel moeite gemaaid kan worden. Zo maken ze nu de dijk: ‘met aerde den aertdijc ende met woer (= wier) den woertdijc’. Een brede laag wier wordt tot een ‘wierriem’ samengeperst en aan de buitenkant van de dijk opeen gepakt. Een massa wier is daarvoor nodig: 12 voet breed van onderen en 10 voet van boven en dan nog 2 voet boven de aarddijk om inzakking te voorkomen. Vrij steil maken ze die wierdijk, te steil soms, want de gestadige golfslag holt het wier aan de onderkant uit en bij de eerstvolgende storm stort een groot wiervak in zee en ligt de kleidijk bloot voor het geweld der golven. Menige doorbraak is er het gevolg van. In latere tijd wordt zo'n zwakke plek beschermd door paalregels. Zware eiken en grenen palen. Paal – aan – paal en onderling stevig geschoord door zware balken met ijzeren bouten. ‘Katten intangen’ noemt men die en de kosten zijn enorm: elke roede (= 4 meter) paalwerk op deze manier kost 150 gulden, een geweldig bedrag voor die tijd. Als ook dit nog niet voldoende blijkt, stort men zg. ‘balstenen’, d.w.z. zwerfkeien, op de meest bedreigde plaatsen. Zo zullen wij onze zeeburg houden’.

Tot dijkzorg is ‘elc man’ verplicht en geregeld per rechtsgebied, ‘banne’ geheten. Met ‘elc man’ wordt hier elke grondeigenaar bedoeld. De bezitlozen hebben natuurlijk niets in te brengen en zijn van elk bestuur uitgesloten. Grondbezit geeft rechten, maar ook lasten! Die lasten worden per morgen grond omgeslagen. ‘Dese dijc sal elc man macen also groot als hi op hem nu gehoefslaagt is’. Dat is per hoeve, per morgen omgeslagen, zoveel morgen land en dus een evenredig deel aan roeden dijk in onderhoud. Dat wordt netjes in het ‘stoelboek’ aangetekend en om de zeven jaar wordt het stoelboek vernieuwd. Er wordt zeer zeker rekening gehouden met de kwaliteit van het land: land ‘van crancker waerde’ komt in ‘lichtere hoefslach’, d.w.z. het slechtste land komt onder mindere druk. Voor zulk land worden meerdere morgens voor een morgen beter land genomen. De ‘vredemakers’, die de nieuwe verstoeling vaststellen, zijn wel deskundig op dit gebied. De dijklast is een erfelijke plicht. Wie het land erft, weet dat hij daarvoor een overeenkomstig stuk dijk moet onderhouden. Soms ook nog een stuk, dat in een heel andere banne ligt!

Rond 1300 bestaat Westfriesland uit een omdijkt stuk land, met het vaste land Kennemerlant verbonden vanaf Alkmaer tot aan het noordelijker gelegen Warmenhusen. Zuidelijker liggen nog een aantal omdijkte eilanden in zee, waarvan de belangrijkste zijn Waterland met Zaenredam, Zeevanc met Yedam en het Schermereilant met Graft en de Rijp.
Westfriesland bestaat uit de volgende deelgebieden, in het zuiden en oosten Drechterland, noordelijker hiervan Houtwouder Ambacht, ten westen hiervan de Scager en Niedorper Koggen en ten westen van de Waert, Geestmanner Ambacht. Drechterland is rijk gezegend met goed land, maar op andere plaatsen ligt veel land van kranker waarde, bijv. de dorpen onder Hoorn, die ‘de veenhoop’ genoemd worden. Hier is het land slecht en de dijk breekt herhaaldelijk door, omdat de ondergrond niet deugt. Zo moet Drechterland een groot stuk land onderhouden bij Winkel, maar omdat het voor de boeren te bezwaarlijk is er zelf heen te gaan, besteden ze dat uit aan ‘die erme luden van Winkel’, die er echter dusdanig de hand mee lichten, dat bepaald moet worden:

Dat niemant in enig dijcwerc meer dan drie roeden dijcs sal aennemen te macen’.

Er wordt gedijkt ‘klei - aan - klei’, zowel letterlijk als figuurlijk, want klei aan klei wil hier zeggen, dat ieder een dijkvak krijgt aangewezen naast dat van zijn buurman, naast wien hij ook zijn land heeft liggen. Het dagelijks toezicht wordt gehouden door de ‘homannen’ (hoofdmannen), de dikste boeren van ieder dorp, 4, 6 of 8, naar dat het dorp groot is. Ze moeten toezicht houden, dat er niet geknoeid wordt, want dat is wel eens niet zo zuiver: sommigen verstaan hun zedelijke plicht slecht en proberen er zo gemakkelijk mogelijk van af te komen! Maar bij dijkwerk is het zo, dat door het knoeiwerk van een al het betere werk van de anderen in een enkele stormnacht vernietigd kan worden en daarom is toe zicht dringend noodzakelijk. Het grote bezwaar is, dat er geen centraal bestuur is, dat van bovenaf alles regelt. De verdeling is nog dorps- en bannegewijs, elk stuk dijk wordt onderhouden door ‘den ban daert in leghet’. Zo is onze Noorderdijk in vier stukken verdeeld; onder de banne van Enkhuizen, van Bovenkarspel, van Grootebroek en van Lutjebroek. Althans, zo vinden we de indeling in de grafelijke tijd. Dat deze verbrokkeling schadelijk is, moge duidelijk zijn! Om de enorme kosten te drukken en ook om de golfslag te weren, wordt veel land buitengedijkt, dat bij de menigvuldige watervloeden weer aan de zee wordt prijsgegeven, maar dat bij beter centraal bestuur behouden had kunnen worden. Na 1288, als de graven van Holland onder Floris V in Westfriesland meer te zeggen krijgen, wordt het wat beter. Het dijkrecht wordt verbeterd. Van de hoge heer graaf, daalt het bestuur af op de baljuw, die het recht uitoefent in een gouw d.w.z. over meerdere dorpen. Van hem daalt het op de schout, de rechter van het dorp en bij de dorpsgewijze indeling, is de schout dus de dijkgraaf, d.i. de vertegenwoordiger van de graaf bij het dijkrecht. Hij is persoonlijk verantwoordelijk en mag niemand onder zich stellen. Of hij dat ook niet doet, is een andere zaak. Een lelijk euvel is, dat de dijkgraaf moet leven van de boetes en die zijn niet mals, soms drie of vier dubbel! Daarom zegt het volk weldra: ‘Schouten en baljuwen grijpen als raven en wuwen’. Een ‘wuuw’ is een kiekendief.

Zo groeit de dijk onder toezicht van de homannen. Tweemaal per jaar, ‘bi grasse ende bi stroo’, d.w.z. in het voorjaar en in de herfst, komen de dijkheren schouwen of het werk wel goed gedaan is en wat er gebeuren moet voor het volgende jaar. Ze spreken recht op de dijk en die plaats is nauwkeurig bepaald. Op oude kaarten vinden we bij Andijk, even ten westen van de Tent’ een plek aangeduid als ‘'t Geregt van Dregterland’. Daar stonden de galgen! Daar spraken Schout en Heemraden recht en hun uitspraak was onherroepelijk! ‘Waer de Heemraden mitten Rechter schouwen opten dijck, dat sij wijsen bij haeren eede, dat en mag niemant wederseggen’. Ook mag niemand de schout/dijkgraaf naderen dan op drie roeden, 12 meter, zijn Edelgestrenge mocht eens een ponjaard tussen zijn ribben krijgen! Dat gevaar is lang niet denkbeeldig, zie maar eens welke ongure typen er zwerven. Een schilderij van bijv. Jeroen Bosch geeft daarvan een duidelijk beeld!

‘Spadesteken’, primitieve straf

‘Spadesteken’, primitieve straf

Wie zijn plicht verzuimt, uit onwil of uit armoede, wordt zwaar gestraft. Wie de zware lasten niet meer kan opbrengen, moet ‘de spade steken’. Hij moet daartoe verschijnen ‘in hemede ende nedercleet’, d.w.z. in zijn ondergoed, want bovenkleren zijn een bewijs van welvaart! Zo ten spot gesteld, moet hij de spade steken in wat eens zijn eigen erf was. Daarmede is hij dan alle recht op zijn grond kwijt! Is er niemand, die de spade eruit trekt en daarmede de grond met de lasten die er op rusten overneemt? Niemand? Dan vervalt het voormalig bezit van de spadesteker aan de hoge overheid, in casu aan mijnheer de graaf. Die zal het in bezit houden tot betere tijden aanbreken. Misschien is ons boertje dan in staat het erf zijner vaderen terug te kopen van die hoge heer. Zo lezen we in een brief van Willem van Henegouwen, dd. 29 maart 1323:

‘ ... dat hier voormaals in (West) Vrieslant vele landen ledig lagen die niemant aenvaerden willen, overmits de costen der dijken daer `tgemeene lant mede in vreeze was; waerom wij bevalen onsen baljuw aldaer, dat si dat lant van onsen weghen vercoopen ende weghgeven souden aan luyden die dat lant verdijcten; ende omdat 't lant nu gebetert ende genut is, soo comen dieghenen die(ns) dat lant tevoren was ende niet bedijken wilden en willen haer hant aent lant slaen ende aenvaerden; soogebieden wij alle Rechters ende Schepenen dat sij daer gheen ander vonnis noch bescheyt ofen doen en si willen laten gebruyken dengenen die 't van Baljuw van onsen weghen gekogt ofgegeven hebben.
Ter oirconde ... etc. etc.’

Zo groeit de dijk! Elke roe wordt met oneindig veel moeite aan de zee ontworsteld. Maar ze winnen, onze dappere voorvaderen. Na negen eeuwen ligt daar nog onze oude dijk, als monument van durf en taaie volharding! Enorme offers hebben onze vaderen daarvoor gebracht. Bijzonder treft het ons, als we nagaan, hoe weinig inwoners in de oude tijd de dorpen telden.
Een van de grootste, Grootebroek, kon nauwlijks honderd weerbare mannen leveren. Hulde, voorgeslacht van ons, voor wat gij voor ons deed!

Op 24 Maart 1980 hebben de Provinciale Staten van Noord Holland de 126 kilometer lange Westfriese omringdijk als eerste op de monumentenliist geplaatst.

 

Het land komt droog, plm. 1400

Omstreeks 1250 is de Westfriese omringdijk geheel klaar. Als een machtige beschermer waakt hij over het land. ja, wat is dit meest, land of water? Plassen en poelen, rietschoten, kreupelhout en hier en daar een stukje bruikbaar land. Bruikbaar alleen ter beweiding. Voor land- of tuinbouw is dit land ongeschikt, daarvoor ligt het teveel ‘keil-deil’, is het te nat en te dras. Na elke watervloed en die volgen elkaar nog steeds op in onstuimige reeks, staat een groot deel van het land onder water. Soms twee winters achtereen. Veel land ligt daarom ‘woest ende desolaet’. Er is geen bemaling en er zijn nog geen sloten. Het vele water loopt af langs natuurlijke weg. Door het plassengebied lopen enkele stroompjes van west naar oost, want de wind waait hier meestal uit het westen.

Aan het eind van die stromen hebben de bewoners van dit land sluisjes gemaakt, waardoor het water bij laag tij geloosd kan lozen op de zee. ‘Tije-sluisjes’ noemen ze die, omdat alleen als het tij gunstig is, de sluisjes geopend kunnen worden. Kolkend vloeit dan de watermassa door de nauwe koker, vooral als alle planken weggetrokken zijn. Drie zulke sluisjes zijn er bij Andijk: een aan het westeind (nu de Molenhoek), een aan de Bakkershoek en een aan het eind van het Kleingouw. Maar lang niet altijd is het tij gunstig en dan blijven aan de binnenkant van de dijk grote plassen staan, soms maandenlang en het verdronken land is daar waardeloos. Het is overwoekerd met riet en biezen. Een ideaal oord voor de vele watervogels, die er na een vermoeiende vlucht vanaf de Friese kust neerstrijken, maar waardeloos voor de boer, die er zijn vee wil weiden. Dit land moet droog, dat moet en dat zal. Maar hoe? Zware zorgen drukken de middeleeuwse boer. Menigwerf moet hij met zijn heer ‘Altijd vermeerder des Rijks’ ter heervaart, want vechten is voor die heren een spelletje. Dan is er de zware zorg voor de buitendijk, die veelvuldig doorbreekt, zodat de gaten gedicht moeten worden of een nieuwe inlaag gemaakt, wat nog erger is.
En nu is daar de strijd tegen het binnenwater. Bemaling is nog niet mogelijk, wat kan de boer met zijn zwakke kracht stellen tegenover het water? Maar als hij een buitendijk kan maken, ‘met de spade, met de burrie en met de vork’, dan kan dat ook aan de binnenkant! En zo legt hij de ‘inninghwegen’ aan, de binnendijkjes, het ‘Kedik’, de ‘Nijedik’, de ‘Ouwewal’. Een grote oppervlakte kan hij niet ineens onder de knie krijgen. Daarom verdeelt hij de grote polder in kleinere, om opwaaiing van het water tegen te gaan. Meer kan hij voorlopig niet doen. Ook bij deze kleine poldertjes is de waterafvoer door sluisjes geregeld, om te voorkomen dat men het overtollige water op buurmans akker laat afvloeien is bepaald:

‘Niemant moet (= mag) die dooren van de sluisen oplucken in de zomerdijk tenzij bij de hoofdluiden’
(Keurboek van Grootebroek).

Zelfs geen plank mag hij eigenmachtig uit de sluis trekken om daardoor zijn wateroverlast te doen spuien op lager terrein, Schout en Schepenen zullen dat ‘wijsen’.

Ende so wie een plancke worpe van eenre sluyse binnen den ban van Broeck, bij dage off bij nachte, mit onwaerdicheit, die verbuerde een pont’ ‘Oock soe en moet (= mag) niemant die leenen van den sluysen die ghemaect sijn, wechbrengen, noch houwen noch kerven, bij een pont. En wie se offleit als men eenich ghoet daer doervoert, die sal se wederleggen staphants (= onmiddelijk), bij een scellingh, ende twie posten off meer daer anlegghen, bij een scellingh’
(Keurboek van Grootebroek).

Loopt U een eindje mee over onze oude dijk? Het is daar prettig wandelen, vooral in de zomer. Aan de buitenkant de zee. ja, lacht U maar, het Usselmeer is nog altijd onze zee, levendig gestoffeerd door witte en bruine zeilen van botters en tjalken. Aan de binnenkant de polder; een bont mozaiek van kleuren, vooral als de tulpen bloeien. Daartussen het zilveren lint van de sloten. Let U eens op die sloten! Ze verdelen het land in vrij regelmatige stukken. Zou het waar zijn, dat in ‘de oude tijd’ elke boerderij veertig bunder groot was? Het heeft er alle schijn van, want als we het nagaan dan staat of stond op elke hoek van zo'n groot stuk een boerderij, een ‘plaas’ zeggen wij. Er zit dus wel enig systeem in de aanleg van die sloten en de verdeling van de grond. Wat zijn die sloten oneindig lang, van hier tot ver achter de Streek! Hier moet wel ‘volgens plan’ gewerkt zijn.

Maar volgens welk plan? Wie was de ontwerper? Wie heeft eerst op papier deze lange lijnen getrokken? Welke waterbouwkundige was dat, ver voor Leegwater's tijd? Want deze sloten moeten al heel oud zijn. Was het de Roomse geestelijkheid, die dit plan ontwierp? Zeker is het, dat dit niet het werk was van een man, hier hebben geslachten aan gewerkt, moeizaam koppig volhouden, stukje voor stukje, steek voor steek, tot na eeuwen het werk gereed was; een vruchtbare polder, doorsneden door talrijke waterwegen!

In een heel ver verleden is de weinige bruikbare grond nog communaal bezit. Wanneer dit communaal bezit door het privaatbezit, het ‘eigen erf’ vervangen is, is niet met een enkel jaartal aan te geven. Ook hier een geleidelijke ontwikkeling. Maar de uitbreiding van het inwonertal brengt de behoefte aan meer land. Er moeten weiden zijn voor het vee, een enkel hoogliggend stuk land kan geschikt gemaakt worden voor graanbouw. Het is die drang, die ten grondslag ligt aan het ontstaan van de sloten. ‘Opstrekking van de heerde’ noemt men dat. De ‘heerden’, d.w.z. de boerenplaatsen, worden op regelmatige afstand gebouwd langs de ‘gouw’, de hoofdweg. In de meeste gevallen een waterweg, omdat verkeer te water eerder mogelijk is dan verkeer te land.

Zowel het vee als het hooi wordt te water vervoerd. Achter elke ‘heerde’ ligt het land, nog in maagdelijke staat. Een heel klein deel van dat land is nog maar voor beweiding bruikbaar. De rest is nog woest en kan slechts door ontginning bruikbaar gemaakt worden. Het is het dorpsbestuur, dat dit alles regelt ‘bij keur’, d.w.z. door politieverordening. Wie eigen erf begeert is verplicht ‘heyninghe te winnen’, d.w.z. zijn erf af te scheiden van dat van zijn buurman. Niet door een heining van ligustrum of met prikkeldraad, maar door een behoorlijke sloot. Hoe wijd en hoe diep, zullen Schout en Schepenen wel bepalen. Hij kan dus beginnen met door het woeste land een rechte sloot te graven. Zo komt de sloot klaar, zo komen alle sloten klaar en Schout en Schepenen keuren het gemaakte werk. Als het niet naar genoegen is, kan de betrokkene het overdoen, liefst wat vlug ook, of het wordt op zijn kosten door de overheid afgemaakt. De boeten zijn niet mals in deze tijd!

Behalve als ‘heyninghe’ en als vaarsloot dienen de sloten ook als ‘waterberging’. Daardoor wordt steeds meer land als weiland bruikbaar tenminste in de zomermaanden. Want in de wintertijd is de toestand nog steeds hopeloos. De water afvoer kan slechts langs natuurlijke weg plaatsvinden en voor de kleine treksluisjes blijft maandenlang een massa water staan. Daarbij komen nog de menigvuldige watervloeden! Talrijke vloeden worden in de oude kronieken vermeld, meestal aangeduid met namen van heiligen; Sinte Marcellus, Sint Gallen, Sinte Jeroensdach. Door het knoeiwerk aan de dijken, uit verkeerd sociaal begrip, uit misplaatste zuinigheid, uit bittere armoede, komt het menigmaal tot een doorbraak. Het zoute water golft de polder binnen en bederft de landen, die weer maanden achtereen blank staan, tot zwaar ongerief van de boeren.

Omstreeks 1400 komen de eerste watermolentjes. Een geweldige vooruitgang! Een triomf der techniek! Eindelijk zal dan de boze waterwolf bedwongen worden. Op 1 juli 1423 krijgen Enkhuizen, Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek en Westwoud van Hertog Jan van Beieren het recht om binnen een bepaald gebied molens te stichten. In 1452 verrijzen de eerste molentjes bij Enkhuizen, ongeveer waar nu het kerkhof ligt. Het zijn nog lichte molentjes, want de aannemer verbindt zich om ze weer overeind te zetten, ingeval ze bij een storm om zouden waaien. Kleine standertmolentjes, die aan hun ‘staart’ naar de wind gedraaid kunnen worden. Molens met draaibare kap komen pas veel later. Molentjes met geringe capaciteit, die maar weinig water per dag kunnen uitslaan. Maar, laten we het werk onzer voorvaderen niet met onze maten meten! Hier is triomf behaald, hier is gepoogd de eeuwenoude erfvijand te bedwingen. Er komt meer land droog, de heerde strekt zich steeds verder op, van Stede Broec tot aan de Noorderdijc. Het land krijgt meer waarde, het wordt beter bewoonbaar, het wordt hier goed wonen ‘aendijck’. Hier groeit een geslacht van stoere werkers, van onversaagde vechters tegen de erfvijand, vrije Westfriezen in een op de zee bevochten land!

De eerste windmolen
De eerste windmolen

Niet alleen binnendijks wordt land gewonnen. Indertijd zijn (uit zuinigheid?) grote stukken land buitengedijkt en ook die worden nu aan de zee betwist.
Nog voor Enkhuizen stadsrechten kreeg in 1355 was daar reeds een grote buitenpolder, de latere ‘Immerhornpolder’. Bij Wervershoof wordt in de 14e eeuw de ‘Heerhuigenkoog’ bedijkt, nu de ‘Kagebos’. Op 25 September 1415 staat Willem IV het zijn goede luiden die in Kathoirn gelandt zijn, d.w.z. die hun land in de Kathoek hebben, toe het land tot een korenland te bedijken.

In 1448 geeft Filips van Bourgondie zijn ‘ondersaten’ verlof een ‘uitlandt’ van circa 80 morgen te bedijken tussen Kathoek en Reyngersvliet. Dit poldertje bestaat nog in 1513, maar de watervloed van 1570 verzwelgt het. De jeugd van tegenwoordig zwemt lustig op de plek waar eens het koren ruiste. Op oude kaarten zien we de Kathoek aangeduid als ‘Pieter Neefsberg’ en de plaats van de dijkdoorbraak van 1570 als het ‘Bergerweeltje’. Een ‘weel’ of ‘waal’ is een diepe kom aan de binnenkant van de dijk, waar eens het water wielend en kolkend door de doorbraak stortte. Zo'n wiel is niet dan met grote kosten, soms door ‘schepen te laten zinken’, te dempen en daarom legden onze vaderen de nieuwe dijk er eenvoudig omheen. Zulke walen waren er voor 1920 nog: bv. waar nu het Betonpad ligt, verder twee tussen de Bakkershoek en de Middenweg en een voorbij de Bakkershoek in de Grootebroeker inlaag, nu de binnendijk van de proefpolder. Deze kuilen zijn na de storm van 1916 met zand gedempt en daarmee is weer een herinnering aan de strijd van onze vaderen tegen het water verdwenen.

Enorme offers aan inspanning en geld heeft deze strijd gekost. In 1514 moesten die van Grootebroek ‘up elke mergen land onderhouden 18 roeden zeedijcx, noch up elken mergen 2 roeden indijcx, alle welke dijckagien jaerlicx bedraegen upten mergen deen jaer deur tandere 25 stuvers...’, etc.
De gemiddelde waarde van het land was toen 35 gulden per morgen en de huurwaarde 3 gulden per jaar. juist in dat jaar 1514 werd het land geteisterd door een vreselijke stormvloed op Sinte Jeroensdag... weer het oude liedje!


© 2001-2019 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap