Kistemaker

Thuis » Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 60-67

6. Veepest, 1713, 1744 en 1769

Zie eens, welk een arcadia het hier is! Dit waterrijk landschap is van een bijzondere schoonheid! Landbouw van betekenis is hier niet, wijd en zijd liggen de grazige weiden met het talloze, roodbonte vee. Daartussen de wijde sloten, een visser, die zijn fuiken zet tegen een rietschoot. Boeren, die hun vee verweiden, de praam met roodbonten, drijft zachtjes op de brede sloot, het kleine zeiltje staat juist even bol van het lichte koeltje. Een jager die zijn ganzeroer afschiet op een paar wilde eenden, die hem in wijde boog trachten te ontwijken. Rustig is het hier en ruim is het uitzicht naar alle zijden. Alleen tegen de dijk liggen de stolphoeven in het donker geboomte.
Boven de polder de hemel met witte wolken en een waterig licht. Zo hebben de schilders van de Gouden Eeuw dit gezien. Zo zag Paulus Potter het, toen hij bij Enkhuizen schilderde.

Maar, wat gebeurt daar, op die hoek van dat weiland? Twee boeren zijn daar druk aan het graven en wat ligt er achter hen? Een dode koe is het, een deel van hun kostbaar bezit moesten zij prijsgeven aan de gevreesde ramp, die veepest heet. En zij niet alleen, duizenden koeien vallen aan de veepest ten offer! Och, dit is niets nieuws, veepest is er vroeger ook al geweest. We lezen in de kroniek van Enkhuizen door Sebastiaan Centen reeds van veepest in 1653:

Midlerwijl kregen de Beesten ook vurige monden, de Tong hing uit den bek en men moest het gras maaijen en hen in den mond steken; daarenboven kregen ze spel aan de Uyers, de Melk verdroogde en vele stierven van 't Longevuur. Men had in denjare 1617 mede dergelijke ziekte en sterfte onder 't Rundvee gehad.’ (t.a.p. pag. 176)

Deze plaag keert telkens weer, eigenlijk is de veepest nooit helemaal weg.
Elk jaar sterven er enkele koeien aan, maar dan kan er moeilijk van een ramp gesproken worden. Wie boert er ooit zonder verlies? Sommige jaren wordt de plaag een RAMP! Dan is het niet meer een enkele koe, die begraven moet worden, de ziekte tast de hele veestapel aan, het ene rund na het andere sterft. Het veebeslag vermindert zienderogen. Weldra is het op de helft, op tweederde, op drievierde geslonken. Bij sommigen gaat de hele veestapel er aan, zij zijn geruineerd voor het leven!

Hevig woedt de veepest in de jaren 1713 tot 1719. Het dorp Twisk verliest in deze jaren achttienhonderd en dertig beesten! Van Andijk zijn ons geen gegevens bekend, omdat Andijk onder drie dorpen behoorde. Maar denk het u in, wat zulk een verlies betekent. Niet alleen een groot deel van de koeien dood, maar vooral de bronnen van het bestaan uitgeput, geen melk, dus geen boter, geen kaas, geen inkomsten meer! De boeren worden arm! Ze vertonen hun dringende nood aan de Heren Staten en geven met verontschuldigde eerbied te kennen, dat de last hen te zwaar wordt en of de Heren Staten de lasten ook de achterstallige, genadiglijk kwijt willen schenken? Ook de Stede Grootebroek zend zulk een request ten jare 1732, juist een jaar na de paalwormplaag. Wij kennen daaruit de droeve toestand van het land, waarvan grote stukken ‘al desolaet’ liggen.

‘tussen de Cadijk en de oude walle mede omtrent 300 morgen, waaronder omtrent 50 morgen, dat veeljaren woest heefigelegen, 't morgen a 15 gld.’(huurwaarde)... ‘tussen de oude walle en 't kleyngouw omtrent 150 morgen, 't morgen a 20 gld.’... ‘tussen 't kleyn gouw en de dijk omtrent 100 morgen, 't morgen 25 gld.’

Dat is het Andijker land onder Grootebroek. Onder Bovenkarspel is het niet veel beter: ‘........ van 275 morgen, daar onder een groot gedeelte is geabandonneerd en spa gestoken’, d.w.z. door de eigenaars in de steek gelaten. Hoogkarspel klaagt al in dezelfde toon: ‘eenige Morgens Bouwland, die woest leggen, kunnende niet verkogt nog verhuurt worden....’ Het ziet er ver van rooskleurig uit! Een vruchtbare streek wordt een verlaten oord! Het met zoveel moeite ontgonnen land verwildert, riet en biezen schieten welig op in de sloten, stekels, dovenetels, hoefblad en ander ontuig overwoekert het land, waarvoor niemand meer aandacht heeft.

Wie zal de landen maaien, als er toch geen vee is? De Hannekemaaiers uit het Münsterse land kunnen dit jaar wel wegblijven, de stal is leeg en de berg is leeg, waarom zou men die vullen? De glanzende roodbonten zijn dood, de een na de ander is weggeworpen als een vod, weggestopt ergens op een hoek van het land. Het bedrijf gaat kapot, de boeren worden arm, de Carolusguldens in het spoin’ minderen snel! Aan de Langedijk wordt reeds land gestroopt, de boeren, die geen vee meer hebben, vervallen tot landbouw. Ze zaaien blauwmaanzaad in de akkers en de reizigers, die er in de zomer langs komen, vinden de fraaie bloemen een lust voor het oog! De boeren niet. Een boer ziet liever malse weiden met puik vee, het is de armoe die hen dwingt tot bouwerij.

Op Andijk betekent de landbouw nog niets. Alleen op Buurtje zijn enkele bouwakkers, verder Oostop is het land niet geschikt, het is te lang nat en de zomer is maar kort. De boeren krimpen hun bedrijf in, het land dat wat veraf ligt, laten zij desolaat liggen. Ze weiden hun vee op het beste land, dicht bij de dijk. Zo sukkelen ze de moeilijke jaren door. Maar in 1744 komt de ramp opnieuw! Met vurige letters staat het schrikbeeld hen voor ogen; VEEPEST! De met oneindige zorg aangefokte veestapel wordt ziek, het is erger dan ooit tevoren, het vee sterft bij duizenden! Tweederde van de veestapel gaat verloren. Holland verliest honderd-zestigduizend runderen.
Voor Hoorn en de omliggende dorpen is dit een verlies van 12.000 stuks vee! Van Andijk zijn geen preciese cijfers te geven, het behoort tot de drie bannen, maar de ramp is er niet minder om! Vermindert ook de weerstand van de mens? Is het besmette melk, die zoveel doden eist? We weten het niet, maar opvallend is het grote aantal sterfgevallen in dit jaar; 26 tegen 5 tot 14 in de voorgaande jaren. Het is een moeilijke tijd voor de boeren, vooral de kleinere worden zwaar getroffen.

Te Hoogkarspel kan in 1745 het land niet verhuurd worden. Te Aartswoud worden zevenentwintig percelen door de eigenaars verlaten, land en huis kwijt! Deze 27 percelen beslaan samen plm. 40 morgen, dat is nog geen anderhalf morgen per bedrijf Het zijn dus de kleine boertjes, die het loodje moeten leggen. Daarom telt dit verlies ook voor Andijk zo zwaar. Andijk is het achterland van de Streek, ‘een gehucht met een kerkje voorzien’. Voor de boeren, die hun vee kunnen houden, is er nog troost, boter en kaas worden schreeuwend duur! De Mastenbroeker (=Kamper) boter wordt in Hoorn verkocht voor 150 gulden per vat en de zoetemelkse kaas voor 15 gulden de 100 pond.

Veepest zware verliezen voor de veehouders
Veepest zware verliezen voor de veehouders

Ook deze rampspoed gaat voorbij. Er volgen weer betere jaren. De Andijkers komen er weer bovenop! Ze denken er zelfs over, een toren op hun kerk te bouwen en daar een klokin te hangen. Dat kunnen ze dichtbij redden. Jan Christiaan Borchardt heeft een klokkengieterij in Enkhuizen en hij levert aan de kerkeraad een flinke klok, waarin deze vermaning is gegoten;

‘Komt, Andijks Burgers,
wilt U tempelwaarts begeven,
De Heer gebiedt aUaar
den zegen en het leven.’

Vanaf 1762 roept deze klok de Andijkers ter kerk, luidt hun doden uit, klept angstig, als in de donkere nacht een storm de dijken beukt, of als een boerenhuis door hooibroei of blikseminslag in helle vuurgloed staat! Een eeuw geleden waren er 100 lidmaten, nu zijn er 224, dominee Clemens Zoutmaat heeft ze netjes ingeschreven in zijn lidmatenlijst. Eilacie, de voorspoed duurt maar kort. 1769 is een nieuw rampjaar. Een Andijker boerenjongen heeft het aangetekend in een oud schoolschrift, dat hij van meester Sijmen Jongejeugd heeft meegekregen. Een droef relaas, met sobere woorden:

1769

'10 Mey 86 hooykaasen na Hoorn 10  ld. en 3 stoot(ers) maakt 37 gld, 16 st(uivers). Nog 7x gemarkt alles a 10 gld 3/8 tot 12 gld. totaal 588gld. 5290 pond. En de koeyen al gestorven in de maand september en in't begin van October op 2 verse (= vaarzen) na Een hokling 2 kalveren na Ao 1769. Op den 7 September Ao.1769 De Siekte gekregen In 't Land hebbende 13 melkgevende Koeyjen 2 hokkelingen en 6 graskalveren. Dus 21 samen Waaronder 3 van ouds gebeeterden Waeren. Dus hebbende 18 ongebeterden Waarvan 8 melkgevende Koeyen zijn gestorven En 1 hokling 4 kalveren. Zoodat er 13 doodt zijn en 5 gebeterde in het Geheel.
Hebbende Willem en Gerrit de Vries Weederom in het begin van October en wij met ons 3en Wederom 25 ongebeterden uyt Vrieslandt Gehaelt zoo alsse temet swomme en daar ook de siekte in gekregen zijn gestorven 11 en (ge)zond Gebleven 8 tot aan deesen Tegenwoordigen dag toe. Dirk Jacobs Rolle 1769.
1774. 't eerste jaar met Boeren Begonnen en dat zoo voort zoo lang als het Deuren mag. 7 Koeyen 3 veersen.....

Het staat er zo doodnuchter, door ongeletterde boerenhand geschreven. Maar wat een kommer en ellende steekt er niet achter! Dirk Rolle is 17 jaar als hij dit schrijft en vader is al twee jaar dood. Met zijn moeder, Alij Teunis Mooy, bestuurt hij het boerenbedrijf, een plaats met 12 a 13 melkgevende koeien, dus van gemiddelde grootte. Er is dus werken geblazen, maar dat is niet erg. Werk, dat beloond wordt, is prettig werk! Maar in dit fatale jaar 1769 komt de ramp. Reeds op 25 April besluiten de regeringen van Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gedurende de maanden Mei en juni alle invoer van rundvee uit besmette gebieden in hun steden en ressorten stop te zetten en als de plaag aanhoudt, wordt het verbod op 26 juni voor onbepaalde tijd verlengd! Het baat niet, de veepest dringt ook tot in West-Friesland door, alle maatregelen ten spijt. Alijd Teunis’ en haar zoon zijn tot nog toe gelukkig, hun vee blijft nog gespaard. Maar in de vroege herfst komt het onafwendbare ook voor hen.

Op 7 September de Siekte gekreegen, in 't land hebbende 13 melkgevende koeien.
Met welk een bekommerd hart zien zij dagelijks die rijke veestapel aan, die ze stuk voor stuk met zoveel zorg opgefokt hebben, die een voor een een troetelnaam hebben. Helaas, acht maal achtereen moet Dirk Rolle op het land een put graven en hun kostbaar bezit daar inwerpen, acht melkgevende koeien dood, weg, waardeloos. Weg het inkomen, weg ook voor een deel de hoop voor de toekomst, een hokkeling en vier kalveren. Is het niet om moedeloos te worden? Maar nog zijn Alijd Teunis’ en haar zoon niet verslagen! Dertien koeien zijn er dood, ach ja, maar nog hebben zij het land, nog is er hooi in de berg, nog is er geld in het ‘spoin’, de kabinetkast. Met Gods hulp voorwaarts en niet versagen. Nieuw vee is in ‘Vrieslandt’ te bekomen. Met dit Vrieslandt zal jutland bedoeld zijn. Schepen vol vee worden aangevoerd, maar ocharme, wat een zielige beestjes zijn dat! Meewarig zien de boeren dit nieuwe zwartbonte vee aan. Het is veel kleiner dan het inlandse ras, het lijken wel hokkelingen, als ze naast de ‘gebeterde’ roodbonten in de wei lopen. Bovendien moeten ze nog acclimatiseren, het is juis een natte tijd ook, ‘soo alsse temet swomme’, schrijft Dirk Rolle. Dat betekent dat het land door en doorweekt is, ‘verzopen’ in goed Westfries. Ze kunnen er niet tegen, ook het nieuwe vee wordt ziek. ‘Daar ook de Siekte in gekregen, sijn gestorven 11.....’ Zijn deze 11 koeien eigendom van Alij Teunis’ of van ‘Vrienden’ (= familie)? In elk geval, wat een tegenslag, welk een bitter verlies!

Vijf jaar strijden moeder en zoon zo door, beschermen zorgzaam hun gehavend bezit. Dan sterft de moeden Dirk Rolle is wees. Nog dezelfde winter trouwt hij, op een boerenplaats kan een boerin node gemist worden! Met het nieuwe jaar komt ook de nieuwe boerin, Hiltje Jacobs’ Coops. Dirk Rolle schrijft welgemoed in zijn schrijfboek, ‘1774 het eerste jaar met boeren begonnen en dat voort zoolang als het deuren mag...’ Hij boert goed! Wij kunnen hem in zijn notities van stap tot stap volgen. Hij past het van ouds beproefde systeem toe, eik jaar een oude koe opruimen en een of twee jonge aanhouden. De kaasprijzen zijn vrij hoog, van 9 gld. tot uiterst 14 gld. en 4 stoters. Zo boert hij na moeilijke jaren nog weer goed. Hij is nog bij de gelukkigen, hij heeft nog een deel van zijn veestapel behouden, er zijn er die alles verloren hebben!

In de 4 Streekdorpen, Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek en Hoogkarspel sterven in 5 jaar, d.w.z. van 1769 tot 1774, 2949 runderen van de 3960, dat is 75% of drievierde van de hele veestapel! Een verlies van 600 koeien per jaar, ruw gedeeld van elk dorp 150. Stel u het voor, honderdvijftig koeien op een dorp dood. Welk een eerbied past ons voor de taaie volharding, waarmee onze voorvaderen deze moeiten doorworstelden! En dan te menen, dat wij ook nog wat beleefd hebben! De boeren komen er weer bovenop. Ze mogen het eertijds geabandonneerde en spagestoken land weer terugkopen van de Domeinen, soms voor ‘nihil’. Maar dat is nog duur genoeg, want dan moeten ook de achterstallige lasten betaald worden, tenzij deze zijn kwijtgescholden. De lasten van het lopende jaar drukken gewoonlijk al zwaar genoeg. Maar, het wordt beter! De veepest keert nog wel enkele jaren terug, maar nooit meer in die hevigheid als in de rampjaren '19, '44 en '69. Een eeuw later, nl. in 1865/66 wordt de boerenstand nog eens door veepest geplaagd. Minister Thorbecke bepaalt, dat al het zieke vee onteigend en afgemaakt moet worden. Een storm van verontwaardiging laait op, maar de veepest is bedwongen, na 1867 keert deze plaag niet weer! En de boer, hij ploegde voort....

Uit een oud schrijfboek

In een verzameling oude papieren vonden we o.m. een schrijfboek van Oud-Hollands papier, een ‘schoolschrift’ van heel vroeger, d.w.z. uit het midden van de achtiende eeuw. De eerste bladzijden bevatten allerlei versjes en spreuken (alles even deugdzaam), die blijkbaar als schrijfproeven gediend hadden... Het schrift was niet volkomen en daarom was de achterkant benut voor een soort ‘boeren-boekhouding’, als volgt:

Dit boek hoort toe Dirk Jacob(sz.) Rol.

1768

Jan Pieter(sz.) Mantel Debet aan Dirk Jacob Rol 24 kop boter. En 12 pond Vlas. De boter beloopt 13 en 4 en het Vlas 6 te zamen 19-4.

1769

10 Mey 86 hooykaasen na Hoorn 10 gld en 3 stoot. (maakt) 37 gld.
16 st(uyvers). Nog 7x gemarkt alles a 10 gld. 3/8 tot 12 gld. totaal 588 gld. 5290 pond. En de Koeyen al gestorven In de maand van September En in 't begin van October op 2 verse (=vaarzen) na Een hokling 2 kalveren na Ao 1769.

Op den 7 September Ao. 1769 De Siekte gekregen In 't Land Hebbende 13 melkgevende Koeyjen 2 hokkelingen en 6 graskalveren.
Dus 21 samen Waaronder 3 van ouds gebeterden Waeren. Dus hebbende 18 ongebeterden Waarvan 8 melkgevende Koeyen zijn gestorven En 1 hokling 4 kalveren en Gebeterdt 2 Melkgevende Veerzen 1 hokling 2 Kalveren. Zoodat er 13 doodt zijn en 5 gebeterde in het Geheel.

Hebbende Willem en Gerrit de Vries Weederom in het begin van October en wij met ons 3en Wederom 25 ongebeterden uyt Vrieslandt Gehaelt zoo alsse te met swomme en daar ook de siekte in gekregen zijn gestorven 11 en zijn gebeterd 6 en (ge)zond Gebleven 8 tot aan deesen Tegenwoordigen dag toe. Dirk Jacobs Rolle 1769.

1774

't eerste Jaar met Boeren Begonnen en dat zoo voort zoo lang als het Deuren mag. 7 Koeyen 3 veersen.
16/6-8/12 9 maal te Hoorn 9 gld. 6 stuyv. - 11 gld. 3/8 986 Kase 4085 pont 439 gld. 7 st(uyvers)......

Zo gaat de boekhouding door, van jaar tot jaar wordt alles nauwkeurig genoteerd, zelfs met de namen van de kaaskopers erbij: ‘aan Vrouwtje’, ‘aan Jan Schuurman’, ‘aan Jan de Boer’, enz. enz.
Wie was nu deze scribent? In het kerkelijk archief van ‘Buurtjeskerk’ te Andijk-West vonden we allerlei gegevens, die de situatie voor ons ophelderen en tevens een kijkje geven in de moeilijkheden, die onze vaderen hadden te doorworstelen. Want de tijd waarin Dirk Jacobsz. Rol leefde, was wel een van de moeilijkste die onze boerenstand ooit doorgemaakt heeft! Daarbij kwamen dan nog de noden van het gezin.

Dirk Jacobsz. Rol werd op 12 December 1751 te Andijk gedoopt als zoon van Jacob Dirksz. Rol en Alijd Teunis Mooy. Zijn doopnaam kreeg hij van zijn grootvader, die ook Dirk Jacobsz. heette, zonder meer... maar zijn familienaam erfde hij van zijn grootmoeder Geert Cornelisz. Rol... Zoiets was in die jaren niets vreemds. Als de vader van een andere plaats kwam of soms minder kapitaalkrachtig was, werd de meer klinkende naam van de moeder of grootmoeder aan het kind gegeven.

Het was blijkbaar geen sterk geslacht, waaruit Dirk Jacobsz. Rol voortkwam. Grootmoeder Geert Cornelisz. stierf in haar twintigste trouwjaar, grootvader Teunis Mooy in zijn achtendertigste en grootmoeder Griet Meynders in haar zevenendertigste trouwjaar. Geen van allen bereikte dus een hoge leeftijd. Op 23 Juni 1766 werd de vader, Jacob Dirksz. Rol begraven en bleef moeder Alijd Teunis met vijf kinderen over, waarvan de jongste pas anderhalf jaar was. Dirk Jacobsz. was toen vijftien jaar, hij kwam dus mooi in de hand en het zal werken geblazen zijn, samen met moeder op een boerderij van pl.m. twaalf, dertien koeien, met waarschijnlijk nog wat bouwland ook.
Zo zien we dus Dirk als zeventienjarige zoon van een weduwe in 1768 aan het boekhouden: Jan Pieter Mantel Debet... enz.

Het volgende jaar kwam de ramp. Want een NATIONALE ramp was die veepest, die al vele malen het boerenbestaan bedreigd had... reeds in de zeventiende eeuw, maar vooral in deze. De veepestjaren zullen hen nog goed in het geheugen gelegen hebben: 1713 tot 1722 en vooral 1744/45, toen er TWEEDERDE deel van het vee verloren ging.
Nu dreigde die ramp opnieuw. Het begon al vroeg in het voorjaar.
Reeds op 25 April besloten de regeringen van Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gedurende de maanden Mei en Juni alle invoer van rundvee uit besmette districten in hun steden en haar ressorten te verbieden... en toen de plaag aanhield werd het verbod op 26 Juni voor onbepaalde tijd verlengd.

Alijd Teunis en haar zoon waten totnogtoe gelukkig, HUN vee bleef nog voor de ziekte gespaard. Maar in de herfst kwam het verschrikkelijke ook voor hen en moest Dirk dit fatale zinnetje in zijn schrijfboek zetten:

‘Op den 7 September Ao. 1769 De Siekte gekregen In 't Land hebbende 13 melkgevende Koeyen...’

Wat zal hij met een bezwaard hart die rijke veestapel aangezien hebben, het beste Noordhollandse melkvee, waarmee hij opgegroeid was, dat hij geheel had opgefokt, waarvan de dieren stuk voor stuk hun troetelnaam hadden. Acht maal achtereen kon hij op het eigen land een kuil graven en daar hun kostbaar bezit in weggooien... acht MELKGEVENDE koeien... Alles weg... en ook de hoop voor de toekomst:

een hokkeling en vier kalveren... dood en in de put... ‘Zoodat er 13 doodt zijn...'

Dertien van de 21, dat is meer dan de helft! Is het niet om moedeloos te worden?
Maar nog waren Alijd Teunis en haar zoon niet verslagen. De dertien koeien waren dood, ach-ja, maar nog hadden ze het land, nog was er hooi in de berg voor een vol beslag... nog was er geld in het ‘spoin’... Met Gods hulp... voorwaarts!

Nieuw vee wordt ‘uit Vrieslandt’ gekocht... vijfentwintig stuks in totaal... Volgens kronieken kwam dit nieuwe vee heel uit Jutland.
Dirk Rol zal dus met Vrieslandt wel Oost-Friesland bedoeld hebben, mogelijk waren er tussenpersonen die op de Leeuwarder- of Snekermarkt het nieuwe vee aanvoerden... Dat was in October 1769 en het was zeker een natte tijd, ‘soo als ze te met swomme’ zegt Dirk Rol en dat beduidt in goed West-Fries dat het land door- en doorweekt was, oftewel ‘verzopen’... Eilacie... ook de aanvoer van fris vee baatte niet...

‘daer ook de siekte in gekregen, zijn gestorven 11...'

Het is niet duidelijk of deze elf koeien allen eigendom van Alijd Teunis Mooy waren... waarschijnlijk kocht zij de vijfentwintig koeien samen met ‘vrienden’ (=familie) en buren... Maar toch: welk een bitter verlies... welk een tegenslag! Vijf jaar streden moeder en zoon moedig door, beschermden zorgzaam hun gehavend bezit, werkten zolang het dag was. Toen stierf de moeder, nog in de volle bloei van haar jaren. Hadden de kommervolle tijden haar vroegtijdig geknakt? Alijd Teunis Mooy werd 20 November 1773 begraven en nog diezelfde winter trouwde Dirk... Hij was nu zelfstandig en op de boerderij was een nieuwe boerin dringend nodig. Hiltje Jacobs Coops heette zij en 9 Januari 1774 was hun trouwdag!
Daarom schreef Dirk Jacobsz. Rol in zijn schrijfboek:

‘1774 't eerste jaar met Boeren Begonnen en dat voort zo lang als het Deuren mag...’

Van stap tot stap kunnen wij hem nu volgen in zijn pogingen om wat vooruit te krabbelen. We zien dan, dat hij het beproefde systeem volgde en elk jaar een oude koe opruimde en een of twee stuks jongvee aanhield. Het ging langzaam-aan crescendo:

1774: 7 Koeyen, 3 veersen.
1775: 10 Koeyen.
1776: 9 Koeyen, 2 veersen.
1777: 8 Koeyen, 5 veersen.
1778: 12 Koeyen en 2 overmelkers... enz.

De kaasprijzen varieerden van 9 gulden tot uiterst 14 gld. en 5 stooters, d.w.z. f. 14,625. In 1780 was het ‘dertiendalf(en) 1 stooter’, dat is in onze munt twaalf gulden tweeenzestig en een halve cent.
Zo boerde Dirk Rol na jaren van tegenspoed nog weer vrij goed.
Moeilijke jaren had hij doorleefd en niet alleen hij, maar met hem de hele boerenstand. Hij was maar een uit velen, allen slachtoffers van de nationale ramp die veepest heet. Van 1 April 1769 tot 31 Maart 1770 dus in een jaar tijds, verloor Holland EENHONDERDZESTIGDUIZEND stuks rundvee... Zo'n getal zegt weinig, zolang wij ons niet indenken wat het voor iedere boer persoonlijk (en voor zijn gezin) betekende: worstelen om niet onder te gaan! Het was daarom, dat wij aan dit enkele geval zoveel aandacht besteedden. En de boer, hij ploegde voort.


© 2001-2019 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap