Kistemaker

Thuis » Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 165-175

14. Een stormnacht en haar gevolgen

Donderdag 13 januari 1916. Het is nog in de korte dagen, maar vandaag is het toch extra vroeg donker! Wilde wolkenflarden jagen laag over de polder, de rukkende wind drijft ze met kracht naar het oosten. Uit de Gereformeerde Kerk komt manvolk. Ze hebben de hele middag in de kerk gezeten bij de stoelen- en bankenverhuring’ en ze kijken wat vreemd op, dat het zo ruw is buiten. ‘'t Loikt wel te waaien ....?’ ‘Ja, dat loikt wel, dat kon welderes houg water worre boi deuze wind!’ Kijk, wat vliegt daar, is dat sneeuw? Nee, schuim is dat, van het zeewater, dat tegen de steenglooiing slaat. Even bovendijk kijken! ja, het water is hoog, het is enorm hoog zelfs. De Noorse stenen zijn schuil, de golven lopen te pletter op de zwarte basaltlaag, nog een paar voet, dan rollen ze over de kruin! Zal de oude dijk dat houden? Een geweldige druk staat er op, al die duizenden tonnen water. Een liter water is een kilogram, hebben ze op school geleerd. Hoeveel duizenden kilo's druk moet de dijk weerstaan?

Gelukkig, de wind is nog west, als die wat krimpt zal het wel gaan. Maar als hij naar buiten gaat, dan moge God ons behoeden! Met een bezorgd hart dalen de mannen de dijk af. Het is in geen eeuwen gebeurd. Bij de watervloed van 1825 heeft de dijk het hier gehouden. Van dijkbreuk weet hier niemand, gelukkig maar! Wat zou er van onze polder worden, van onze huizen, van onze vrouwen en kinderen? Redt onze zielen!

Ze leggen zich ter ruste. Het slaapt best met stormachtig weer. Sommigen slapen de hele nacht door! Maar reeds in de voornacht begint het harder te waaien. De wind draait naar buiten, de pannen klapperen op het dak, het hele huis kraakt in zijn binten. Het wordt stormweer! Storm uit het noordwesten, bij zo'n volle zee, dat kan een ramp worden, de dijk zal het nooit kunnen houden! Maar het water rijst nog steeds en de bulderende storm slaat de golven stuk boven op de dijk. Het water klettert op de pannen als een slagregen. Het overspoelt de goten, het ratelt in de regenbak, vies zout water! Och, dat is niet erg, als de dijk het maar houdt! Maar de dijk houdt het niet. De nachtwakers maken alarm in de donkere nacht. Ze kloppen angstig op vensters en deuren: ‘Er uit, er uit! De dijk breekt door! Kom dan toch, help! De dijk breekt door!’ Het is een vreselijke schrik, een ongekende dreiging. De mannen haasten zich in de kleren, hier is geen tijd te verliezen, de dijk moet behouden blijven of allen zullen vergaan. Op, naar de magazijnen, zeilen en 50-ponders gehaald en naar de dijk gebracht!

Door storm en nacht zeulen ze de zware zeilen naar de dijk. Nu uitrollen, hoe vaak hebben ze hun dorszeilen reeds ontrold? Maar dit is wat anders. Vlak, vlak, mannen. ja zeker, vlak! De razende storm vliegt onder het zeil en slaat het terug als een zakdoek! Niet versagen, opnieuw proberen! Maar het zeil is nu kletsnat en ontzaglijk zwaar, stug en onhandelbaar! Doorzetten!

Elke minuut kan ons leven kosten! Hier dat zeil, vlak, vlak nu! Vlak tegen storm en golven in! Een man breekt zijn been op de gladde stenen, hij wordt weggedragen, maar de overigen vechten door, omdat het moet. De dijk moet en zal behouden blijven! Helden zijn het, deze aardappelbouwers van de Noorddijk, helden in de storm! Met verbeten woede gaan ze de grimmige waterwolf te lijf, Ze zijn tot op de huid doornat, het hindert niet. Het zoute water striemt hen in het gezicht, het hindert niet. Ze zeggen wat, maar de bulderende storm rukt de woorden aan flarden, het hindert niet. Ze vechten moedig door! Er komt een hagelbui en dat maakt de zee woedend, de mannen wijken niet. Ze worstelen met zeilen en gewichten om het behoud van de dijk, die allen behouden moet!

In de huizen wachten vrouwen en kinderen vol angst de ochtend af. De vrees voor doorbraak heeft hen weggedreven uit hun eigen huisjes aan de dijk. Door storm en duisternis zijn zij gevlucht naar de sterkste huizen, die wat verder van de dijk af staan. Met dertig tot veertig mensen wachten ze tot het vreselijk onweer bedaren zal. De storm loeit en buldert om het huis, de binten kraken. Een plotselinge slag doet allen schrikken. Stil maar, het is niets, er viel een luik uit de hengsels of een pan van het dak. Het hele huis beeft, soms siddert het als was het levend, dan weer schudt het tot in zijn fundamenten bij een doffe dreun. De mannen, die even thuis komen om droge kleren, weten wat er gebeurd is; een stuk dijk stortte naar beneden.

Storm januari 1916
Storm januari 1916

Misschien zijn er huizen kapot en onmiddelijk worden ze bestormd met vragen: ‘Van wie was dat huis?’ ‘Was het ons huis?’ ‘Och Heer, ons huis toch niet?’ Alsof dat wat uitmaakt als straks de hele boel onderspoelt. De mannen sussen het, nee, jullie niet, maar kom, we moeten weg! Er moeten nog meer zeilen gelegd. Misschien geeft het niets meer, de dijk is overal slecht. Ze zullen doen wat ze kunnen en gijlieden, bidt tot God! Ze gaan in de donkere stormnacht.

De storm loeit rond het huis, hij huilt aan alle hoeken. Hij fluit langs vensters en dakgoten. Er is geen plekje rustig in het hele huis, waar je de storm niet zoudt horen! De kinderen worden er drenzerig van, ze hebben honger, midden in de nacht. Ze worden vervelend en de moeders hebben veel moeite om hen rustig te houden. Het is een vreselijke nacht en het duurt oneindig lang eer de morgen daagt!

Eindelijk is het zo ver. Het morgenlicht breekt door en de storm is bedaard! Er waait nog wel een frisse wind, maar dat mag geen storm meer heten, aan frisse wind zijn we hier gewoon! De Andijkers komen uit hun huizen om de ravage te gaan zien. Het is een vreselijke verwoesting! Nu pas wordt het hun duidelijk hoe hachelijk de toestand geweest is! De oude dijk is op veel plaatsen zwaar gehavend, op een enkele plek zelfs bijna doorgebroken. Bijna, want er zijn gaten aan de buiten- en aan de binnenkant! Dat is juist het eigenaardige: dat de dijk aan de binnenkant het meest kapot is! Ze hebben zich een dijkbreuk altijd heel anders voorgesteld. Eerst zouden er stenen uit de glooiing spoelen, dan zouden de golven de kleilaag steeds verder uitvreten tot de dijk te zwak zou worden om de druk te weerstaan en dan zou de dijk doorbreken! Maar het is heel anders gegaan: de steenglooiing is nagenoeg onbeschadigd gebleven, althans gerekend naar de enorme ravage aan de binnenkant. Nee, het overslaande zoute water heeft de kleilaag van de binnenkant door en doorweekt. Toen is de dijk bovenaan gaan scheuren, juist op het randje van de macadamweg. Het aandringende water heeft die scheuren wijder gemaakt, al wijder, tot tenslotte de doornatte massa met donderend geweld naar beneden strotte! De rest van de dijk bleef staan als een steile wand. Er is precies te zien, hoeveel keer die dijk wel verhoogd is in ‘de oude tijd’. Boven de oude ‘Keizerdijk’ liggen nog talrijke lagen. Het is nu ook goed zichtbaar, hoe de laatste eeuw(en) de dijk met puin verhoogd is en dat was fout! Al dat puin maakt de dijk zo poreus als een turf, dat moet er alles weer uit! Maar voorlopig drukken nog andere zorgen. De zware grondmassa's, die naar beneden geschoven zijn, hebben hekken en huizen vernield.
Sommige huisjes zijn eenvoudig gewipt, ze hangen scheef tegen de nog rechtstaande huisjes aan. Daar is er een, waar men een oude vrouw uit haar bedstee heeft bevrijd door het planken schot van de buitenkant stuk te zagen. De dijkmassa had de bedsteedeurtjes dicht geschoven en daar zat ze gevangen! De weg langs de dijk is op veel plaatsen versperd en de dijkgracht dicht. Het zal vele dagen duren eer het verkeer weer vrij is. Met man en macht wordt daaraan gewerkt. leder, die handen aan het lijf heeft, moet helpen. De bouwerlui werken broederlijk samen met schoolmeester en winkelier. Ze staan in een lange rij en ‘lepelen’ met hun panschoppen de kletsnatte grond weer omhoog, want kruiwagens kun je in zo'n brijberg niet gebruiken. Er komen schuiten met volk uit de Streek. Het is weer als in vervlogen eeuwen. De Grootebroekers onderhouden hun eigen dijkvak. Weldra komen er soldaten uit Den Helder, die daar toch maar nutteloos omhangen en hier handen vol werk vinden!

Er is een enorme drukte van kijkers uit de omliggende dorpen. Ze lopen het werkvolk in de weg en een die wat veel praats heeft, verhuist van de steile dijk pardoes in de modderbrij! Zo is ons volk, het kan veel verdragen zonder wat te zeggen, maar loop hen niet in de weg als ze het druk hebben! Een bange nacht is voorbij, gelukkig! Maar in aller hart leeft de bange vrees voor herhaling. Het is nog Januari, er kunnen nog meer stormen komen, wat God verhoede. Hoe zal deze zwakke dijk dat ooit kunnen houden? De oude dominee Van Dorp preekt die Zondagmorgen voor een halflege kerk. Al het manvolk werkt aan de dijk. Alleen grijsaards, de vrouwen en de kinderen zijn opgekomen om een dankstond te houden. Het prille, witte licht van de januarimorgen valt vreemd op de vele lege plaatsen in de oude kerk, die op andere Zondagen te klein is. Het is een wat vreemde tekst, waarover de oude leraar die morgen preekt. Handelingen 27 vers 29c: ’...en zij wensten dat het dag werd’. De oude paaien, de vrouwen en de kinderen, zij allen luisterden met aandacht naar deze ontroerende prediking. Is er wel ooit een nacht in hun leven geweest, waarin zij zo vurig hebben gehoopt, dat het d a g werd? Het is een historisch ogenblik, deze korte dankstond in de koude kerk. Buiten werken de mannen aan de gehavende dijk, zo is het sinds eeuwen geweest.
Uit een ver verleden ruist een zin: ‘Wij willen die zeeburg houden!’ Wijzullen die zeeburg houden met drieërlei tuig: met de spade, met de burrie en met de vork. Eeuwen heeft dit volk aan zijn dijken gewerkt en het werkt er ook nu aan met taaie volharding, en het wint! Het ziet er nog vreemd uit met al die bekistingen en witte zeilen aan de binnenkant van de oude dijk, die nooit anders dan groen geweest is. Er gapen nog lelijke gaten in de steenglooiing aan de buitenkant, waar reeds weer steenbokken staan. Maar het werk vordert, de zeeburg zal behouden blijven.

Nu volgt een rumoerige tijd voor Andijk, een drukte als nooit tevoren gekend.
Het herstelwerk eist alle aandacht. De eerste zorg is: het verkeer weer mogelijk te maken. De weg langs de dijk zit op vele plaatsen schuil onder de modder, allee, zoek die weg bloot! De dijkgracht is op vele plaatsen gedempt, die moet opnieuw gegraven worden. Dat valt niet mee. De modderbrij houdt niet op het vrij steile talud. Er moeten palen geheid en bekistingen gemaakt om de glooiing te kunnen houden. Als de glooiing klaar is, worden de herstelde plaatsen met zandzakken belegd. Wagenvrachten zakken kost dat, in een tijd waarin jute schaars is, want het is het laatst van ‘wereldoorlog’ 1914-1918.

De dijk is te laag. Er wordt een kistdarn op gemaakt van een meter hoog en vele kilometers lang. Het is maar provisorisch werk, later zal dat beter worden.
Er zijn geweldige plannen in de maak: de hele dijkgracht gaat dicht! Er komt een zware berm langs de hele dijk tot Enkhuizen toe en de kruin wordt met een meter verhoogd. Daar moet groot materiaal en veel werkvolk voor komen! Het is een firma met een wereldnaam, die dit werk uivoert: L. Volker Az. te Sliedrecht, all known in the world. Een zandzuiger slokt ergens in zee een zandbak op.
Sleepbootjes brengen de zandbakken voor de wal, waar een ‘spuiter’ ze kolkend leeg zuigt en water met zand borrelend en bruisend door buizen blaast.
Harde werkers, deze baggerlui met hun verweerde koppen, hun stijve pilowpakken en zware baggerlaarzen. Ze hebben een groot deel van de wereld gezien, deze ‘zwervende houtvoeters’, ze baggerden in Argentinie aan de Rio de la Plata, in Egypte bij het Suezkanaal, in China bij Shanghai. Dit hier is maar prutswerkje, een peuleschil, dat nemen ze zo even tussen de bedrijven door. Ze leiden de stroom water en zand, die uit de buis golft met houten schotten. Ze trekken met moeite hun belaarsde voet uit het zuigende zand en als de stroom ophoudt te golven, zijn er weer enkele vierkante meters zandvlakte gewonnen.

Zandspitters na de storm van 1916
Zandspitters na de storm van 1916

Het eigenlijke dijkwerk wordt door de firma Zwaan & De Geus van den Heuvel uitgevoerd. Honderden polderjongens trekken naar Andijk. Het is ruig volk, ze minnen drank en vrouwen en brengen schrik in het Calvinistische dorp.
In allerijl worden polderketen gebouwd en door de keetbazen en hun wijven betrokken.
Hier heeft het poldervolk zijn ‘tehuis’, een ruw getimmerd hok met verveloze tafels en dito ruwe banken. Hier hangen ze om, de ganse lange.avond, tussen werk en slaaptijd. Hier knokken ze elkaar blauw om die weerlichts mooie meid of zuipen zich zat uit verveling. Op een mooie zomeravond zitten ze aan de zeekant, met een drankfles tussen de knieen en zingen een weemoedig lied van het hutje bij de zee. Overdag werken ze als paarden. Ze kruien het puin uit de kruin van de dijk en brengen er zwarte grond voor in de plaats.

Ze laden diep in de werkput de kipkarren vol met grote, vierkante steken of ze maken bij het ‘stort’ een nieuw talud aan de oude dijk. De zandspoortjes rijden af en aan. Zestien kipkarren halen ze telkens uit de Koopmanspolder en rijden rammelend met de lege karren terug over de primitieve lijn. Een wonder, dat dat nog altijd goed gaat! Och, er raakt wel eens een kipkar los of er kantelt een locomotief, maar die zetten ze met hun allen weer recht, ai!, gelijk!’ Ze graven de put aan de Enkhuizer dijk, ze graven de putten Brouwer onwijs diep; er kunnen wel twee locomotieven op elkaar staan! Uit die diepte schalt de stem van de putbaas, als de rails weer uit de modder gehesen moet worden. ‘Ajuu... ajuu, ai gelijk! Ajuu... ajuu!’ Welk een strot heeft zo'n kerel, je kunt hem in Wervershoof wel horen!

Ze graven een nieuwe dijkgracht en de putbaas treedt de lengten uit, die elk moet kruien. Hij heeft een schop in zijn armen en neemt reuzenschreden. Wee hem die het waagt zijn bevelen te weerstaan! Dit is een fijne tijd voor de jeugd.
Ze rijden met levensgevaar mee met de zandtreintjes, tussen twee kipkarren heel naar de Koopmanspolder. Een jongen wordt door een locomotief overreden en even later nog een. Ze zijn allebei een been kwijt en dat brengt de schrik er toch even in. Ze spelen krijgertje over de zandbuizen, ze kruipen er in en passeren elkaar middenin zo'n roestige buis! Ze varen met een sleepboot naar de zandzuiger, midden in zee.

Andijk kent weldra zichzelf niet meer, zo ingrijpend is de verandering na de stormnacht. Er zijn door de storm enkele huizen vernield, maar dat is een kleinigheid bij wat er nu gaat gebeuren; de huizen langs de dijk worden in massa onteigend! Het moet, ze staan lelijk in de weg! De smalle rijweg met het paardenstraatje boven op de dijk verdwijnt, ook de paadjes van ongelijke breedte beneden. Er komt een nieuwe brede asfaltweg van Enkhuizen naar Medemblik. Er staan veel huizen in de weg. Welnu, die moeten onteigend worden. De taxatiecommissie zal de schadevergoeding bepalen naar recht en billikheid. Wie er niet goedschiks uit wil, zal er kwaadschiks uitgezet worden, daar hebben we een onteigeningswet voor!

De meesten gaan goedschiks, ons volk is niet lastig. Maar een enkele weigert het, hij neemt het zo niet. Het bouwen is duur tegenwoordig, een knap bouwersspul komt op 10 tot 12.000 gulden en de bedragen, die de commissie bepaalt, zijn meestal lager. Er worden harde noten gekraakt, maar de onteigening gaat door, tot in totaal driehonderd huizen onteigend zijn! Al die huizen moeten op een andere plek weer worden opgebouwd, maar waar zal dat zijn? Op de smalle strook tussen dijk en dijkgracht is niet veel plaats meer, men zal het verderop moeten zoeken!

Andijk krijgt intussen een nieuwe burgemeester. De oude burgemeester Kooyman treedt in 1919 af. Zijn opvolger is een jonge kerel met veel durf en een vooruitziende blik! ‘Regeren is vooruit zien,’ heeft minister Posthuma gezegd en burgemeester Groot is van hetzelfde gevoelen! Hij is kort van stof, al die lange redenaties houden maar op. In dezelfde tijd kan er meer gebeuren, aanpakken dus, niet talmen of treuzelen! Zo'n man moet Andijk in deze jaren juist hebben! The right man on the right place! Burgemeester Groot is de ziel van het nieuwe wegenplan, dat nu ontworpen wordt. Er komt een lange weg vanaf de Bangert langs het Kleingouw tot aan de Reinderhoeksloot. Daar zal de weg afbuigen naar het zuiden en verder aansluiten aan de Horn. Langs de Knokkel zal de nieuwe weg verder leiden tot voorbij het Kerkepad. Verschillende wegen zullen toegang geven tot deze nieuwe weg.

Zo zal, behalve de bestaande paden aan het Oosteinde, die verbreed moeten worden, een weg aangelegd worden langs de Reinderhoeksloot, te noemen ‘Middenweg’, een langs de Hoeksloot, te noemen ‘Hoekweg’ en een langs de Molensloot, te noemen ‘Molenweg’. Er moeten 25 nieuwe bruggen worden gebouwd. Langs Kleingouwweg en Knokkel moet een brede strook grond gereserveerd worden voor een trambaan. Daar langs moet een nieuwe parallelsloot gegraven worden. Andijk moet verhuizen, van de dijk af, verder de polder in, dichter bij het land! Hoeveel duizenden werkuren gaan er jaarlijks niet verloren, omdat de bouwers te ver van hun land af wonen! Er ziijn er bij, die een vol uur moeten varen om bij hun land te komen! Met een nieuwe weg langs het Keingouw wordt dat tot een half uur bekort.
Het land kan beter en meer intensief bewerkt worden als de bouwer er dichter bij woont. Het land krijgt meer waarde. Komaan we gaan een goede toekomst tegemoet!

De Andijkers zijn er verbaasd van! Zoveel opeens kunnen ze niet verwerken! Maar als ze het eenmaal begrepen hebben, barst de reactie los! Het is een heel natuurlijke en zeer begrijpelijke reactie. De Andijkers voelen zich plotseling wakker geschud, erger nog ze voelen zich ontworteld! Wat, van de dijk af? Nooit! Eeuwen en eeuwen hebben onze vaderen aan de dijk gewoond. Zonder de dijk was Andijk er niet en nu zo maar wegtrekken, nooit! En bovendien, wat verbeeldt die burrie zich? Zouden ze zomaar een strook van het allerbeste land verdoen voor zijn wegenplan? De zandstrook van de Oudewal dichterbij halen en daar weet-ik-hoeveel bunders best land voor prijsgeven? Wat mankeert hem? Nee hoor, zij blijven aan de dijk!

Maar het wegenplan gaat door! Reeds worden in het open land de bruggen gebouwd. Het zijn lelijke betonnen doodkisten en er wordt al dadelijk een domme fout begaan; de bruggen worden naar de sloten gericht! Later wordt daar de weg aan vastgemaakt en zit er haast bij elke brug een lelijke knik in de weg! Dat de bruggen later te nauw zullen blijken, kunnen de bouwmeesters niet helpen, het verkeer stelt anno 1920 zulke hoge eisen nog niet. Ook de wegen komen weldra klaar, het land wordt door de meeste eigenaren goedschiks afgestaan, slechts een enkele zet de voet dwars! Als alles bijna klaar is, houdt Teun Molen nog koppig vol, zijn land krijgen ze niet, tot hij er tenslotte gerechtelijk toe gedwongen wordt. Het algemeen belang gaat toch boven het partikuliere!

Nog voor de nieuwe wegen klaar zijn, worden er reeds huizen gebouwd. De woningbouwvereniging ‘Nieuw Andijk’, waarvan burgemeester Groot de stuwende kracht is, plaatst ter aanmoediging hier en daar wat huizen aan de nieuwe wegen en weldra volgen er meer. De meest vooruitstrevende jonge bouwers hebben hun belang begrepen, ze laten nieuwe huizen en schuren aanbesteden en meer en meer rijen de tuinderswoningen zich langs de Kleingouw aaneen. Ook de meeste officiële gebouwen krijgen daar hun plaats: twee nieuwe scholen worden aan Schoolpad en Molenweg gebouwd. In plaats van het ene postkantoor in de Bakkershoek komen er nu twee, aan de Molenweg en aan de Knokkel. De Boerenleenbank verhuisd naar het Kleingouw, daar wonen de burgemeester en secretaris en op 9 September 1921 legt de oudste inwoner, Evert de Vries de eerste steen van het nieuwe raadhuis. Helemaal nieuw is dat raadhuis niet, de vroede vaderen zijn weer eens zuinig geweest! Ze hebben bepaald, dat de afbraak van de Ooster en Westerschool best nog wel gebruikt kan worden voor het raadhuis en zo is het raadhuis dus een ‘oud-maakt-nieuw’ geworden.

Dit is een rumoerige tijd! Andijk verplaatst zich en meet zichzelf een nieuw pak aan en komt daardoor tijdelijk in het hemd te staan. De weg langs de oude dijk wordt er niet fraaier op. Er komen daar lelijke open plekken en koude trekgaten aan de kale dijk. Met de dijkgracht is ook veel van het pittoreske verdwenen. Wat was de Kathoek niet een prachtig buurtje met al die bruggetjes over de dijkgracht. Het is alles weg en er is een lelijke zandverstuiving voor in de plaats gekomen. Die ‘burrie’ heeft wat op zijn geweten met dat gesleep van al die huizen naar het Kleingouw! Het geeft enorm veel drukte, al dat breken en weer opbouwen. Dag aan dag klinkt de hamerklop van de timmerlui, die een gouden tijd beleven.

Bij de afbraak en het verplaatsen van de oude huizen heeft Willem Schuurman de leiding en het is hem toevertrouwd! Hij weet te commanderen, hij houdt van doorzetten. Tegenspraak stuit op hem af en voor kletspraatjes is hij volkomen immuun. Hier moet gewerkt worden! En er wordt gewerkt! Op allerlei manieren worden de huizen verplaatst. Sommige, die aan de dijk moeten blijven, worden eenvoudig verrold naar hun nieuwe standplaats. Dat het verkeer daarbij soms een halve week gestremd is, komt er minder op aan, dit gaat nu voor. Een klein huisje wordt op een sleperswagen geladen en zo naar de nieuwe bestemming gereden. Een grote kapberg wordt op vier pramen weggevaren. Een huis wordt vanwege de ‘weigluize’ in lichte laaie gezet. Het gemeentebestuur waakt evenzee voor de hygiene als de Fransen in 1812!

Andijk ondergaat een radicale verandering. Het oude dorp aan de dijk krimpt bij de dag in, Aan de nieuwe wegen groeit een Nieuw Andijk. In 1922 zijn de meeste huizen naar het Kleingouw verplaatst en nog steeds worden er nieuwe huizen en schuren aanbesteed. Geen wonder, de bevolking groeit, er zijn nu plm. 3500 inwoners, dat is driemaal zoveel als in 1812. Het gaat goed, het is een gezonde groei, het is het eigen volk, dat zo sterk aanwast, van het vreemde volk is maar weinig blijven hangen. Slechts een enkele polderjongen vond hier een rustiger bestaan. Poldervolk is zwerversvolk. De meesten zijn met Zwaan & Geus meegetrokken naar ander werk, ergens aan het Noordzeekanaal of nog verderop.

Andijk vernieuwt zich! Het trekt een nieuw pak aan. maar dat pak moet betaald worden in een zeer moeilijke tijd! Want de wereld is enorm in beroering in deze jaren. De Russische revolutie van 1918 heeft een lelijke streep gehaald door alle oude berekeningen en WestFriesland voelt daar de gevolgen van in de eerstvolgende jaren. De pakhuizen van de zaadfirma's in de Streek zitten vol met zaden, die ze niet kwijt kunnen, nu een zo belangrijk afzetgebied als Rusland hun ontvallen is. Daardoor zijn de Kerstuitbetalingen slechter dan ooit en is het voor de kleine bouwers weer een hele ruk tot aan de vroege piepers. Nochtans versagen ze niet, maar zetten moedig door! Andijk heeft een nieuwe burgemeester, die van aanpakken weet! Reeds heeft hij de bouwers dichter bij hun land gebracht. Dat land kan in de toekomst meer opbrengen. Wie weet komt er nog eens een eigen veiling en zo niet, dan kan er toch een nieuwe weg naar de Streek gemaakt worden! Andijk moet vooruit en het g a a t vooruit, alle moeiten ten spijt.

De stormnacht van januari 1916 heeft grote gevolgen, niet alleen voor Andijk. In andere gebieden, waar de dijk wel doorgebroken is, is de toestand nog veel erger! De regering begrijpt, dat er hier iets gedaan moet worden! Er zijn allang sluimerende plannen om de hele Zuiderzee af te sluiten, maar het is er nooit van gekomen. Nu is er n o o d z a a k! Het plan van Ir. C. Lely wordt goedgekeurd. Er moet een zware afsluitdijk komen, van Wieringen naar Friesland Dan wordt de Zuiderzee een binnenmeer en de dijken worden slaperdijken. Het gevaar van doorbraak is dan vrijwel geweken! In dat grote binnenmeer kunnen dan polders gemaakt worden. Het eerste een polder tussen Wieringen en medemblik Die polder zal ‘Wieringermeer’ heten. Maar die is er nog direct niet. In de tussentijd kunnen er proeven genomen worden, hoe de gewassen het zullen maken op de grond ‘der zee ontrukt’. Daarom wordt er bij Andijk een proefpolder aangelegd van 40 bunder. Als die drooggemalen is, wordt er een proefboerderij en een (houten) laboratorium gebouwd. In Augustus 1926 wordt met de dijkaanleg begonnen en in 1927 is de polder klaar. Op 28 juli 1928 wordt de polder bij Andijk gevoegd. Het is dus echt onze proefpolder! Die heeft twee miljoen gulden gekost, voor die tijd een reusachtig bedrag! Nu is het allang geen ‘Proef’polder meer. Na enkele proeven met tuinbouw, is het een recreatieterrein geworden.

 

Wat peet Troin van de stormnacht vertelde

In de nacht van 13 op 14 Januari 1916 teisterde een zware Noordwester de zeedijken van Noord-Holland. De dijk bij Durgerdam brak door en heel Waterland liep onder........ De Noorderdijk bij Andijk bleef op kantje af behouden; het had geen halfuur langer moeten duren!

‘Peet Troin, vertel naggeres van de stormnacht?’
‘Nou, dat wul ik wel, men koind, as ik maar wist weer ik beginne most’.
‘We-ja peet, je vertelle maar van die beskuitton....... of van die jongknechies... of van die skoolmeister en de wastommend...’
‘Nou, kwan den, ik zel den maar beginne met seivens tevoren. Der was die dag plaasseverhuring in de kerk. Dat had je toe nag, ei? Nou benne alle plaasse vroi, maar toe was et zo: wie de meiste sente had, kon ok de beste plaas kroige, die een bonk geld had, huurde de gnapste stoele voor de vrullie voor een tientje en die gien tientje had kon boven op de kraak zitte. Nou, affoin, deer hadde we et nou niet over, we zouwe et nou over de stormnacht hewwe. Wat ik maar zegge wou: toe datte de manne uit de stoele- en bankverhuring kwamme, was et al puur boestereg weer. Der waaide een stoive Noordwestewind en verskoiene van de manne gonge efkes op dedoik te koiken, hoe houg et zeewater was....
Nou, dat kwam toe al temet tegen de basaltstiene an... dat was al puur houg, ei?

Maar goster, et had hier welderes eerder waait! Dat ze gonge weer omleigen nei huis en seivens gewoon te bed...... Et waaide merakel, de dakpanne klapperde der van en baitaie sting et hele huis meist te skudden, maar dat sliep evengoed wel lekker, ei? Maar toe datte ze goed en wel in sleip wazze, toe wier et pas erreg! Der benne der altoid wel een paar die niet best sleipe kenne..... deer hewwe jullie gien last van denk? Maar sommige mense bloive wakker as et wat veul spoukt om huis heen en de bakkers moste vanzellef der al vroeg uit te roggebroodtrappen. Toe die deres buiten kwamme, hadde ze et al gauw in de smieze: et gong fout joons! Dat hullie der klere hallef an en de doik langs en maar skreeuwe: de doik breekt deur! Nou, zo veer was et nou nag wel niet, maar et skeelde niet veul! In alle geval: de mense wiere der wakker van en dat was maar goed ok! Ze moste der uit en nei et magezoin, zoile hale en voiftegponders en loine en dat alles buitendik brenge. Met een peerd en een driewielde kar brochte ze de zoile bovendik. Et was meist gien doen in die sturrem, maar volhouwe moste ze, aars gong et hele zoodje der an! Ik belouf je dattet een sjouw was: met grote leerze an gonge ze boi de stiene neer.. et water et water sting baitaide boven der kniese..... maar ze hielde vol, et gong om hullie leven, ei? Die voiftegponders moste an die grote zoile vast, aars woeie ze in een amerij weg en over de kop... nou joons, dat was wat! Ientje most er hielkendal nei omleig teugen et zeewater in om de onderste gewichte vast te leggen. Te weerlicht, dat was een sjouw oor! Piet de Wit het der toe nag een bien boi broken. Et was een merakel zoaas et spoukte, et water spoelde gewoonweg over de doik heen en deerbai waaide de toppe van de golve nag stik ok deur die gruweldige storm... De mense die onderdoik weunde, dochte dattet zo merakel hard regende, maar dat was enkeld zeewater dat stiksloeg op de panne. De manne die met de zoile in de weer wazze, hewwe wel zoid dattet et alderergst was toe der een hagelbuitje kwam. Toe leek et hielkendal wel of de hele zee kookte. Terwoil de manne buitendik an 't zoilenleggen wazze, were de vrullie en de kloine joonkes in huis. Maar in de huize die sterk teugen de doik an stinge wier dat optlest te gevaarlek.. Deerom trokke ze nei de grooste en sterkste huize, die wat meer inwerdan stinge. Ze dochte dat die temesten niet derekt inmenkaar valle zoue as de doik deres werkelek deurbrak... We zouwe ders zien hewwe!

Maar dat deurbreken gong ok aars as ze docht hadde. De doik gong et eerst stik an de binnenkant..... Woi docht vanzellef dat eerst de zeestiene der uitspoele zouwe en den de klaai en dattie deurmidden brak... maar nei, zo gong et niet oor. Et water spoelde over doik heen en deerdeur worde an de binnenkant de grasdodde nat en deurweikt en den skoof de halleve doik omleig... Ja, joons, gelukkig datter gien mens onderkomen is, ei? Et het aars baitaie niet veul skeeld. Der was ien huis, deer ze nagal wat kloine joonskes hadde. Eerst hadde ze de grooste joons met de skuit wegbrocht nei een groot huis dat wat meer inwerdan sting, (deer ware later wel veerteg mense boimenkaar) en toe moste ze met de wieg met et kloine popke der nei toe.... Maar dan kon de wieg welders omkiepe, dat toe moste ze benoorden et huis om. Nou, je begroipe hoen sjouw dat was: et zeewater kleste op de panne en et stroomde der metien weer af ok, want de goot en et vergaarbakje ware al lang en breed vol. Der was maar een smal padje achter dat huis langs en dat sting vol water en den die vreiselukke storrem! Ze hadde vanzellef et wiegekleid met touwe vastbonden, aars was et er al derekt afwaaid dat ze de hoek omkwamme. Afoin, ze kwamme der, maar toe moste ze nag over een smalle breg.... Hoe dat ze deer over komen benne, begroip je nag niet, maar as et moet joons, den ken je een zood! Nou, ze ware na maar pas an de overkant en deer stortte met donderend geraas een end doik omleig en net de hoek van et huis stik, deer ze pas nag uitkomen ware.... In die hoek was net een sleipkamertje en deer hadde een kloin kwartiertje leden nag twei moidjes sleipen op een ledekant.... Nou, date ledekant en de klerekas die teugen de noorderweig sting, ware alletwei rechtoverend zet teugen de weig an de overkant en et hele kamertje vol modder vanzellef.... Toe datte ze de volgende ochtend weer in hullie oigen kamer kwamme, was et hallefdonker, de lamp most op, zo houg lag de modder van de doik in et bleekveld! Ze keke zo teugen de klompe an van de mense die op die kapottige doik liepe. Want koikers gien gebrek, sochens teran..... Toe ze met zen veertegen in dat groote huis ware, kwam der ok nag een oud manje met de skuit over de kuil. Die kuil was een diepe plas, deer sting een bonk water in. Hoe dat manje et ooit klaar kregen het om over die kuil te komen, mag Joost wete, zo'n oud manje al, ei? Hoi zel temet alles wel boi de kant omgaan weze, moet je denke. Nou, die kwam toe in dat grote huis en toe zoidie: ‘der is een klain huiske instort, we hoorde et diggelegoed kraken,’ zoidie. Nou, de mense verskote der van! Maar wat zel dat manje aars in de piepzak zeten hewwe: snachs met zo'n sturrem over de kuil vare en den de doik op een deurbreken! Hoi kon zo wel nai Streek spoeld weze! Toe ze de volgende ochend deres keke nei dat kloine huiske, sting et der toch nag oor, maar et diggelegoed was wel kraakt, dat had Gertje Spoiker wel goed hoord. De doik was deer ok omleig skoten en de weig van et huiske stik en de diggelekas an flenters vanzellef. Ja, joons, dat was wat, die stormnacht, ei? Deer dicht boi Gertje Spoiker weunde een ouwe vrouw, Neel Kok hiette die. De doik was deer geneven ok merakel erreg kepot, et hele huis van Neel Kok sting skeef. De prut van de doik was zo in de kamer skoven dat de deurtjes van de bedstee geniessen meer open konne. En Neel Kok zat der nag in! Toe moste ze in die stormnacht met een grote brandhoutzaag een gat in de weig zage en zo hewwe ze Neel Kok der uit red!

Boi al die penarie ware der ok nag wel kluchtige dinge oor. Der was een bakker die ze ‘lange Wullem’ noemde en die had een huis, deer de vloer van de kamer leiger was as de vloer van de winkel. In de hoek van de winkel sting de beskuitton. Leit nou toch deur et geweld van de storrem de winkeldeur open waaie en vanzellef ok de kamerdeur en metien spoelde der een hoos zeewater de winkel in van je heisa! Dat stortte zo over die leige durpel in de kamer en jawel oor, deer kwam de beskuitton permanteg de kamer in droiven. Der dicht boi lange Wullem weunde een skoolmeister. Nou benne die skoolmeisters meistal nag puur groosk. Hoi kwam niet hier vandaan, ergens omgunsies gelouf ik. Nou, die had nagal wat poeren en meistal; een groot woord as-ie et over de Zuiderzee had. ‘De wastommend’, zoidie den.... maar hoi had nooit weten, dat die wastommend zo spoke kon, aars had-ie et vast niet zoid. Want leit-ie nou de hele sturremnacht in een skuitje in de laaite van et skool zeten hewwe! Zo'n bangeskoiter, ei?

Nou, joons, nou hew ik toch al een zood verteld, ei? Nei peet, alles nag niet, dat van de jongknechies heije nag oversloegen.
Nou kwan den, nou nag van de jongknechies:
Deer dicht boi Neel Kok weunde Freek en Maartje. Ze hadde maar een kloin huiske, dat temet teugen doik an sting. Nou, deer hewwe ze de hele storm- nacht lekker deursleipen oor! Et zeewater kletste hard op hullie panne en op et huis zoid-an was een zwere tillefoonpaal deur et dak heensloegen, maar Freek en Maartje hadde der niks van merrekt. Ze snurkte maar deur ei? Maar toe ze sochens wakker were, was der een hele zood prut en grasdodde langs hullie padje spoeld nei de kuil. Dat was zo de hele nacht deurgaan dat oplest was der vlak voor hullie stoep zo'n berg prut dat de grasdodde boven et water uitstakke. Maartje was efkes nei de stoep weest om de nachtspiegel om te spoelen en toe ze terugkwam zoi ze teugen Freek; ‘Wat de jongknechies nou vannacht weer uitspoukt hewwe?’

Nou joons, een are keer weerderes meer, ik skai der nou uit!


© 2001-2019 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap