Kistemaker NetWerk

Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 227-231

19. De Andijker Middenstand

Westfriese tabakskervers en -grossiers

De aanleiding tot dit geschrift is, dat ik in de nagelaten correspondentie van Jan Masereeuw, 1799 - 1855, de zgn. 'profeet’ van Opperdoes, enkele oude tabaksmerken vond, van plm. 1850.
Hij gebruikte lege tabakszakken van zwaar, grof papier, als omslagen voor zijn predikaties. De tabak werd in ponds - zakken verpakt en ik heb straffe rokers gekend, die een pond in de week oprookten! Die doofden hun pijp pas, als ze in de bedstee lagen en deponeerden de nog warme pijp op de beddeplank boven hun hoofd, zodat die 's morgens weer direct bij de hand was! Later verpakten de fabrikanten in halve ponden, bijv. de bekende sterrenserie van Theodorus Niemeyer. De minder straffe rokers bewaarden hun tabak in een houten vaatje, waaruit ze de tabakspot bijvulden naar behoefte.

Om de tabak tijdens het werk goed droog te houden, had iedere roker een tabaksdoos, meestal van geel- of roodkoper, soms ook van zilver en bij de rijkdom van goud. De tabaksdoos was gewoonlijk versierd met ingesneden figuren uit de Bijbel, in de tijd van de verlichting met zeer deugdzame spreuken, maar er waren ook ondeugende bij! Bij zeevarenden was de doos soms met schildpad- of robbenleer bekleed, een hele mooie met parelmoer ingelegd. 'Een tevreden roker is geen onruststoker’.

De eerste 'kalken’ pijpjes hadden maar een kleine kop, omdat de tabak, vooal in 'Napoleons tijd’ voor het gewone volk te duur was, vanwege het continentaal stelsel. De meer welgestelden rookten uit een lange Goudse pijp, meestal merk 'Goedewaagen’. Omdat die lange pijpen zeer breekbaar waren, werden ze na het roken rechtop gezet in een pijpenstander, fraai gedraaid van mahoniehout, het bakje soms ingelegd met een lichtere houtsoort, bijv. palmhout. Tegen het vonkenstrooien behoorde er een pijpedop bij van dun, gevlochten ijzerdraad, met een kettinkje. Het gemakkelijkste was, de pijp aan te steken aan een 'glommen’ d.w.z. gloeiende turf in een 'vuurpokes’, d.i. een soort koperen test op pootjes, met een houten steel. Dat was een van de vaste attributen van een roker.

Moeilijker was het gebruik van de tondeldoos. Dat was een kunst apart! Daarbij behoorden een 'tondeldoos’, dat was een blikken- of koperen doosje, gevuld met 'tondel’, gebrand linnen, soms ook zwam en een vuursteen van kwarts en een ovale, stalen ring. De kunst was nu, om met de ring zo hard op de vuursteen te slaan dat er een vonk oversprong op de tondel, die gauw vlam vatte. Met de dop van de tondeldoos kon de vlam weer gedoofd worden. De manipulatie met de vuurslag lukte niet iedereen direct. Ik had een oudoom, die nogal een grote zwetser was en die zei: 'met ien slag vuur en met drie hale de poip op!'

Naast de tondeldoos waren er de zwavelstokken, dun gespleten hout aan weerskanten gedoopt in zwavel. In de winter een soort huisindustrie. De 'fijnen’ d.w.z. de afgescheidenen werden ook voor zwavelstokken uitgescholden. Waarom is niet duidelijk, waarschijnlijk omdat de armsten van hen met zwavelstokken ventten. 'Een borrel in ienen, een zwavelstok in tienen’, schreef Jan Roselaar. Toppunt van zuinigheid! Maar, elke cent was er vroeger een en elk halfje ook!

Voor wie wat royaler wou, waren er waslucifers: kleine staafjes was, met een kopje van zwavel, populair 'wassies’, in een 'wassiesdosie’. Dat doosje was soms van zilver met een gekartelde rand, om daaraan de lucifer aan te strijken. Volgens overlevering kon dat ook aan de werkbroek of aan de schoenzool.
In 1833 kwamen de eerste fosforlucifers, net als alle nieuwe uitvindingen met argwaan en tegenzin ontvangen. Men vond die fosfor vuurgevaarlijk en daarom stond er op de Hollandse doosjes: 'verbrande kop valt niet af’.

De Goudse pijp heeft het tot plm. 1920 uitgehouden, meer als statussymbool dan uit praktische overwegingen. Op gastdagen en bruiloften was het echt 'deftig’ om uit een goudse pijp te roken. De bruidegom kreeg op zijn trouwdag een bruidegomspijp met bloemslingers. Die pijp werd soms jarenlang bewaard. Omdat de lange pijpen in het werk lastig en breekbaar waren, rookte men liever uit een 'smeulke’, een neuswarmertje, dat drie-delig was: een mondstuk of 'roer’, een 'slappie’ en de 'kalken’ pijpekop. Later kwamen de Bruyerepijpen uit belgie, met bakelieten mondstuk en houten kop en de meerschuimen 'doorrokers’, vooral bij zeelieden geliefd om de erotische voorstellingen, die bij het roken blootkwamen.
Om de pijpekop van binnen goed schoon te maken, gebruikte men 'pijperoders’, meestal een gebogen, driekant ijzeren staafje in houten heft met kerfsnee, maar ook van zilver, met fraaie figuren aan de steel: paarden, V.O.C. schepen, etc.

Wie waren nu die Westfriese tabaksgrossiers? De oudste tabakswinkeliers, eventueel -grossier in Hoorn vond ik in 'De Oude Tijd’ van Jan ter Gouw, jaargang 1874. Hij heette Joris Muishond en woonde aan de haven. Hij had voor zijn winkel als klantenlokker een aangeklede aap met een kanten kraag en deelde strooibiljetten uit met deze tekst:

'Gij burgers en boeren en wilt niet verbij gaan,
Want hier vind gij den oprechten Nicoxiaan,
Die alle flegmatyke humeuren doet opdrogen.
Sij is goet voor een druipende neus en lopende ogen,

Komt maarin, mijn vrienden, hier heb je hagende velt
Een pijp vooraf voor niet en veel voor je gelt.
Sij sel je deurwarmen, van agteren en van vooren
en kruipen deur je neusgaten en beide uw oren.
Heb je wat van doen? Volg dit briefje maar en vraag
Naar Joris Muishond in 't Aapje met de kraag’.

Jan ter Gouw vond dit bij Hieronimus Sweerts, 1629 - 1697, die als 'Jeroen Jeroense’ in 1684 een boek uitgaf met 'Koddige Opschriften'

De echte tabaksgrossiers waren tabaks kervers, die het ingevoerde produkt zelf verwerkten. De fijnste soorten waren Virginia uit Noord-Amerika, Varinas uit Colombia en Havanna uit Cuba, beiden uit Zuid-Amerika. Daarvan waren Virginia en Varinas voor rooktabak en Havanna voor cigarillos of sigaren. Er waren nog vele grovere soorten, die voor snuif- of pruimtabak gebruikt werden. Op de meeste afgebeelde tabaksmerken staat ook een (Delftsblauwe) pot met (koperen) deksel, met opschrift: RAPPE, d.i. Rap, snuiftabak, vroeger een belangrijk deel van de omzet. Dat was Braziliaanse, later ook 'Amersfoortse' tabak, waarvan karotten genaaid werden, die tot snuiftabak werden vermalen. Snuiven was deftig, het is nog tot lang na de pruikentijd in de mode geweest.
De fijnste soorten tabak kwamen in vaten te Rotterdam aan, de mindere soorten gingen in rollen. Tabakskerven was handwerk en dat er nogal wat omging, blijkt uit de naam 'stoomtabakskerverij’. Het begin van de 19e eeuw was juist de opkomst van het stoomtijdperk, dat nu weer vrijwel achter de rug is. Toch konden de tabaksgrossiers van rooktabak alleen niet leven.
Dat kwam door de toename van het sigaren roken. Noodgedwongen en met tegenzin gingen ze er toe over ook in sigaren te grossieren. 'De pijp is nationaal, de sigaar is een indringer’.(De Oude Tijd, 1874, blz. 202)

Of alle grossiers sigaren in eigen bedrijf lieten maken, of dat ze die van sigarenmakers, eventueel -fabrikanten betrokken, is niet duidelijk.
Geleidelijk werd het assortiment meer uitgebreid, met koffij, cichorei, thee, een enkele zelfs met... borstelwerk!

Een van de oudste tabaksgrossiers te Hoorn was wel Pieter Kaag Antz. De zaak was in 1793 opgericht (en bestaat nog steeds) en voert als handelsmerk: 'De gekroonde jaagschuit’. Plm. 1910 waren de firmanten Willem Kaag, die op het Grote Noord woonde, naast ijzerhandel Eyken.
Naast de winkel op het Breed woonde zijn broer Ferry Kaag, die ook brandmeestergeneraal was, 'omdat hij verstand van rook had’. Het fraaie winkelpand was ontworpen door de architect A.C. Bleys, die ook de St. Franciscus- en Cyriacuskerk op het Grote Noord gebouwd had. De winkel heeft een voornaam interieur, met allerlei voorwerpen, die aan de oude tabakshandel herinneren. Het bedrijf was drie-ledig: stoomtabakskerverij, sigarenfabriek en koffiebranderij. Het is nog steeds een familiezaak, maar de nadruk ligt tegenwoordig wel meest op de koffie en de thee.

Een bijna even oude zaak was 'De Exter’, op de Kaasmarkt te Hoorn, stoomtabakskerverij, en kruideniersbedrijf, met nadruk op tabak en koffie. De zaak werd opgericht in 1797, het tweede jaar van de Bataafse Vrijheid. Plm. 1910 was eigenaar H.J. Schuit, kapitein van de schutterij. De zaak is nu verdwenen.

Een iets kleinere zaak was van Maarten Heidenrijk en Zoon, op het Kleine Noord, op de hoek van de St. Janssteeg, vroeger bij de Noorderpoort 'In de Theehandelaars’. Op het plaatje drijven twee Hollanders handel (met 'handjeklap') met een soort Chinees. De ene handelaar houdt de geldbuul stevig vast! Ook bij Heidenrijk was koffie en thee wel het voornaamste. De zaak heeft tot na 1900 bestaan, maar in die buurt is alles gesloopt, ten bate van het drukke verkeer, dat vanaf het Keern de stad binnenkomt of verlaat.

Een van de oudste zaken in Hoorn was 'De Kroot’, op de hoek van Kleine Noord en Breed. Een 17e eeuwse trapgevel, waarop met witte letters: TABAK en SIGAREN. Een mooie winkel met witblauwe tabakspotten met koperen deksels. Het interieur was 'zeer artistiek’. Waarom deze zaak de Kroot heette en niet de Kroon, is niet duidelijk. Eigenaar was de heer H. Kroon Dz., kapitein van de schutterij en historicus. Hij schreef in 1891 samen met de heer F. Kaptein een Nieuwe Kroniek van Hoorn. Sinds Feiken Rijp in 1705 was er geen kroniek van Hoorn verschenen. Plm. 1910 was eigenaar zijn zoon Egbertus Kroon, die ongehuwd was.

Een zeer bekende grossier was Theunis Albertus Pool, geboren te Grootebroek in 1826 en overleden te Hoorn in 1891. Hij voerde als fabrieksmerk ''t Wapen van Drechterland’, waarschijnlijk omdat zijn vader Albert secretaris van Drechterland was. 'Pool’ was een echte regentenfamilie. Hij trouwde in 1849 te Muiden en stichtte in hetzelfde jaar de tabaksfabriek aan het Grote Noord te Hoorn. Hij had geen mannelijke opvolger, want zijn enige zoon Albertus Nicolaas stierf als baby van drie en een halve maand. Desondanks is 'Pools tabak’ in Westfriesland een zeer bekende naam geworden, mede door de reclame die hij maakte. Hij liet op de paardenvrachtwagens, die Hoorn in- en uitreden, schilderen: 'Pools tabak, er is niet beter’. Mogelijk heeft Miele die slagzin later overgenomen: 'Miele, er IS niet beter’.

Een bekende naam was ook: 'De Bonte Hond’. 'Bekend als de bonte hond’ zegt het spreekwoord, maar of dat van deze zaak afkomstig is, is niet zeker. Wie was er eerder, de kip of het ei? Eigenaar was H.Z. Blom, 1847 - 1929, ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk. Het was een mooi pand op de hoek van het Grote Noord. Op de luifel stond: Tabakskerverij en koffiebranders. Voor het linkerraam waren nog Goudse pijpen geetaleerd, die rond de eeuwwisseling nog volop in gebruik waren. Boven de luifel stond het bekende bord met de bonte hond en boven die hond in kleine initialen: HZB.
H.Z. Blom was gehuwd met Maria de Beer. Hij had geen mannelijke opvolger, wel twee dochters, waarvan Johanna Maria trouwde met Lambertus Visser. Die verplaatste op 31 Augustus 1909 (koninginnedag), zijn sigarenhandel van Kaasmarkt 4 naar Grote Noord 113. De bonte hond ging later in andere handen over, die er andere branches in uitoefenden. Het bord met de bonte hond was lange jaren een goed orientatiepunt voor bezoekers van Hoorn, die in de stad nog niet zo goed thuis waren.

Dit waren enkele tabaksgrossiers in Hoorn. Er zijn er veel meer geweest. Op 31 December 1871 telde Hoorn nog twaalf tabakskervers. Daar werkten 19 mannen en 7 jongens. De mannen verdienden 3 tot 8 gulden per week, de jongens twee kwartjes tot twee gulden.

Een heel mooi vignet was ook het merk van Egbert Broers, voorheen W. Heeres, hoek Fnidsen en Mient te Alkmaar in 'de gekroonde herderin’. Waarom die herderin gekroond moest worden, is niet duidelijk, vroeger vond men dat belangrijk. Van deze firma is mij verder niets bekend.

De enige tabakskerverij in Enkhuizen was in de 20e eeuw F. de Wit. Vroeger moeten er meer geweest zijn: een stad als Enkhuizen met zoveel scheepvaart en zoveel koloniale handel, moet ook tabakshandel gekend hebben. Er was in Enkhuizen zelfs een tabaksstraat, nu Prinsenstraat. Douwe Brouwer noemt een gevelsteen in de Westerstraat 90 met 'de Rookende Moor’. Dit moet het stamhuis van de familie de Wit geweest zijn, want de Wit voerde jarenlang dit merk. Voor het gemak werden alle negers, moren genoemd, ook al hadden ze daarmee niets te maken. De echte Moren werden reeds in 1469 uit Spanje verdreven. De gevelsteen is thans verdwenen.
De winkel was gevestigd aan de Westerstraat, met daarachter de tabakskerverij, met uitgang aan de van Bleiswijkstraat. In het hoekhuis, met een 17e eeuwse trapgevel, was jarenlang de firma Remmert Swier, grossier in koloniale waren, gevestigd. Dit pand was door het bedrijf van de Wit helemaal ingebouwd. Het pand van de Wit aan de Westerstraat moet een soortgelijke gevel gehad hebben, maar is in 1911 gemoderniseerd, met een groot woonhuis, van Bleiswijkstraat 74. Naast de Wit was een mooie trapgevel, anno 1625, met als gevelstenen een boom en twee leeuwen, nu apotheek Bakker de Wit. Jammer dat Cornelis Springer dit rijtje niet geschilderd heeft! De Wit was in de 20e eeuw in Enkhuizen de enige tabaksgrossier die een eigen merk voerde. De firma L. van Wagtendonk verkocht allerlei fabrikaten, maar had geen eigen merk. De laatste firmanten waren Frans de Wit en zijn zoon Cor, die de firmanaam wijzigden in 'F. de Wit & Comp.’. Specialiteit was, eigenaardig voor zo'n deftige firma.... pruimtabak in blauwe puntzakjes.
De echte pruimers hadden die liever dan de bekende B.Z.K. Frans de Wit ventte met de kettekar door Westfriesland. Zijn zoon Cor was een echte aristocratische figuur, hij was en bleef 'meneer de Wit’. Hij is twee keer getrouwd geweest, maar had geen kinderen. Bij gebrek aan een opvolger verkocht hij de zaak aan His Wilms te Wieringen. Daarna werkte hij nog enkele jaren te Hoorn.

De meeste tabaksgrossiers zijn gesneuveld door gebrek aan een opvolger en door de landelijke reclames van de grote tabaksmagnaten: Van Nelle, Douwe Egberts en Niemeyer. Vooral de laatste kocht in Groningen en Friesland alles op. Op zijn oude verpakkingen staat dit nog wel te lezen. Tenslotte 'tot leringhe ende vermaeck’ nog een mooi plaatje van 'van Rossems troost’. De trooster en de getrooste verschillen nogal wat!


Bronnen:

J. ter Gouw, 'De Oude Tijd’, Haarlem A.C. Kruseman, 1874.
Braasem en de Ruyter de Wildt, 'Toen Hoorn nog Hoorn was’. Hoorn, Edecea, 1980.
'Westfriese families’ September 1982.
D. Brouwer, 'Enkhuizen, aantekeningen uit het verleden’. Enkhuizen, U.M. 'Fas Frisae’ C.V. 1946.
Joh. M. Ridderikhoff, 'Hart van Hoorn’, Andijk, Korpershoek 1987.
Mondelinge navraag - eigen herinnering.


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap