Kistemaker NetWerk

Religie » Masereeuwers "Vrienden van de waarheid" » Pagina 23

(23)

Cornelis van der Kamp was getrouwd met Maria Schoenmaker. Ze woonden op de Wierdijk en hadden een winkeltje in wol en sajet.
Een broer van Maria, Henderikus, was om ons onbekende redenen naar Ommerschans "verzonden". Daar was in die tijd weinig voor nodig: bedelen was al voldoende! Het herstel van Neerlands "onafhankelijkheid" had het gewone volk geen welvaart gebracht, integendeel! Er werd enorm veel armoe geleden en bedelarij was aan de orde van de dag.
Omdat dit voor de welgestelden een ware plaag werd, is in 1818 de "Maatschappij van Weldadigheid"(!) opgericht. Er werden enkele bedelaarsgestichten gebouwd, de "krententuin" te Hoorn is er één van. Het principe van deze weldoeners was :"wie niet werkt, zal niet eten".

Bedelaars waren vagebonden, te lui om te werken... Dus werd in die gestichten alles aan het werk gezet, mannen, vrouwen en... kinderen! Hummels van 6 tot 7 jaar moesten een lange dag werken. Van leren kwam vrijwel niets, leerplicht was er niet en de kinderen waren te moe om te leren... Er werd loon naar arbeid uitbetaald, maar dat was hongerloon. Alleen de sterkste kerels konden met zwaar grondwerk of turfgraven aan de grens van normaal loon komen. De Ommerschans was wel de ergste van allen! "De voeding bestaat meest uit paardebonen", schreef Jacob van Lennep in zijn reisverhaal anno 1823.

In deze poel van ellende was Henderikus Schoenmaker beland...
Hij klaagde zijn nood aan zijn zwager en zuster te Enkhuizen en ook aan Jan Masereeuw te Opperdoes. Van Augustus 1853 tot Januari 1856 was er een vrij geregelde briefwisseling tussen Ommerschans en West-Friesland, v.v. Nu kreeg Jan Masereeuw wel meer bedelbrieven en de meeste schrijvers kregen nul op het rekest, maar voor Henderikus Schoenmaker had hij een warm hart, ook omdat het zijn volgeling was. Verschillende gaven werden naar zaal 10 te Ommerschans verzonden, voornamelijk stichtelijke lectuur, een Bijbel, een vrageboekje van Hellenbroek, afschriften van de "getuigenissen des Geestes", een klein werkje van Frederik Houten, enz. Soms ook wat etenswaren. Toen Henderikus klaagde over hongerlijden en dat de tabak in de kampwinkel duurder werd, zond Jan Masereeuw hem tien gulden, een flink bedrag voor die tijd, bijna twee weeklonen...

Op 11 November 1854 kreeg Henderikus bezoek van Willem Groot, die waarschijnlijk voor de zaadhandel in die omgeving op reis was. Dat was een verrassing en ze beleefden samen "eenige genoegelijke uuren", zoals Henderikus schreef. In Mei 1855 ontving hij nog een brief van Jan Masereeuw, de laatste van diens hand... Die brief is niet afgemaakt en niet ondertekend, waarschijnlijk was de oude man daarvoor te zwak... Op 15 Mei d.a.v. overleed Jan Masereeuw.
Hoelang Henderikus Schoenmaker nog in de Ommerschans gebleven is, weten we niet. "De ontginning van de woeste gronden door het stedelijk proletariaat faalde..." schreef Jan Romein in "De lage landen bij de zee".

Na 1855 bleef er maar een kleine kudde Masereeuwers te Enkhuizen over.
"...ons diep versmade overblijfseltje" schreef Cornelis van der Kamp aan Pieter Wijdenes te Opperdoes. Ze vergaderden particulier, want een eigen gebouwtje hadden ze niet. Pas nadat Abraham Vriend van Andijk naar Grootebroek verhuisd was, konden ze gezamenlijk een gebouwtje stichten op de grens van Enkhuizen en Bovenkarspel. De laatste Masereeuwers sloten zich tenslotte aan bij Gereformeerde Gemeente in Enkhuizen, de "Breestraters".


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap