Kistemaker NetWerk

Boeken » Met sprongen door de Andijker Historie » Hoofdstuk 3

3. Het land „aan de dijk”.... ± 1000 j. n. C.

 STELLEN we ons dit land voor.... „Alles nog Vrieslandt tot Haerlem toe,” zegt Geraerdt Brandt. Een land zonder dijken, zonder wegen, zonder steden. Een land van poelen en meren, dat alleen met de polsstok begaanbaar is... Met een „planck, rafter, (=richter) of dalij”, (=balk) is het mogelijk van West-Friesland naar Mid-Friesland te komen.... Nog is woeste-Noordzee niet ingebroken.... nog zijn de vele kleine meertjes niet tot een groot Flevomeer gevormd,.... Nog is bewoning mogelijk op een kleine hoogte, een terp in miniatuur.... Nog is dijkzorg niet nodig.... gelukkig nòg niet....!
 Dit is ook een land zonder steden! Waar wegen ontbreken, kan een plaats van enige betekenis slechts aan een w a t e r weg gebouwd worden.... Alleen Medemblik wordt als „villa Medemelacha” in 985 genoemd, maar de naam „stad” is te grote eer voor dit gehucht van houten huisjes. (Baksteenbouw is pas na 1100 mogelijk.) Hoorn en Enkhuizen bestaan nog niet.... hoogstens wonen er enkele vissers in schamele hutten.... Misschien is Stavoren de enige „stad” in onze omgeving. Gelegen aan de handelsweg Dorestad-Utrecht-Oostzee, kan er van enige bloei sprake zijn, hoewel de verhalen van een „machtige koopstad”, waar alle deurknoppen van goud of zilver zijn, zeker sprookjes zijn....
 Land zonder dijken.... Waarom? Zien onze voorouders het nut van bedijking niet in....? Ontbreekt het hun aan moed om de grimmige waterwolf te weren....? Neen, niet aan moed, maar aan kracht faalt het.... Hoe gering moet het aantal inwoners in die tijd geweest zijn! Ze zijn niet bij machte de zware last van de dijkzorg op hun schouders te nemen. Ze kunnen niet.... en bovendien: er is geen centrale macht, die het hun beveelt! Vrije Friezen ieder voor zich en God voor hen allen.... Nog, kunnen ze zich handhaven op een klein stukje grond, met een aarden omwalling. . (is „Munnekey” zo'n terp?) waar ze de lange, natte winter doorkomen.... de zomerzon droogt immers de landen.... Winter aan winter staan de landen blank.... het water kan slechts wegtrekken langs natuurlijke weg.... er is geen systeem van waterafvoer, het siepelt maar langzaam weg naar de vele plassen.... Er is geen bemaling, die dit proces kan versnellen, windmolens zijn nog niet uitgevonden....
 Maar watervloed volgt op watervloed.... wilde stormen gieren over het land.... de waterwolf keert weer en vreet telkens nieuwe en grote stukken weg.... De toestand op de kleine terpen wordt onhoudbaar. Winters aaneen ligt het land onder water.... er is geen voedsel voor het vee.... het komt om van gebrek, zo er niet spoedig verandering komt.... Hier is geen leven meer mogelijk als de grond niet beter wordt beschermd, er moet een wal gebouwd worden om de woeste zee te keren.... komt allen tezamen.... helpt en bouwt.... zo zal ons God helpen....!

 „Dit is ook landrecht: dat wij Friezen hebben een zeeburg te stichten en te beheren, een gouden band, die om geheel Friesland ligt, waarin elke dijksroede gelijk is aan de andere en waar de zoute zee beide des daags en des nachts tegen aan zwelt; deswege zullen zowel de buitenst- als de binnenstwonenden plichtig zijn des winters en des zomers langs de wegen (=dijken) te trekken met slede en wagen, opdat de een de ander daar moge ontmoeten.
 Ook zullen wij Friezen ons land houden met drieërlei tuig: met de spade en met de burrie en met de vork.
 Ook zullen wij ons land weren met het zwaard en met het bruine schild, tegen de hoge helm en tegen het rode schild en tegen de onrechtmatige heerschappij.
 Alzo zullen wij Friezen ons land houden, van boven tot buiten, indien ons God helpen wil en Sint Petrus.”

 Zo staat het in de Rüstringer rechtsregels.
 Met deze primitieve middelen wordt de dijk gebouwd: met de spade, met de burrie en met de vork. De meest eenvoudige vorm van waterkering, een aarden wal, een dam van klei, een „poepedijkje”, zoals wij dat noemen, dat is een aarden dijk, met alleen een grasmat als bescherming, zoals er langs de rivieren liggen... Meer is er met deze geringe middelen en zwakke krachten niet te bereiken.... Maar de woeste zee stoort zich daar niet aan! Ze keert herhaaldelijk weer, met storm- en springvloeden en teistert deerlijk de zwakke dijk en het arme achterland.... Er moet een middel gevonden worden om de „zeeburg” te beschermen tegen die boze aanvallen. Dat middel is dichtbij en in overvloed te vinden: zeewier, dat in de Waddenzee in overvloed groeit en zonder veel moeite gemaaid kan worden. Zo maken ze nu de dijk: „met aerde den aertdijc ende met woer (=wier) den woertdijc”. Een brede laag wier wordt tot een -wierriem” saamgeperst en aan de buitenkant van de dijk opeen gepakt.... Een massa wier is daarvoor nodig: 12 voet breed van onderen en 10 voet van boven en dan nog 2 voet boven de aarddijk om inzakking te voorkomen. Vrij steil maken ze die wierdijk dus.... tè steil soms, want de gestadige golfslag holt het wier aan de onderkant uit en bij de eerstvolgende storm stort een groot wiervak in zee en ligt de kleidijk bloot voor het geweld der golven.... Menige doorbraak is er het gevolg van.... In latere tijd wordt zo'n zwakke plek beschermd door paalregels, zware eiken en grenen palen, paal-aan-paal en onderling stevig geschoord door zware balken met ijzeren bouten.... „Katten intangen” noemt men die en de kosten zijn enorm: elke roede (= 4 meter) paalwerk op deze manier kost 150 gulden, een geweldig bedrag yoor die tijd.... Als ook dit nog niet voldoende blijkt, stort men z.g. „balstenen”, d.w.z. zwerfkeien, op de meest bedreigde plaatsen.... „Zo zullen wij onze zeeburg houden....”
 Tot dijkzorg is „elc man” verplicht. Elc man is hier elke grondeigenaar, de bezitlozen hebben natuurlijk niets in te brengen en zijn van elk bestuur uitgeschakeld. Grondbezit geeft rechten, maar ook lasten.... Die lasten worden per morgen omgeslagen.... „desen dijc sal elc man rnacen also groot als hi op hem nu gehoefslaagtis....”, dat is per hoeve, per morgen omgeslagen: zoveel morgen land, dus zoveel roeden dijk in onderhoud! Dat wordt netjes in het „stoelboek” aangetekend en om de 7 jaar wordt het stoelboek vernieuwd. Er wordt zeer zeker rekening gehouden met de kwaliteit van het land: het „land van krancker waerde” komt „in lichtere hoefslag”, d.w.z. het slechtste land komt in de minste druk, voor zulk land worden meerdere morgens voor één geteld. De „vredemakers”, die de nieuwe verstoeling vaststellen, zijn wel deskundig op dit gebied....
 De dijklast is een erfelijke plicht: wie land erft, weet dat hij daardoor een overeenkomstig stuk dijk moet onderhouden.... ja, soms ook nog een stuk, dat in een heel andere banne ligt! Drechterland is rijk gezegend met goed land, maar op andere plaatsen ligt veel land van kranker waarde, bijv. onder Hoorn, de dorpen, die „de Veenhoop” genoemd worden, waar het land slecht is, en de dijk herhaaldelijk doorbreekt omdat de ondergrond niet deugt.... Zo moet Drechterland een groot stuk dijk onderhouden bij Winkel, maar omdat het voor de boeren te bezwaarlijk is om daar zelf heen te gaan, besteden ze dat uit aan „die erme luden van Winkel”, die er echter dusdanig de hand mee lichten, dat bepaald moet worden: „dat niemant in enig dijcwerc meer dan 5 roeden dijcs sal aennemen te macen....
 „Er wordt gedijkt „klei-aan-klei”, zowel letterlijk als figuurlijk, want klei-aan-klei wil hier zeggen, dat ieder een dijkvak krijgt aangewezen naast dat van zijn buurman, naast wie hij ook zijn land heeft liggen. Het dagelijks toezicht wordt gehouden door de „homannen” (hoofdmannen), de dikste boeren van ieder dorp, 4, 6 of 8, naar het dorp groot is. Zij moeten toezicht houden dat er niet geknoeid wordt, want dat is wel eens niet zuiver: sommigen verstaan hun zedelijke plicht slecht en proberen er zo gemakkelijk mogelijk af te komen! Maar bij dijkwerk is het zo, dat door het knoeiwerk van één al het betere werk van anderen in een enkele stormnacht vernietigd kan worden en daarom is toezicht dringend noodzakelijk....
 Dit is een groot bezwaar: er is geen centraal bestuur, dat van bovenaf alles regelt. De verdeling is nog dorps- en bannegewijs: elk stuk dijk wordt onderhouden door „den ban daert in leghet”. Zo is onze Noorderdijk in vier stukken verdeeld: onder de banne van Enkhuizen, van Bovenkarspel, van Grootebroek en van Lutjebroek.... althans zo vinden we de indeling in de Grafelijke tijd. Dat deze verbrokkeling schadelijk is, is zonder meer duidelijk. Om de enorme kosten (en ook om de golfslag te weren) wordt zeer veel land buitengedijkt, dat bij de menigvuldige watervloeden aan de zee moet worden prijsgegeven, maar dat bij beter centraal bestuur behouden zal kunnen worden. Iets beter wordt het na 1 2 8 8, als de Hollandse graven ook in West-Friesland wat meer te zeggen krijgen. Het dijkrecht wordt verbeterd: van de hoge heer graaf daalt het bestuur af op de baljuw, die het recht uitoefent in een „gouw”, d.w.z. over meerdere dorpen. Van hem daalt het op de schout, de rechter van het dorp en bij de dorpsgewijze indeling is de schout dus dijkgraaf, d.i. vertegenwoordiger van de graaf bij het dijkrecht. Hij is persoonlijk verantwoordelijk en mag niemand onder zich stellen! Of hij dat ook niet doet is een andere zaak.... Een lelijk euvel is, dat de dijkgraaf moet leven van de boeten en die zijn niet mals: soms drie- of vierdubbel! Daarom zegt het volk weldra: „Schouten en baljuwen, grijpen als raven en wuwen”. (Een „wuuw” is een kuikendief.)
 Zo groeit de dijk onder toezicht van de homannen.... Tweemaal per jaar, „bi grasse ende bi stroo”, d.w.z. in voorjaar en herfst, komen de dijkheren schouwen of het werk wel goed gedaan is en wat er gebeuren moet voor het volgende jaar.... Zij spreken recht òp de dijk en die plaats is nauwkeurig bepaald: op oude kaarten vinden we even ten westen van „De Tent” een plek aangeduid als „'t Geregt van Dregterland”. Daar spreken dus Schout en Heemraden recht.... en hun uitspraak is onherroepelijk:
 „Waer de Heemraden mitten Rechter schouwen opten dijck, dat sij wijsen bij haeren eede, dat en mag niemant wederseggen....”
 Ook mag niemand de schout-dijkgraaf naderen dan op 3 roeden (12 meter) afstand.... 'ZijnEdelGestrenge mocht eens een ponjaard tussen de ribben krijgen.... Dat gevaar is lang niet denkbeeldig: zie maar eens welke ongure typen er zwerven.... een schilderij van bijv. Jeroen Bosch geeft daarvan een duidelijk beeld....!
 Kijk.... een oploopje! Wat is er te doen....? Wat beweegt die groep mensen daar aan de dijk....? Ze verdringen zich om die ene man daar in het midden.... Wie is het? Och, een klein boertje, dat de last niet langer kon dragen en die nu „de spâ zal steken”.... Wat is hij schamel gekleed, alleen in ondergoed.... Ja, dat hoort zo: bovenkleren zijn een bewijs van welvaart en dat past hem niet meer. Daarom moet hij hier verschijnen „in hemede ende nedercleet”.... Hoe schaamt hij zich.... Zie, nu steekt hij de spade in de dijk, die hij had moeten onderhouden en daarmee doet hij meteen afstand van zijn land, met alle lusten en lasten, die daarop rusten.... Hoeveel verbeten woede schuilt er achter zijn strakke blik, woede en spijt, dat hem d i t moest overkomen, hem, de eigengeërfde boer.... ontzet uit zijn rechten, geveegd bij de grote hoop, het „klootjesvolk”, dat niets in te brengen heeft.... Gespannen ziet hij de kring rond.... Wie zal de spade er uit trekken.... wie zal zijn grond daarmee in bezit nemen met alle lasten.... ook de achterstallige....? Doet niemand het....? Dat is geen wonder: elk heeft genoeg aan zijns zelfs kwaad in deze benarde tijd.... Zo is dan het bezit aan de hoge overheid vervallen, in casu aan mijnheer de graaf....

 

Wie zal de spade er uit trekken

Wie zal de spade er uit trekken

 

Hij zal het in bezit houden tot betere tijden aanlichten....misschien is ons boertje nog eens in de gelegenheid het erf zijner vaderen van de heer graaf terug te kopen.
 Zo lezen we in een brief van Willem van Henegouwen, d.d. 29 Maart 1323:

„....dat hier voormaals in (West-) Vriesland vele landen ledig lagen die niemant aenvaerden willen, overmits de costen der dijken daer 't gemeene lant mede in vreeze was; waerom wij bevalen onsen baljuw aldaar, dat si dat lant van onsen weghen vercoopen ende weghgeven souden aen luyden die dat lant verdijcten; ende omdat 't lant nu gebetert ende genut is, soo comen dieghenen die(ns) dat lant te voren was ende niet bedijken wilden en willen haer hant aent lant slaen ende aenvaerden: soo gebieden wij alle Rechters ende Scepenen dat si daer gheer ander vonnis noch bescheyt of en doen en si willen laten gebruyken dengenen die 't van Baljuw van onsen weghen gekoft of gegeven hebben. Ter oirconde....” etc. etc.

 Zo groeit de dijk! Elke roe wordt met oneindig veel moeite aan de zee ontworsteld.... maar ze winnen, onze dappere voorvaderen en na negen eeuwen ligt daar nog onze oude dijk als monument van durf en taaie volharding! Enorme offers hebben onze vaderen daarvoor gebracht.... Bijzonder treft ons dat, als we nagaan hoe weinig inwoners in die oude tijd de dorpen telden: een van de grootste, Grootebroek, kon nauwelijks honderd weerbare mannen leveren.... Hulde, voorgeslacht van ons, voor wat gij voor ons deed!
 De vierde sprong brengt ons enkele eeuwen verder:


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap