Kistemaker

Thuis » Jaarboeken Oud Andijk » 1981 » pagina 11

De wordingsgeschiedenis van "Het Grootslag"

De oudere gronden van West-Friesland -pleistocene zandgronden- liggen op diepten van 12 tot 15 meter. Wat zich daarboven bevindt is allemaal na 5500 v. Chr. opgeslibd, goeddeels als zee-afzettingen: klei en zand.
Omdat de zeespiegelstand nu eens hoger, dan weer wat lager was, lagen delen van het gebied soms min of meer droog en kon zich veen vormen. Dat veen was daarna bij verhoogde waterstand wel weer met klei afgedekt. Door geleidelijke veranderingen kwamen verschillende grondlagen tot stand, die overigens niet altijd gemakkelijk zijn te onderscheiden. De verschillen hangen samen met schommelingen van het klimaat. Een van de voorkomende veenlagen bijvoorbeeld is kenmerkend voor een vochtig-warme klimaatsperiode, die "Atlanticum" wordt genoemd, daterend tussen 5000 en 3000 v. Chr.

De opbouw van het rietveenpakket werd verstoord door een overstroming met zeewater, waardoor zeeklei werd afgezet op het veen.Op die klei -ook wel Wieringermeerafzettingen genoemd- is weer veen gegroeid. Dat moet zo ongeveer 2700 tot 2100 v. Chr. zijn geweest. Beemster- en Wieringermeerafzettingen worden beschouwd als "oude zeeklei". Daarna kwamen weer "West-Friese afzettingen" tot stand tussen 1500 en 1000 v. Chr. als zout- of brakwaterafzettingen.

Nadien vond opnieuw veenvorming plaats op de drooggevallen afzettingen. Omdat er een soort waddengebied ontstond ontwikkelden zich ook lage duinen hier en daar. Er waren enkele diepe geulen in dit landschap met een grillig patroon van zijgeulen. Daarin kwam fijn zand voor. Langs de geulen vormden zich wat hogere oeverwallen van zandig materiaal en daarachter ontstonden slappere kleilagen.

Doordat het landschap was opgehoogd kwam er nu ook niet meer zo vaak zout water overheen en het raakte als broeklandschap met moerasbos begroeid. Doordat het landschap inklonk kwamen de afzettingen in de geulen hoger te liggen. Op die plekken groeide ook bos. Veel namen van plaatsen -eindigend op "woud"- herinneren daar nog aan.

Zo is een heeI variërend landschap ontstaan dat eeuwen achtereen vrijwel droog heeft gelegen ondanks het feit dat het nog niet was bedijkt. Dat bedijken kwam pas in de late Middeleeuwen, zo omstreeks 1100 - 1200 na Chr. En daarmee lag dan ongeveer ook de vorm van de polder vast.


© 2001-2020 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap