Kistemaker

Thuis » Jaarboeken Oud Andijk » 1983 » pagina 7-9

Tentoonstelling "Water in de Polder"

Een polder is een eenheid van grond en water. De grond is de bodem, waarop gewassen kunnen worden verbouwd, waarop dieren kunnen grazen, mensen kunnen leven en huizen bouwen en de dijk die dat alles beschermt.

Water is een, eigen element in de polder. Het is functioneel en er is erg veel aan gelegen dat het polderwater van goede kwaliteit is en een juiste hoogte heeft ten opzichte van het omringende maaiveld in verband met de beworteling van de planten, die in het polderlandschap vrij dan wel gekweekt voorkomen. Van groot belang is daarbij dus dat er een goed waterbeheer en een juiste waterbeheersing is in de polder.

Polders ontstonden toen de mens meer grond wenste te gebruiken voor het houden van vee of het verbouwen van gewassen dan er zonder verder ingrijpen in de natuur, beschikbaar was. Polders ontstonden eveneens toen de mens trachtte de last, het ongemak, van het omringende water te verminderen. Door bedijken kon daaraan tegemoet worden gekomen als vorm van bescherming tegen opdringend water. Dat het water soms over bepaalde perioden begon op te dringen hing weer samen met stijgende vloedstanden in verband met voortgaande afsmelting van het land en Alpine-ijs en de inklinking van de bodem. Wanneer men een stuk land voor vloedwater of hoge waterstand van rivieren afsloot was ook de beheersing van dat water in die door de bedijking - of bekading - ontstane polder noodzakelijk. Door  middel van waterbeheersing moest de poldergrond bruikbaar zijn en blijven. Dus moesten de inpolderaars kans zien het te veel aan water te verwijderen of wel zo nodig water in te laten. De oudste vorm van waterbeheersing is dat men het water via een duiker bij eb op het buitenwater kan laten afvloeien en bij vloed sluit men de duiker met een schuif af. Een belangrijke vondst daarna was de sluis met vloeddeuren, die bij hogere waterstand, werd, dichtgedrukt door het water en wanneer het water zakte werden de deuren door het in de polder hogere water opengemaakt. Geheel automatisch dus. Vervolgens begon men met behulp van de wind molens te laten draaien. Een overbrengingsmechanisme bracht een vijzel of een schoepenrad in beweging en daarmee werd bet water omhoog getrokken danwel uitgeslagen. Was het verschil in waterstand tussen het polderpeil en het water van ringvaart of boezem te groot dan werd dat met meerdere molens overbrugd, trapsgewijze.

Oudere polders hadden vaak resten van moerassige, lager gelegen delen, binnen hun dijk met geheel eigen planten en dierenleven. Soms ook was de hoogteligging van de polderbodem in het poldergebied op diverse plaatsen zodanig verschillend dat men niet kon volstaan met één polderpeil en er twee of meer polderpeilen moesten zijn, waardoor er sluisjes nodig waren in de verbindingen tussen de vaarten, kanalen van de gedeelten met verschillend peil.
Zo zijn er ook polders tot stand gebracht die binnen hun eigen gebied nog een apart poldertje hebben met een eigen waterstand, zoals bijvoorbeeld.het geval is met de heel vroeg ingepolderde polder Mastenbroek tussen IJsselmuiden, Genemuiden en Hasselt.
Daarin ligt nog een apart polderlandje "De Koekoek" met een lagere waterstand dan Mastenbroek.

Het polderwater heeft natuurlijk alles te maken met het verkavelingspatroon. Zelfs bij de vroegere polders en dan denken wij aan die uit de late Middeleeuwen, die al dateren uit de 14de en 15de eeuw en de 16de eeuwse polder de Zijpe in Noord-Holland is het patroon van de verkaveling strak en veelal lopen sloten en wegen geheel paralel en zijn de kavels grotendeels rechthoekig en van gelijke grootte, behoudens die welke door de oorspronkelijke landschapsvorm niet konden worden ingepast in het strakke patroon. Langs de randen van polders en droogmakerijen vinden wij de afwijkende kavelvormen in vergelijk tot de centrale polderdelen.

Polderwater is een eigen milieu, waarin plantengroei een eigen beeld heeft. Waterplanten komen voor in het open water van sloten, boezem en vaarten. Door het afsterven daarvan ontstaat plantenslik op de bodem: modder. Door ophoging komen later ook andere soorten aan bod, waardoor een soort verlanding kan ontstaan in de vorm van rietmoeras. Wat dan aanvankelijk een plas was groeit dan meer en meer dicht tot een moerassige landschapsvorm met geheel eigen planten- en dierenleven. Niet langer overheersen de waterplanten, maar andere soorten krijgen hun kans. Een plas is voor watervogels als eenden en meerkoeten, voor voorn, baars en snoek ern tal van andere soorten. Het moeras van riet en biezen biedt levenskansen voor vele andere, veelal ook kleinere vogel- en andere diersoorten.

Polderwater is gecompliceerd want de hoogte van het grondwater dat uiteraard alle relaties heeft met de stand van het polderpeil heeft alles te maken met de mogelijkheden van de te verbouwen gewassen.
Om de polderpeilen in de polders - vele hoofden, vele zinnen - te hebben en te behouden op het niveau dat het merendeel van de grondgebruikers wensen is een polderbestuur nodig. Tegenwoordig zijn groepn van polders tezamen bestuurlijk georganiseerd. Er is de laatste jaren meer en meer naar concentratie gestreefd.

Het onderwerp "Water in de Polder" wordt deze zomer in een afzonderlijke tentoonstelling behandeld met een aantal facetten in de geest van de tentoonstelling van 1982 "Dijken of Wijken".

Gerrit van der Heide.


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap