Kistemaker NetWerk

Jaarboekjes Oud Andijk » 1990 » pagina 46

Andijk in de eerste helft van de 19de eeuw

Overigens is het aantal zogenaamde huiszittende arrien sterk afhankelijk van de opbrengsten van de landbouwprodukten. In jaren dat de oogst tegenvalt is het niet uitzonderlijk dat 70 á 80 personen voor kortere of langere tijd een beroep doen op de diakonie.

Een heel ander geval van sociale zorg was het verzoek om hulp van Pieter Klaasz Kooiman. op 13 december 1816 schreef Kooinian een brief aan de staatsraad-gouverneur waarin hij uitvoerig de oorzaken schilderde waardoor hij in behoeftige omstandigheden was geraakt. op 18 juni 1815 was zijn rechterbeen tijdens de slag in de velden bij Waterloo "vergruisd". Twee dagen en nachten had hij moeten wachten tot er eindelijk hulp kwam opdagen. In het hospitaal was zijn been afgezet en zijn herstel had maanden gevergd. Voor het ambt van onderwijzer voelde hij zich niet meer geschikt. Zijn grief gold in de eerste plaats het feit dat het land hem met een pensioen ƒ 91 per jaar had afgescheept zodat hij genoodzaakt was om op kosten van zijn familie te leven. Terwijl hij nog herstellende was had de burgemeester van Andijk hem, tevergeefs, aanbevolen voor de post van ontvanger van de direkte belastingen in Hoogkarspel, die door het vertrek van de heer Scholten van Aschat naar Den Haag was vrijgekonen. Ook zijn sollicitatie naar het ambt van gemeentesecretaris van Andijk leverde niets op.
We komen zijn naam nog enkele keren in geheel ander verband in de archieven tegen. Daaruit blijkt dat hij toch weer het beroep uitoefende waarvoor hij was opgeleid. In 1818 was hij onderwijzer in Hoogkarspel, in 1822 in Nibbixwoud, terwijl ik weet dat hij in 1821 tot de sollicitanten behoorde die naar de betrekking aan de Westerschool dongen waarin mijn voorganger Jacob Vis is benoemd.

Een andere slepende kwestie betrof het geval Jan Bergen uit Zuidermeer. Bergen was op 15 augustus 1830 met een paard en wagen van de dijk gereden en daarbij tamelijk zwaar gewond geraakt. Heelmeester V. Hulleman uit Wervershoof, die hem had behandeld, diende een rekening van ƒ 138,05 in bij de gemeente Andijk aangezien Jan Bergen zelf niet in staat was om te betalen. Het was het begin van een langdurige korrespondentie tussen Andijk en talloze andere gemeenten die ofwel verwezen naar weer andere gemeenten (Bergen was namelijk nogal eens van woonplaats veranderd), ofwel brieven eenvoudigweg niet beantwoordden.
Uiteindelijk wees de gouverneur Sint Maarten als gemeente van "domicilium" aan. De manieren waarop de burgemeester en de armbezorgers van die gemeente de vordering van Hulleman trachtten te ontlopen was ronduit beschamend. Omdat het ongeluk in Andijk had plaatsgevonden voelde de burgemeester hier zich verantwoordelijk om de zaak tot een goed einde te brengen. Verschillende keren richtte hij zich tot de gouverneur met het verzoek zijn invloed aan te wenden en om zijn beklag te doen over door de burgemeester van Sint Maarten geuite dreigementen. De laatste brief dateert van januari 1833; de schuld was toen nog niet helemaal voldaan.


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap