Kistemaker

Thuis » Jaarboeken Oud Andijk » 1991 » pagina 51-53

Dieren van Andijk en omgeving

Andijk en het omliggende polderland is niet een uitzonderlijk rijk gebied voor het voorkomen van diersoorten. Voor watervogels in het algemeen is het meer oorspronkelijke cultuurlandschap van de eertijdse vaarpolder zeker wel rijk geweest. Niettemin is er nog een aantal watertjes, waar eenden en andere aan het water gebonden soorten een redelijke bestaansmogelijkheid kunnen hebben.
Maar er is wel wat van het variabele landschap verloren gegaan in een sterkere eenvormigheid. Dit los van het aangelegde bosterrein en het nieuwe natuurbouwlandschap, dat eveneens in het raam van de ruilverkaveling tot stand is gebracht.
Zwanen kan men in aantal broedparen jaarlijks aantreffen op het nest, of later met een groepje jongen statig varend in de sloten. Voor ganzen is het niet een bijzonder fourage gebied, maar in de herfst en winter en vroeg in het voorjaar komen er troepen ganzen over, eerst grauwe ganzen, daarna kol- en rietganzen. Rot- en brandganzen behoren niet tot de gasten meer gebonden als zij zijn aan het Noordzee- en Waddenzee kustgebied.
Eenden, vooral wilde eenden, komen talrijk voor op sloten en plassen, en broeden er ook veel.Een goed deel ervan zijn half tam, bastaarden of echte dorpseenden. Dit in tegenstelling tot de duikeenden als kuifeenden, tafeleenden en enkele malen ook toppereenden en brilduikers. De laatste zijn meer individueel. Dat geldt ook voor de zaagbekken. Het IJsselmeer is vlak nabij en veelvuldig kan men de rap vliegende duikeenden zich in troepen zien verplaatsen. Het IJsselmeer is bij uitstek verblijfplaats voor tienduizenden eenden waaronder ook nonnetjes, de kleine zaagbekken.
In de winter is dit gebied een concentratieplaats voor heel veel vogels die hun broedgebied hebben in noordelijke streken, onder meer in Scandinavië. Het is afschuwelijk dat hier grote aantallen van die vogels omkomen in de fuiken van vissers. Het is dringend nodig dat een studie wordt gemaakt om deze slachting onder onze gastvogels uit het noorden te beëindigen zonder dat de vissers daarvan de dupe worden.
Er zijn telken jaren in voorjaar en zomer ook wel enige bergeenden te zien in de poldersloten.
Voor weidevogels als kievieten, grutto's en in veel geringer aantal wulp en tureluur is het gebied nog wel in trek.Kemphaan zal eertijds wel in redelijke aantallen zijn voorgekomen, maar evenals elders zijn zij vrij zeldzaam geworden.
In de zomer kan men -meestal hoogvliegend- regenwulpen horen overkomen.

(52)

Dat geldt in herfst en voorjaar ook voor o.a.groenpootruiter en zwarte ruiter.
De blauwe reiger is de laatste jaren duidelijk in aantal toegenomen. De roerdomp komt zeldzaam voor.Ooievaars zijn wel eens toevallige, kortstondig verblijvende of alleen doortrekkende vogels.
Roofvogels en uilen zijn niet sterk vertegenwoordigd, behalve torenvalken, die men redelijk veel te zien krijgt, vooral langs de dijk.
Buizerden en kiekendieven zijn wel af en toe te zien.
Aalscholvers vliegen veelvuldig in groepsverband over de IJsselmeerkust of men kan ze op het IJselmeer zien vissen. Meest waarschijnlijk komen deze van de broedkolonie van de Oostvaardersplassen in Flevoland, waar enkele duizenden dieren nestelen.
Futen zijn de laatste jaren ook in dit gebied ruimschoots toegenomen in aantal, de verwante dodaars zien we weinig.
Patrijzen en fazanten zijn er wel,de laatste soort is talrijker dan de eerste, zoals ook in vele andere gebieden.
Van de rallen zijn de meerkoeten talrijk op het IJsselmeer, maar ook zijn er vrij wat broedparen in de polder.Waterhoen is veel geringer in aantal en waterral -hoewel voorkomend- is hier vrij zeldzaam geworden.
Scholeksters kan men zeker in het voorjaar volop te horen en te zien krijgen en er broeden nogal wat paren in het veld of in de wegbermen.
Van de snippen zijn het vooral de watersnip en houtsnip die zich hier vertonen in de wat afgelegen poldergedeelten. Van de meeuwen en sterns zijn de kapmeeuwen sterk in de meerderheid, de stormmeeuw of kleine zeemeeuw aanzienlijk minder in aantal.Zilver- en mantelmeeuwen komen het gehele jaar veel voor op en langs de IJsselmeerdijk. Zilvermeeuwen komen meer in het land voor en vaak ziet men in het voorjaar hier en daar twee zilvermeeuwen samen in de weilanden. Van de sterns zijn het vooral visdieven en soms zwarte sterns, die hier vroeger heel talrijk geweest zullen zijn, maar hard in aantal broedparen zijn teruggelopen. Ook andere sternsoorten laten zich wel eens zien en horen, maar behoren toch tot de uitzonderlijke gasten.
Van de duiven zijn vooral de houtduiven vrij talrijk, maar ook tortelduif en Turkse tortel ontbreken niet. Voorts is de koekoek 's zomers aanwezig.
Gierzwaluwen kunnen vrij talrijk rondscheren door de lucht.IJsvogel is uiteraard een uitzonderlijke verschijning in dit gebied.Spechten zijn door de bonte specht vertegenwoordigd.

(53)

Het voorjaar brengt hier ook leeuweriken in het veld en van de zwaluwen broeden zowel de boerenzwaluw- als de huiszwaluwen in dit gebied bij woonhuizen en boerderijen. Maar de boerenzwaluw is verre in de meerderheid. Kraaivogels zijn vertegenwoordigd door talrijke eksters, kauwen en weinige zwarte kraaien en in de wintermaanden zijn er zeldzaam geworden bonte kraaien.
Van de mezen zijn er het gehele jaar door de kool- en pimpelmezen, ook broedend in boomholten of broedkastjes.Andere mezensoorten zullen incidenteel als meer toevallige gasten voorkomen. Zo ook de boomkruipers.
Winterkoning en roodborst zien we heel vaak rond de woonplaatsen. Zij zijn als de merels echte cultuurvogels. In onze opsomming bij de lijsterachtige vogels de merels en zanglijster te staan, grote lijsters en ook enkele malen wel incidenteel de beflijster. Voorts in de wintertijd kramsvogels en koperwieken als doortrekkers.Tapuiten zijn ook zeldzame verschijningen hier. Van de zangers kunnen wij noemen: spotvogel, fitis, tjiftjaf, maar ook grote en kleine karekiet, bosrietzanger, rietzanger, tuinfluiter, grasmus en braamsluiper. Goudhaantjes zijn hier wel eens als doortrekkers, vliegenvangers, vooral de grauwe.
De heggemus komt algemeen bij woningen, de graspieper in het algemeen in het veld. De witte kwikstaart is vrij algemeen, de gele kwikstaart komt tegenwoordig weinig meer voor.
Pestvogels zijn uitzonderlijke gasten. Spreeuwen zijn er echter bij duizenden, veel ook fouragerend op grasveldjes van tuinen, waar zij de grauwe wormen pikken, de "emelten".
Van de vinkachtigen zijn het de groenlingen, vooral rondzwervend en zoekend naar bessen, de gewone vink, kneu (weinig) evenals de keep. Enkele malen zijn er sijsjes in de elzen. Geelgorsen waren voorheen zeker aanwezig, maar zijn evenals op zo vele plaatsen, nu verdwenen.Rietgors is hier echter nog wel algemeen, sneeuwgorsen zijn er sporadisch in de wintertijd. Van de mussen komen de gewone huismus en de ringmus voor.
Nu zijn er stellig nog een aantal soorten onvermeld gebleven, die zeldzaam zijn waargenomen, maar wij gaan niet uit van het brengen van een totale complete lijst met van alles wat er ooit kan zijn gezien en is waargenomen.

G.D. van der Heide


© 2001-2021 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap