Kistemaker

Thuis » Jaarboeken Oud Andijk » 1991 » pagina 60-66

Op je stoel door West-Friesland: ANDIJK

Toen wij bij de oprichting van het Historisch Genootschap "Oud West-Friesland" een beroep deden op een der voormannen in Andijk, kregen wij ten antwoord: "Kan je begrijpen, we hebben al werk genoeg om den jongens fatsoenlijk Hollandsch te leeren spreken, dan dat we ze nou weer 't boerentaaltje zouden doen beoefenen, waarvan het afleeren zooveel moeite heeft gekost."

Hij vergat of hij wist niet, dat een onderdeel van ons doel en streven niet anders beoogde dan: om het schoone, eigenaardige en het typische van het Westfriesche dialect in authentieke stukken, in proza en poëzie voorkomende, uit een oogpunt van geschiedenis en folklore wetenschappelijk te behandelen, om zoodoende mede te werken aan de bestudeering van onze taal, van welke men meent, dat ze uit verschillende dialecten is opgebouwd. Enfin, 't was te vergeven, als de naam van je dorp vroeger, in beschaafder taal weergegeven, Aandijk was en door verfriessching Andijk geworden is, dan is dat moeilijk te vergeten en blijft er altijd eenige woede bestaan tegen den dieën of het datte, wie of wat er de aanleiding toe gaf. Gelukkig nog maar, dat dijk niet dik geworden is, als in de ouwe dik en de blokdik, want dan zouden ze heelemaal onverzoenlijk zijn geworden, terwijl wij, na deze toelichting, nog hopen, ze eenmaal tot onze medewerkers te zullen mogen rekenen.

Een andere bijzonderheid, aan Andijk verbonden, is deze, dat het vroeger over Bovenkarspel, Grootebroek verdeeld was en eerst in 1812 een eigen gemeente, met een oppervlakte van 1479 bunders, geworden is en waartoe nu de buurten Driehuizen, de Bangert, Geusebuurt, Munniky, de Baede en Broekoort behooren. Deze buurten behoorden voor het grootste deel kerkelijk tot "Wervershove", doch een geschil over het beroepen van een Leeraar deed hen in 1665 van Wervershove afscheiden, waarna zij in 1666 in de buurt van Munniky een kerkje stichtten en een eigen predikant beriepen.

(61)

De beroepen, door hen uitgebracht, hadden echter de approbatie noodig van den burgemeester van Lutjebroek, welke verplichting aan de eene zijde en het recht aan de andere zijde verband hielden met het vroeger behooren van Andijk tot de stede Grootebroek. Door die afscheiding ging een groot deel van hun kerkelijke goederen verloren, doch behielden nog rechten op het weeshuis te Grootebroek, in welks bestuur nog heden ten dage Andijk vertegenwoordigd is.

Munniky, dat haar naam ontleent aan een klooster, dat er vroeger gestaan moet hebben, kreeg in ruil daarvoor een kerk al was 't er ook een van andere richting. Deze kerk wordt "Buurtjes Kerk" genoemd en de doopboog, daarin voorkomende, draagt het jaartal 1668, wordt bekroond door het wapen van Enkhuizen (als schildhouder een vrouw), aan den achterkant waarvan de namen van Gar-brant Vis en Willem Garbrantsz de Jong te lezen staan. De voorzangers-lezenaar, precies als die van de Groote Kerk te Alkmaar, vertoont het Wapen van Alkmaar en ook het jaartal 1668 en daaronder de naam van Hendrik Ris, terwijl ,op den preekstoel, tusschen de letters P. F. S. en D. C. L. het jaartal 1667 staat. De toren is ruim 100 jaar jonger, daar die in 1761 door "De Burgery Gebouwt" is. Op de klok leest men. "Komt Andijks Burgers, wilt U Tempelwaarts. Begeven. De Heer Gebiedt Aldaar Den Zegen En Het Leven".

Kerkelijk kan men Andijk in drie deelen splitsen. Andijk (West), grenzende aan "Wervershove", heeft grootendeels R.C.-bewoners; Andijk (midden) Gereformeerde, hieronder Geelkerkianen, en Oost-Andijk Vrijz.-Hervormden. Voor we van kerk en toren naar het Jongere en nieuwere overdaan, nog één bijzonderheid, die ons naar het grijs-verleden verplaatst. Omstreeks 1483 werd te Andijk geboren Groot Allert Jansz van Egmond, natuurlijke zoon van Jan Ie, Graaf van Egmond en van Josina, dochter van Waerver, Heer van Waerverssoeff. Deze Groot Allert Jansz van Egmond vestigde zich te Enkhuizen en had drie kinderen. De oudste, Wiggert Allertsz van Egmond, trouwde met een zuster van de Semeynsen en werd Dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen. De dochter II, Josina Allerts, dochter van Egmond, trouwde met Isbrand van Waervershoeff en hun kleindochter, Geert Simonsd., trouwde weer met Meinert Simonsz. Semeyns, bekend geworden door de hulp, die hij in de eerste jaren van den tachtigjarigen oorlog aan den Prins van Oranje verleende. III Jan Groot Allertsz. van Egmond, trouwde met Griet Freeksdochter en overleed in 1544 als Burgemeester van Enkhuizen.

In de geschiedenis van Andijk heeft de West-Friesche dijk, vroeger de Keizersdijk, een belangrijk aandeel.

(62)

De jaren 1891 en 1916 hebben daarvoor gezorgd, het eerste door de daarin plaats gehad hebbende ijsgang, het tweede door de bedreigende doorbraken. Die ijsgang is beschreven in een 50 coupletten lang gedicht van Ossenkooper en kan door zijn uitvoerigheid hierin niet worden weergegeven, maar in de "Enkhuizer Courant" van 16 Januari 1891 leest men daarover het volgende:

"Een nacht vol verschrikkingen. C. Smit te Oosterdijk had gisteren koffiegasten, die gezellig bij elkander zaten en een kaartje keerden. Plotseling schrikten zij op door een geduchten schok. Het dreunde alsof er een aardbeving was. Daar moeten zij meer van weten. Zij staan op en gaan naar buiten. Een nieuwe schok voor tegen het huis, dat reeds begon te wankelen, alweer een! Het huis stort in en kachel en lamp stichten brand, die in korten tijd alles verteert. Dit brandgerucht brengt natuurlijk de buurt, ja, het geheele dorp in opschudding en nu blijkt ook bij anderen soortgelijk gevaar te duchten, ook de Oosterschool wordt gedeeltelijk vernield; ook een winkelhuis ten westen is zwaar beschadigd en dit alles wordt veroorzaakt door het kruien van het ijs, dat, door den noorden- en noordwesten-wind opgestuwd, langs de dijkheiling komt opzetten, en in groote, dikke schotsen op en over den dijk schuift, alles vernielend wat het op zijn weg ontmoet. Het boedeltje van D. de Vries schijnt geheel vernield, niet alleen door het ijs, maar ook door water uit de brandspuit, en in zijn winkeltje is alles verpletterd. De woning van A. de Vries zit tot aan de dakgoot in het ijs, bij de wed. J. Koster is de haardstee van zijn plaats geschoven, bij K. Koster de wand beschadigd enz.

't Is langs de geheele Noordkust aan de Zuiderzee een tooneel van ruwe verwarring. Ter plaatse waar de Engelschman gisteren met zijn gezellen den dijk af op het stille ijsvlak de reis naar Stavoren aanving, ligt nu het ijs in heuvels boven op en over den dijk. Langs den Wierdijk te Enkhuizen komt het ijs hier en daar over den hoogen muur kijken."

De storm en het hoogwatergetij in 1916, in den nacht van 13 op 14 Januari, maakten het nog veel erger en benauwder in Andijk. Was de hoogste waterstand tot toen 2.40 + A.P. in 1883 geweest, in 1916 steeg die tot 2.42 en 't is weer de "Enkhuizer Courant" die ons de beschrijving er van levert:

"'t Was een nacht vol angst. De storm heeft verwoestingen aan den dijk aangericht zoo groot en zooveel, als bij menschenheugenis nog nooit gebeurd was.

In den Molenhoek, dicht bij het gemaal "Grootslag I", sloegen de golven over den dijk, waardoor de binnenkant geheel uitkavelde. Twee huizen werden daardoor vernield. Even daarna ontstonden zulke uitkavelingen bij de Meestoof.

(63)

Verder oostelijk is het nog erger. 's Morgens 4 uur á half vijf ontstonden er uitkavelingen tusschen den Bakkershoek en de Gereformeerde Kerk. Huizen aan den dijk werden vernield. Eén vrouw kon niet meer uit haar huisje komen. Eerst moest er een gat in de bedstede gezaagd worden.

De dijkgracht op de hoogte van de Gereformeerde Kerk is door de afschuiving geheel gedempt. Bij de Tent is de dijk zoo smal geworden, dat paard en rijtuig er niet meer kunnen passeeren. Aan den buitenkant zijn ontstellende gaten in de steenglooiïng geslagen. Steenen van 200 K.G. zijn uit den toon van den dijk door het water naar boven geschoven. De buitenpolder bij Wervershoof is ondergeloopen. De muren van het buitenhuis zijn geheel ingedrukt. Huisraad en meubelen drijven rond. Het vee werd inderhaast in de steenkolenloods van het Grootslag gebracht. De telefoonleiding is op sommige plaatsen geheel vernield.

Hoeveel duizenden dakpannen er gesneuveld zijn, is nog niet te begrooten. Om zes uur, half zeven, begon de wind te minderen en was het grootste gevaar voorbij.
't Heeft,geen haar gescheeld, of een doorbraak had plaats gehad. Door inderhaast zeilen aan den binnenkant te leggen, wist men den dijk te behouden.

De schade aan den dijk is groot. Honderden zijn aan het werk gegaan om aan den binnenkant kistingen te slaan. Mocht de storm zich weder verheffen, dan is de dijk niet te houden, want er zijn wel een twintig plaatsen, waar gevaar dreigt.
Met vol vertrouwen zag ieder altijd op naar den grooten sterken dijk. Een doorbraak was niet meer mogelijk, meende men. Doch alle menschenwerk blijkt klein tegenover de natuurkrachten.

Velen waren er, die hunne huizen gingen verlaten en de schuiten gereed maakten.
Aan den Oosterdijk moet het gevaar ook groot geweest zijn, vooral aan den buitenkant.
De Immerhorn-polder buiten den Oosterdijk, is volgeloopen." (Dat is de polder die op een Handvest van Hartog Aelbrecht in 1401 drooggemaakt mocht worden en in welke men in 1720 de toegang tot een nieuwe haven voor Enkhuizen wilde graven.)

Sedert dien is de dijk een voorwerp van aanhoudende zorg geworden. Door toepassing van de onteigeningswet kon de dijk belangrijk, ik mag wel zeggen, uitstekend verzwaard worden, waardoor zijn weerstand een dusdanige is geworden, dat vrees voor doorbraak niet meer bestaat. De huizen moesten daarvoor achteruit, de dijkgracht verlegd en nieuwe wegen aangelegd.

(64)

Wat Andijk een heel ander aanzien heeft gegeven ten goede. Omtrent de Wegen van vroeger las ik onder andere in een reisbeschrijving door Andijk:

"Hoe glad en slibb 'rig zijn de wegen
Hoe langzaam treën de paarden door de Klei
De wagen zakt er in. Ik zou een hei
Verkiezen voor deeze akelige paden,
Die 't hert met vrees en kommer overladen."

In een beschrijving van Andijk uit den jare 1732 wordt het "een gehugt met een Kerkje voorzien" genoemd, maar die zou nu heel anders luiden. Bestond de bevolking in 1822 uit 1253 zielen, thans telt die 3941 en daaraan evenredig is de bloei ende welvaart der gemeente toegenomen. Daartoe heeft niet weinig meegewerkt de gedaanteverwisseling der bedrijven: 't land van veeteelt zag de veeteelt vervangen door landbouw, die op haar beurt voor tuinbouw, bloementeelt en zaadwinning, wijken moest en 't waren vooral de bloembollen en fijne zaden, die de welvaart hebben binnengeleid. Vroeger was Andijk vermaard door z'n aardappelteelt en van de Andijker muizen (de naam van een bekende aardappelsoort) ging een groote roep uit. Andere eischen, vooral met betrekking tot het gewicht, aan de aardappelleverantie gesteld, vroeger onbekende ziekten en kunstmest, hebben daarin de wijzigingen gebracht, die de Andijker Muizen en de Opperdoezer Ronden van de aardvlakte hebben doen verdwijnen. Ook het verkeer te water en ter weg heeft Andijk een heel ander aanzien gegeven, de hollebolle-wagen en de schuit met de kloet zijn vervangen door velocipède, stoomfiets, auto en autobus, en de motorschuit bracht de versnelling op 't water. Het vereenigingsleven ging in die vlucht mee, er zijn verschillende rederijkerskamers, oost, midden en west houden er den lust in door gepasten wedijver en in 't algemeen wordt daar de kunst gediend op een wijze, die waardeering en bewondering afdwingt. Tot de merkwaardigheden van Andijk behoort de Stoomwatermachine, die den polder Grootslag bemaalt en waarin de nieuwste vindingen op machinegebied toegepast zijn geworden.

Maar Andijk is in de laatste jaren beroemd en alom bekend geworden door z'n proefpolder, die zooveel duizenden bezoekers weet te trekken, dat men 't onwillekeurig betreurt, dat daarvan niet meer profijt kan worden getrokken. Bij den hoofdingang een flink koffiehuis, waarin de wanden der kamers versierd waren met kaarten, plattegronden, illustraties, op den proefpolder betrekking hebbende, zou overweging verdienen.

(65)

In den polder, evenals in de drooggemaakte Wieringermeer, is tot heden nog maar weinig gevonden, wat aan het grijs verleden denken doet. De opgegraven steenen lijkkisten, in de Wieringermeer gevonden, kregen een plaats in 't West-Friesch Museum te Hoorn en bij de boerenplaats in den proefpolder zelve ligt een grafsteen, met aan de zijde links een zandlooper en rechts een doodshoofd, in 't midden een schild en beneden een gekroonde staaf tusschen 2 hamers. Daaronder leest men: Sepulture.van MR STEVEN DE VALCKENEARE FS, JANS in zijne leven MR. CANSIJDER DESER STEDE vâ GENDT! / Die Overleet de Xllle July 1594 / EN vâ GUILLIAME DE VALCKENAERE / FS. MR. STEVENS oock Cansijmeester / Dezer stede vâ int Jaer 1594 ên / vier jaer deken vâ et Ghul den van / Onser liever vrauwe deser Kereke / vâ St. Pieters oock vier jaer heligh / Gheest Mr. der Zeluer Prochie die Overleet dê Xlllen Meije 1632 / en vâ MARGRIETE vân ZWALLEWE Fa. MR. JOOS zijn Gheselnede die over / leet den XXVlen Jannewary 1624 / Metsgaders van Jannekin de Valcke / (n) eare hearlieder beede dochter / overleet dê eersten Augustus (XVI) CXI. -Bidt voor de zielen.

Het proefstation in den polder heeft aangetoond, dat de gronden daarin van uitstekende kwaliteit zijn en tot het tel van alle hier gevraagde gewassen in staat zijn. Alhoewel gemeentelijk tot Enkhuizen behoorende, past bij de bespreking van Andijk ook de vermelding van "de Tent". Dat is de naam van het gebouw, waarin het Bestuur van Drechterland vroeger z'n vergadering hield en z'n naam dankt aan de paalworm die het paalwerk der zeeweringen doorknaagde en in 1731 West-Friesland met een schrikkelijke ramp bedreigde. De angstverwekkende ontdekking der paalworm, wier vernietigend werk een nauwlettend toezicht noodig maakte, deden Drachterlands Bestuurderen daar ter plaatse daartoe een tent bouwen, welke nu nog den naam van het gebouw verklaart. Het bestaat uit 2 gedeelten: het voorste is de woning van den opzichter, het achterste de eigenlijke vergaderzaal. Boven de kroonlijst van het laatste staat een fraai uitgesneden houten bord met de wapens van West-Friesland en Drechterland, omringd door versierselen in Lodewijk XIV-stijl. Tegenwoordig wordt er nog maar tweemaal 's jaars vergaderd, in het voorjaar om de te maken werken te bespreken en in het najaar ter afschouw der gemaakte werken. Bij storm is er gewoonlijk een Heemraad in aanwezig. Van binnen is de schouw bezienswaardig. Het bovengedeelte daarvan wordt door een verdienstelijk schilderij ingenomen, voorstellende een schip, dat op een rots dreigt stuk gestoten te worden. Bij de rots staan een herder met een hond, twee landslieden, een monnik die een kruis omhoog houdt om de redding der schepelingen af te smeken.

(66)

De naam van den schilder schijnt A. Brouck te zijn. De omlijsting van de schilderij is een waar kunststuk, waarin men van boven in 't midden de wapens van West-Friesland en Drechterland ziet geflankeerd door die van Pieter Opperdoes en Hero Baanman, gecommitteerde raden, terwijl beneden die van Jacob Spiegelmaker, gecommiteerden raad en van Mr. Albert Koninck, Secretaris van Haar Edel Mogende, prijken. Ter weerszijden bevinden zich nog de wapens van Mr. Joan de Jong van Persijn en Mr. Wynand van Nieuwstadt, beide Dijkgraven, Pieter Straat, Simon Brouwer, Jan Peereboom, Gerrit Schenck, Jan Brugh, Dirk Jacobsz Nierop, Bart Dirksz Laagland, Adriaan Warmenhuijsen, Dirk Botjager, Willem Bolk, Wouter de Jong, waarschappen en Seger Lakenman, Secretaris. Waarschijnlijk dateert het huis van 1832.


© 2001-2021 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap