Kistemaker

Thuis » Jaarboeken "Oud Andijk" » 2007 » pagina 32-33

Ervaringen van een onderduiker

Guus van Gelder

Onderduiken, de reden ervan kon toch wel behoorlijk verschillend zijn. Zo werden onze Joodse landgenoten al snel na de Duitse bezetting vervolgd, en velen van hen verdwenen uit het zicht van de bezetter, jammer genoeg hadden dat er meer moeten zijn. Maar eer het idee "onderduiken" gemeengoed werd in ons land, moesten er rampzalige dingen gebeuren. Ook een flink aantal mensen die om politieke redenen achtervolgd werden moesten al snel na de capitulatie in mei 1940 een goed heenkomen zoeken. Zoals gezegd, was dat eenvoudiger gezegd dan gedaan, want het besef dat er landgenoten waren, die tegen het belang van de bezetter in, geholpen moesten worden moest nog groeien. Globaal gezien was het begin 1943 dat hier door de keiharde feiten verandering in kwam. De Duitsers begonnen massaal onze jonge mannen, gedwongen, op te roepen om naar Duitsland te gaan werken met name in de oorlogsindustrie, maar ook in de landbouw. Hoe groter het verzet hiertegen steeg, hoe spontaner werd er ruimte om onder te duiken beschikbaar gesteld. Let wel, je haalde hiermee een flink risico in huis, want er stonden zware straffen op.

Hoe ging dat in Andijk.
Als het over onderduikers gaat heeft Andijk in die oorlogsjaren een flinke rol gespeeld. Drie à vierhonderd jongens en mannen hebben bij de Andijker bevolking een hartelijk onderdak gevonden op het moment dat zij "weg" moesten zijn. Ze kwamen uit het hele land, maar ook verschillende Andijker jongens bleven "gewoon" thuis op het moment dat zij opgeroepen werden. We zetten "gewoon" tussen haakjes want het was wel zo dat de Duitsers niet keken of je van Andijk kwam of b.v. Rotterdam, als je het geboortejaar had wat naar Duitsland moest en je viel in hun handen dan was je de pineut. Een half jaar lang hebben nog een groep jongens, die in de tuinbouw werkten een z.g. "ausweis" gehad, een vrijstelling omdat ze in de voedselvoorziening werkten. Maar vanaf 1 november 1943 was dat ook afgelopen.

Er waren in Andijk verschillende verzetsorganisaties die zich bezig hielden met het onderbrengen en verzorgen van de onderduikers. Dan zorgde men er voor dat de jongens de nodige distributiekaarten ontvingen waardoor de pleeggezinnen niet tekort kwamen bij alle zaken die slechts met bonnen verkrijgbaar waren. Laten we niet vergeten dat die bonkaarten haast allemaal verkregen werden door overvallen, welke verzetsmensen met gevaar voor eigen leven, pleegden op distributiekantoren.
Natuurlijk werd er jacht gemaakt op die onderduikers. Het was beslist niet zo dat je als onderduiker geheel vrij rond kon lopen over Andijk. Dat was soms een heel moeilijke zaak, het waren immers meestal jonge kerels die in de bloei van hun leven verkeerden, zij kwamen natuurlijk in aanraking met het jonge Andijker volk, veelal door het werken op het land wat de meeste onderduikers bij het pleeggezin verrichtten. Maar in die twee jaar zijn er heel wat razzia's geweest en meestal in de nacht. Hoe het alarmsysteem van de verzetsorganisaties precies werkte heeft ondergetekende nooit geweten, vrij zeker hebben de beide postkantoorhouders, mevr. de Haas-Luyt op west en dhr. Timmerman op oost er een behoorlijk aandeel in gehad. Zij beschikten tot kort voor de bevrijding nog over telefoon, maar zij deden dat risicovolle werk puur in het geheim. Zodra er bij het verzet bericht over zo'n razzia binnenkwam gingen er, ieder met een eigen wijk, medewerkers bij de onderduikadressen langs. Ik weet alleen dat de man door de deuropening alleen maar riep: "Vannacht wegwezen!"

Bij het donker worden op zo'n avond gingen er tientallen schuiten, groot en klein door de sloten heen richting "Zuidop", zoals dat heette. Er stonden toen vele "boetjes" in de polder. Normaal deden die dienst voor de tuinders om er te schaften of om bij regen te schuilen. (Er staat nog zo'n boetje hier in ons museum) Maar in die tijd werden al die houten boetjes veel ook 's nachts gebruikt door drie a vier onderduikers. Het was natuurlijk zeer behelpen en van slapen kwam dan ook meestal niets, bovendien moest er altijd eentje wakker blijven en zo nu en dan de sloot afkijken of er soms onraad kwam. Gelukkig zaten we er wel vrij veilig, want de Moffen hadden er een hekel aan om het water op te gaan, ze zouden er in het donker ook gauw verdwalen in de wirwar van sloten die onze polder toen kende.

Enkele keren gebeurde het dat de Duitsers met enorme schijnwerpers vanaf de Enkhuizerdijk, of aan de andere kant vanaf Zijdwerk de polder afzochten, maar dat stelde natuurlijk niet veel voor. Als het daglicht weer verscheen, was er altijd wel een afgesproken teken met het thuisfront over veilig of niet. Zo weet ik van een wit laken aan de achtergevel van ons huis wat ons naar huis riep. Ja, dan kwam je thuis en dan kon je ontbijten en dan ging je weer de polder in om te werken. Als dat soms twee nachten achtereen was, nou dan was het overdag wel eens moeilijk om wakker te blijven.

In de winter was het nog erger, dan lag er soms ijs waar je nog niet overheen kon, maar ook niet meer met de schuit kon varen. Dan moest je thuis in een geheime bergplaats die er in vele varianten waren. Het risico van gepakt worden was dan wel groter, dus ook de spanning nam dan flink toe. Toch kon naderhand vastgesteld worden dat er relatief weinig mensen als onderduiker gepakt werden. Dat was dan ook te danken aan alle Andijkers die zich in die jaren hebben ingezet om vele jongemannen te beschermen die niet, tegen hun wil, bij de bezetter moesten gaan werken. Een teken van dankbaarheid kunnen we altijd nog terugvinden in ons Onderduikermonument.


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap