Kistemaker NetWerk

Kistemaker Archief » Proza en Poëzie » Pagina 2

2. Interludium...

Regendag. Woeste zee.. grauw, met wit-kransend schuim. Daarboven een wilde lucht: wolkenflarden, snelzeilend als jachten. In de verte een loodgrijze bui. Golven klotsen tegen koppige keien... trekken geslagen af... keeren krachtiger weer, botsen tegen zware ducdalven, die staan als oue, grijskoppige reuzen. Havendam wijkt niet: reuzenarm van machtigen beschermer!

Klein en veilig daarachter de scheepjes, groepjes van twee en drie, zeilen geborgen, masten kaal, kleffe, zwiepende touwen, bleeke wimpels. Vrouwen buurten aan lage roefdeurtjes, wilde windwappert woorden aan flarden... Schipper verft naambord kleurig bij... Als vergeten bouwdoos ligt stadje: trapgeveltjes halfverscholen achter boomengroen, toren als stoere wachter... Heel hoog tjingelen kleine klokjes gedenckclancken: "Merck - toch - hoe - sterck - dat.werck.sich.daer.al.stelt!"

Wielen knerpen op kiezels. Wakkere wind werpt fijn kiezelstof achter wielen weg, sproeit stofregentje over armetierig gras van havendam. Hotsend komt gammele handkar aangeschommeld. Sjofele kerel sjokt traag achter kar aan, zwikkend bij elke stap. Geruite pet hangt scheef op lichtblond, stoppelig haar. Vale afgedragen staartjas reikt tot knikkende knieen. Uit grijze streepjesbroek steken magere spillebeenen in paarse sokken. Zwarte klompen zijn vlakversleten... Zijn rood gezicht heeft staag zoetelijke lach, fletse, grijze oogen schuilen onder borstelige brauwen. Eentonig galmt over scheepjes en haven zeurige roep: "'t Sijne - moowje - soet' aeppele, ...moowje, soet' aeppele!" Wilde wind waait lijzige roep aan flarden... Vrouwen zien op, staken buurpraatje, luisteren... lijzige roep houdt gedurig aan: "moowje soet' aeppele... moowje, soet' aeppele!"

Kar staat. Luie kerel hangt loom ertegen, ziet lijdzaam toe hoe schippersvrouwen haastig voortdrentelen, reeling langs, loopplank over, havendam op naar wachtende kar... Van groot, plomp turfschip komt haastig slonzige vrouw, haardos als overjarig roekennest, blauwe, natplekkerige boezeklaar over donkerbruine rok, drenzend kind snelvoortsleurend over loopplank. Begerig dringen vrouwen om groentekar, groezelige grijpvingers graaiend in uitschotje: zwartbeplekte rooiekool, vellooze uitjes, schrale bietjes, onvolprezen appeltjes... "Moowje soet' aeppele," zegt toonloos slungelige koopman. Vrouwen smoezen achter schortepunt, belachen sullige kerel, dingen hebberig af op toch-al-lage prijs... Luie vent, begeerigloenschend naar wit-blinkend geld in vuile vrouwenhanden, geeft dralend toe, dom gezicht jammerlijk mistroostig, stort om-armde maat uit in plekkige werkschort. Joelend verlaten vrouwen armzalige koopman, dalen dijk-af naar scheepjes, bergen buit veilig achter lage roefdeurtjes..

Sullige vent blijft alleen op troostelooze havendam uitzien naar woeste zee en waterwitte verte... Restantje groente breekt zijn droom. Even licht wat blijheid in fletse oogen, vreugde om zilveren geldje, veilig in blauw beursje! Williger keert hij halflege kar, hotsebotst terug over havendam... Wielenratel klinkt als lach. Lijzig nog... toch even doorwarmd van innere vreugd, galmt nu van overzij zijn zeurige roep: "moowje, soet' aeppele!"

Toren sprenkelt gedenckclancken neer...
Stadje ligt vergeten... mooi...
Scheepjes rusten klein en veilig... Havendam beschut met sterken arm!
Buiten loeit woeste zee... grauw...
Kim-ver groeit nieuwe bui... blauw.

Piet Kistemaker.

Gedrukt in "van Houten's Eigen Tijdschrift"


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap