Kistemaker NetWerk

Kistemaker Archief » Proza en Poëzie » Pagina 25

25. Ik zoek mijn voorvader

Voordracht voor Woordkunst
op Donderdag 11 Mei 1939.

"Doe je best en veel succes!"
Dat is zo de gebruikelijke wens aan hem, die zich met "voorvader-onderzoek" bezighoudt. Maar verder interesseert het maar weinigen.
Wat heb je er aan? Die oude mensen zijn allang dood en begraven.Het dagelijkse leven geeft elke dag nieuwe drukte. "Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad"

Hoe ik er bij kwam? Ja, dat is niet zomaar ineens te zeggen. Je moet voor zoiets voelen natuurlijk! Wie weinig geduld heeft, zal er uiteraard nooit toe komen, want deze "weg-terug" is uitermate lang en vordert veel tijd. Een van de oorzaken is wel, dat ik in Westfriesland ben geboren. Als je telkens moet vragen; "welke Jan Sluis en welke Klaas Vriend en welke Piet Groot", dan kan dat een aanleiding zijn om naar de voorvaderen van die mensen te gaan vragen. En dan kom je met Jan Sluis Pieter Corneliszoon en Klaas Vriend Nanne Janszoon, al dadelijk twee geslachten terug.

Wie waren dat, die oude Cornelis Sluis en die oude Jan Vriend? Wanneer hebben ze geleefd? Waar zijn ze geboren? Hebben ze hier altijd gewoond, of kwamen ze misschien uit een andere streek, een ander land? Wat weten we weinig, zelfs van onze bloed-eigen voorvaders uit de vorige eeuw! Wat weten we ervan, wat ze geliefd en geleden, gebeden en gestreden hebben in een tijd, die minstens zo spannend was als de onze? Onze grootvaders, over-grootvaders en bet-overgrootvaders en niet minder de moeders, van hetzelfde bloed als wij, die ons de levensfakkel gaven om verder te dragen.

Hoe kunnen wij er meer van aan de weet komen? Daar is eerst de mondelinge overlevering van ouder op ouder, maar deze bron is al spoedig uitgeput! Hoewel gemakkelijk om een begin te krijgen, levert deze navraag bij oude mensen gewoonlijk weinig positiefs op. Hun herinnering wordt te vaag, ze haspelen de boel vaak door elkaar, ze weten het niet zeker meer. Daarom, wie meer van zijn voorouders wil weten, komt vanzelf terecht bij de archieven.

Dat klinkt mogelijk wel wat geleerd, maar het is toch zo heel eenvoudig, een kind kan de was doen, tenminste wat betreft de archieven van de Burgerlijke Stand in de 19e eeuw. Ieder heeft natuurlijk wel eens een trouwplechtigheid in het Raadhuis bijgewoond. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand zegt dan plichtmatig een formule uit een groot boek en de getuigen schrijven hoogst eigenmachtig hun handtekening daaronder, "de trouwacte is gepasseerd", heet het dan in officiele stadhuistaal.
Waar blijft nu zo'n acte verder? Wel, deze wordt keurig netjes bewaard in het archief. Alle acten, ook die van geboorte en overlijden worden eens per jaar "hogerop" geregistreerd en na goedkeuring weer naar het Raadhuis gezonden. Daar worden ze bij bundels van 10 jaar bijeengebonden en van een "klapper" voorzien. De ambtenaren kunnen dus met recht zeggen: "Wij denken in decennia".

Wie dus wil weten wanneer zijn voorvader of -moeder geboren werd, of trouwde, of stierf, kan dat op het Raadhuis aan de weet komen. Maar de fiscus is er ook nog en voor het geven van inlichtingen moet "leges" worden betaald. De ambtenaar geeft U dan een kattebelletje met een zeer verkort uittreksel van de betreffende acte. In de tijd toen ik met mijn onderzoek bezig was, bofte ik eens uitzonderlijk te Midwoud, waar ik zelf alles uit mocht zoeken, zonder kosten. We danken die keurige verzorging van de Burgerlijke Stand aan Napoleon en meer bepaald aan Graaf de Celles, die bij circulaire van dato 10 juni 1811, het bijhouden van de registers van de Burgerlijke Stand verplicht stelde. Want voor die tijd bestond die verplichting niet.

Er was geen eenheid van Burgerlijke Administratie, voor 1811. Het was de Kerk, die de boeken bijhield en dat gebeurde maar al te vaak slordig! Gedrukte formulieren zoals tegenwoordig, werden toen niet gebruikt. De gegevens liggen verspreid in verschillende boeken, verschillend van vorm en dikte, verschillend ook van handschrift. Nu is het schrift in die oude boeken vooral van 1750 tot 1800 meestal fraai, met sierlijke krullen en uithalen. De 18e eeuwse predikanten schreven vrij wat fraaier met de goed versneden ganzeveders, dan hun moderne collega's met hun Parker-Duofold of ballpoint. Zolang er een dominee ter plaatse stond ging het gewoonlijk vrij goed, maar in de vacatures...? Dan moesten de kerkeraadsleden de boeken bijhouden en daar waren er verscheidene bij, die beter de hooivork dan de ganzeveder hanteerden. Als ze hun handtekening moesten zetten, was een "kruisje" het merk van Willem Pietersz. en een "wijnglaasje" het merk van Dirck Jansz. Tot het simpele schrijven van hun naam waren de broeders niet in staat.

Ieder begrijpt, dat zodoende de boeken soms hinderlijke hiaten vertonen, die het onderzoek vaak bemoeilijken of geheel kunnen doen ophouden. Wie dus omtrent zijn voorvaderen genoeg meent gevonden te hebben bij de Burgerlijke Stand op het Raadhuis, kan zijn onderzoek voortzetten in de kerkelijke archieven. Deze zijn vaak nog ter plaatse in te zien, in de consistorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Ze worden niet overal even zorgvuldig bewaard en nog vaak als "oude rommel" beschouwd, hoewel ook hierin de laatste jaren veel verbetering is gekomen. De oude rommel wordt waardevol "erfgoed". Soms worden ze zorgvuldig bewaard en in een brandkast gesloten, doch meestal in een gewone kist met hangslot. Op Wieringen vond ik ze destijds bij een bakker op zolder, een beste plek om archieven te bewaren. Meestal echter is ter plaatse weinig te vinden, mogelijk nog een "rekeningenboek", een "avondmaalsboek" en een "notulenboek". De "doopboeken", "trouwboeken" en "begraafboeken" zijn, wat de provincie Noord-Holland betreft, naar Haarlem verhuisd, waar ze netjes en brandvrij in het Rijksarchief worden bewaard. Alles is genummerd en gecatalogiseerd, zodat het heel gemakkelijk is het betreffende boek te vinden.

De toegang is vrij en er is een ruime leeszaal, waar ieder kosteloos kan lezen en overschrijven wat hij wil. Zoals gezegd zijn de boeken verschillend van dikte en formaat, al naar gelang de Gemeente groot was. Soms zijn ze lang en smal en is er haast onleesbaar in gekrabbeld. Sommige leraars hadden blijkbaar de gewoonte de boeken mee te nemen "op stoel" en gebruikten daarom zo'n zakformaat model. Ze zijn echter ook wel groot en zwaar en bevatten de dorpsgeschiedenis van meerdere eeuwen. Uniformiteit was er voor 1811 niet bij!

Voor genealogisch onderzoek is het "doopboek" het voornaamste, immers hierin worden ouders en kinderen genoemd, soms ook de doopgetuigen en is het vrij gemakkelijk in zo'n boek de levensdraad van een bepaalde familie in vorige eeuwen te volgen. In het begin, dat wil zeggen omstreeks 1600, wordt de vader alleen genoemd en de moeder niet. Er staat b.v. 5 November 1600; Symon Kistemaker, tkint genaempt Tryn. Later b.v. plm. 1700 wordt ook de moedersnaam genoemd. 9 Maart 1725; Jacob Florisz. Beschuyt en Cornelisje Jans, het kind Antje. Zoals U ziet, wordt van de man de familienaam wel, maar van de vrouw niet genoemd. Die heetten gewoon Aaltje of Jans, of Grietje Pieters, zonder meer. Omstreeks 1750 worden ook de doopgetuigen genoemd, bv. 14 December 1755; een kint uit de Mosseltuyn, vader Jan Claasz. Donker, moeder Tryntje Pieters Hof, tkint Pieter, peet; Aafje Crelis vrou van Jan Palesteyn uyt de koy van Andijk.
Dat is dus al tamelijk volledig.

Maar pas onder Frans bestuur wordt de aantekening uitvoeriger. Er is een streven merkbaar om het zo duidelijk mogelijk te doen, maar door die uitvoerigheid, wordt het niet altijd beter.
15 Maart 1795, voor de middag te Abbekerk gedoopt, een kind van Cornelis Kistemaker en Gerritje Claas' Koppedrayer, zijn huisvrouw is genaamd Dieuwertje, getuige; Geertje Pieters' Kistemaker. Het kind was geboren 13 Maart 1795. Ook het pogen is schoon!

Sinds 1757 bestonden er voorschriften van de Edel Mogende Heeren Staten van Holland ende West Vrieslant, tot betere registratie. Zo moesten onder meer de boekingen in duplo geschieden, wat met het oog op brandgevaar, wegraken enz. wel nodig was. Belangrijke gegevens levert ons ook het "trouwboek", waarin de kerkelijk ingezegende huwelijken werden ingeschreven. Het burgerlijke huwelijk werd voor Schout en Schepenen voltrokken en is te vinden in de "Schepen-trouwboeken". De kerkelijke boeking is ook hier zonder uniformiteit, soms breedvoerig en plechtstatig, soms zo kort mogelijk. Zo bv. 6 May 1668. Pieter Jansz. Hardebol, jong ghesel ende Tryntje Freericks, jonghedogter, beyde van Enckhuysen, syn na drie solomneele publicatieen alhier in den huwelycken staat bevestight. Maar ook wel zo; 1734. 31 October. Pieter Cornelisz. (W) en Anne Maartens (W) beyde Andijk.

Zoals U ziet, man en vrouw beiden zonder familienaam en zo gaat het soms
30 - 40 jaar door. Dan wordt het wel erg moeilijk het zo vreugdevol gevonden spoor te blijven volgen. Nog moeilijker wordt het wanneer de familie in zo'n periode een paar maal verhuisd is, wat in die onzekere tijden lang niet zeldzaam voorkwam. Zijn de geboorte en trouwdatum van Uw bet-overgrootvader nogal gemakkelijk te vinden, minder goed zal dat lukken met de sterfdag, tenzij de treurende nabestaanden een grafzerk hebben doen plaatsen. En dat was voor de meesten een te kostbare geschiedenis. Geboekt is die sterfdatum altijd lang niet, vooral niet voor 1700. De oude dominees schreven wel eens een enkele maal "obiit" achter een naam, maar dan veelal nog zonder datum, zodat het van vele voorvaderen niet nauwkeurig is te bepalen, wanneer ze overleden zijn.

Dat werd anders in 1696. Toen werd de "impost" op het trouwen en begraven ingesteld door de Staten van Holland. Het volk was met die nieuwe vorm van belasting natuurlijk niets ingenomen en er kwamen zelfs relletjes van, o.a. te Amsterdam, waar het huis van de Engelse Consul Kerby, die de geestelijke vader van deze belasting was, geplunderd werd.
De bevolking werd voor de "impost" verdeeld in klassen. De aller-armsten werden "pro Deo" getrouwd en begraven en behoefden dus niets te betalen. De overigen betaalden; 3 - 6 - 12 - 15 gulden, al naar ze rijk waren.
Vrijgezellen moesten voor straf dubbel betalen. Zo vond ik bv. te Spanbroek; 17 Juni 1743. Claas Claasz. Sluys, ongehuwd, dus dubbel 3 is 6 gulden.

In de "begraafboeken" is soms een plattegrond getekend van de beschikbare graven in de Kerk, welke graven door het kerkbestuur, voor een bepaalde tijd in bruikleen gegeven werden. De armen, die geen graf konden betalen, werden buiten de kerk en op het kerkhof begraven. En dan heette het nog, dat voor de armen het kerkhof gelukkig dichtbij was. Een zeldzame keer werd een verarmde in de kerk, in een familiegraf begraven "pro Deo".

Zo vond ik b.v. te Oostwoud:

Graf no. 56; 21 Febr. 1786 is begraven Jantje Symons'   Kistemaker, een kind, pro Deo.

In hetzelfde graf;

Den 6 Julius 1792 is begraven, Lijsbet Cornelis' Jongert, huisvrouw van Symons Kistemaker, 3 guldens.

De man was dus tot de laagste klasse gepromoveerd. Of heeft hij, ondanks zijn bittere armoede, althans zijn geliefde vrouw "een eerzame bestelling ter aarde" willen geven?

Ook werd bij het huren van een graf wel bepaald, dat het "zo en zoveel jaren" gesloten moest blijven, b.v. te Oostwoud.

Graf no. 42. 29 Juli 1796 is begraven, Cornelis Jongert.
Dit graf mag in geen 25 jaar geopend worden. 15 gulden.

Wie dit ruim 150 jaren later leest, glimlacht even. Maar is het zo vreemd, dat onze vaderen, die in die rumoerige Franse tijd stierven, althans in het graf rust wilden hebben?

Wie wat geluk heeft, kan in de boeken van de Nederlands Hervormde Kerk zijn voorouders terug vinden tot plm. 1600 en uiterst tot 1580. De beruchte beeldenstorm dateert van 1566 en de daaraan volgende 20 jaar zijn voorzichtig uitgedrukt "rumoerig". Zodoende werd het ongeveer 1600, voor van een behoorlijke administratie sprake kon zijn. De oudste "doop- en trouwboeken" dateren dan ook uit het begin van de 17e eeuw.
Een heel enkele b.v. van Bovenkarspel is iets ouder.

Er is helaas nogal wat weggeraakt in de woelige eeuwen die achter ons liggen. Zo zocht ik eens in de boeken van Limmen, maar raakte al spoedig de draad kwijt. Wat bleek? Tijdens de Engels-Russische oorlog in 1799, die o.a. te Limmen "bevredigd" werd, waren de kerkelijke archieven verwoest. Men was toen maar weer opnieuw begonnen en had door navraag bij de oudste inwoners weer een boek samengesteld om maar zoveel mogelijk voor het nageslacht te bewaren. Zij maakten daar dus van de nood een deugd, maar erg betrouwbaar is zo'n boek toch niet. Doch wie van naspeuren houdt, laat de moed niet direct zinken. Er zijn nog andere archieven buiten de kerkelijke.

Het Rijksarchief te Haarlem herbergt nog veel meer. Daar is b.v. het "Notarieel Archief". Dikke bundels testamenten, deelcedullen, enz. worden daar bewaard. Het vraagt enorm veel tijd die zware "protocollen" door te lezen, maar interessant is het zeker! We krijgen een betere kijk op het dagelijkse leven van onze voorouders. Hun hele hebben en houden staat daar opgetekend. Alles is natuurlijk in officiele, plechtstatige stijl. In de testamenten is het Latijn uit de Middeleeuwen eenvoudig vertaald. Luistert U maar:

"In den Name des Heeren, Amen.
Heden den 31 Mey 1706 compareerde voor my Adrianus Kistemaker, bij den Hove van Hollant geadmiteerd ende tot Spanbroek resideerende Not's, den Eersame Mr. Maarten Kistemaker, koster ende schoolmeester tot Spanbroek gemelt, ziekelyk na den lighaam dogh zyn verstant door uytinghe van gesonde redens gebruykende dewelke uyt aanmerkinghe van de algemeene brosheyt en sterfelykheyt des menschen, de sekerheydt des Doots en de onsekere ure van dien, verklaarde oversulks genegen te zyn ome voor zoover doenlyk was, de administratie en opvoedinghe van zyne na te laten kinderen en de besorghinghe van derselver goederen te disponeeren, bevelende alvorens zyne onsterfelyke ziele in de grondelose genade van Godt Almagtigh en zyn lyk de Erfgenamen een eerlyke bestellinghe ter aarde, komende daarop ter dispositie verklaart de testateur na zyn overlyden tot voogden of mombers over zyn na te laten kinderen ende de administratie derselver goederen te committeeren ende aan te stellen Thymen Pietersz. wonende op de Kathoek onder Grosthuysen ende Jacob Pietersz. wonende te Ursem, beyde des testateurs broeders van halven bedde, mitsgaders Joris Pietersz. des testateurs swagher, wonende tot Spanbroek, ome gesamentlyk zyn testateurs kinderen ende derselver goederen te beheeren en administreeren na haar welgevallen, dogh by overlyden van ofte moorden van dese genomineerde vooghden, tzy voor ofte na den testateur, zal het den langst levenden althans vry
staan ome by wettighe acte een medevooght oft voogdes in des overledene plaatse te moghen succegeeren na haar welgevallen sonder bekroon van iemant tot haar mondighe jaren toe.
Aldus gepasseerd voor 't ziekbedde".

"De sekerheydt des Doots en de onsekere ure van dien", sprak wel sterk tot deze mensen, anno domini 1706, 31 Mei; dus precies een week na de slag bij Rammelies, waar duizenden jonge levens uitgeblust waren!

Er zijn nog andere archieven. Daar is de administratie van de burgerlijke regering: Schout en Schepenen.
Tot aan Napoleon was dit het plaatselijk bestuur en in de "Schepenboeken", vinden we hun regeringsdaden terug. Het "schepentrouwboek" heb ik reeds eerder genoemd. We vinden daarin de trouwdatum van onze voorouders wat uitvoeriger dan in de kerkeboeken met name van Schepenen en getuigen en het bedrag dat voor de impost op het trouwen moest worden betaald.
Wie in de kerkeboeken het spoor bijster raakte, kan soms in de Schepenboeken weer iets vinden dat het mogelijk maakt, de gebroken draad weer te hechten. In de "Schepen Resolutieboeken" zijn allerlei gebeurtenissen uit het dagelijkse leven onzer vaderen opgetekend. Een resolutie is een kort besluit en het "Resolutieboek" is dan ook een boek, waarin de besluiten die Schout en Schepenen namen, zijn geboekt. Een soort notulenboek dus van de gemeenteraad.
Schout en Schepenen hielden ook rechtzittingen en allerlei kleinigheden werden voor de Schepenbank gebracht, b.v. te Enkhuizen;

Neel Jans' schamele dienstmaecht, klaagt Jan Kistemaker bootsgesel aan, dat hij haar een schorteldoek van het lijf heeft gescheurd en onbruikbaar gemaakt. Zij eist een schadevergoeding van 4 gld. 5 stuyvers.

Een dure schort: fl. 4,25. Maar het was in Augustus 1615, dus in de jaren toen de Oost-Indische Compagnie, 20 tot 75% dividend uitkeerde, een tijd van hoog-conjunctuur!
Een ander voorbeeld, een ootmoediglijk verzoek;

23 Maart 1763.
Pieter Claasz. Kistemaker, Burger alhier, (Sijbecarspel) requirant, versoekt UEd. Achtbare authorisatie en qualificatie omme gedurende de sitdagen van den gaarder van den Impost op de Coffy en Thee te mogen verkoopen; bier, wyn, brandewyn, gedistelleerde wateren en andere sterke drank- en meer...
(De Schepenen gaven hun fiat.)

Dan zijn er nog archieven van polders en koggen, maar het zou te ver voeren, die hier allen te behandelen. Wie van snuffelen houdt, zal ze zelf wel weten te vinden. Als men tenslotte, die hele paperassenberg heeft doorgewroet en niets meer kan vinden, hetgeen intussen nog direct zover niet is, bedenke, dat soms ook de stenen spreken.

Is de thans levende familie b.v. niet bij machte grafzerken te doen plaatsen, dan kan het zijn, dat zulks in een vroegere generatie anders was.
Wie dit spoedig wil weten, neme het boek ter hand van mr. Belogne en Treslong Prins: "Heraldische en Genealogische Merkwaardigheden uit de Kerken van Noord-Holland". Hij zal achterin het boek een klapper vinden met familienamen, waardoor het gemakkelijk is na te gaan, waar de voorzaten begraven liggen, althans, wie van hen een meer of minder fraaie zerk op hun graf kregen. In het boek komt een tamelijk nauwkeurige beschrijving van iedere grafzerk voor, maar het is veel mooier, deze zelf te gaan zien. Wie dat doet zal meteen aan de weet komen, dat er zelfs van die koude zerken nog veel is te leren.

Nu kunnen we de Heraldiek gevoegelijk laten rusten. Heraldiek is wapenkunde, kennis van geslachts- of familiewapens. Het is een mooie studie, die ons veel kennis bijbrengt op allerlei terrein, maar dat onmogelijk in klein bestek is te verwerken.

Daarom iets over grafzerken en graftekens in het algemeen. Het plaatsen van een grafzerk was, zoals reeds gezegd, een dure geschiedenis. Alleen de rijksten konden dat doen! Daarom werd dan ook soms volstaan met een grafzerk voor een hele familie. De naam van de Pater Familias, stamvader, werd in de rand van de steen gebeiteld; vervolgens die van de moeder en van andere gezinsleden tot de rand vol was. Het vervolg, kwam dan op het middenvak, soms met een breuk midden in een woord. Als de regel vol was, maar het woord nog niet af, zette men eenvoudig een streepje boven de laatste letter. De rest liet zich wel raden.

Evenals in de notaris protocollen is ook hier de taal "uyten Latijn in goeden Duytsche", doch voor leken moeilijk te lezen. Bovendien zijn de oudste zerken met Gothische letters; dat zijn de letters van de Statenbijbel, die de meeste jongeren niet meer kunnen lezen. Met een beetje oefening valt dat wel wat mee. De vele afkortingen echter, de letters werden per stuk betaald, maken het lezen moeilijk: A.D. voor Anno Domini, het jaar onzes Heeren; R.I.P. vvor Rust in Vrede, zijn de meest bekende.

De oudste en veelal ook de grootste stenen, zijn dikwijls van arduin of hardsteen en rossig van kleur. In de Westerkerk te Enkhuizen liggen er nog verscheidene, meest afgesleten en onleesbaar. In latere tijd werd meer grijze Bentheimersteen gebruikt, omdat die gemakkelijker was te bewerken. Het is intussen lang niet altijd zeker, dat onder de steen die persoon begraven ligt, wiens naam op de steen wordt vermeld. Door verbouwingen en verzakkingen werden de stenen wel eens verplaatst en soms ook was de kerk "vol" en werden stenen, die niemand kwam opeisen, voor afbraak verkocht. Zo werd bij de drooglegging van de Proefpolder te Andijk, een grote grafzerk gevonden, afkomstig uit de Sint-Pieterskerk te Gent.

Nu vindt men in verschillende kerken ook grafzerken, waar helemaal geen letters op staan, doch alleen maar een teken. Dat zijn de graven van mensen uit de kleine burgerstand, die geen dure zerk konden betalen en daarom alleen hun huismerk of gildeteken in de steen lieten houwen; b.v. een weegschaal, een mestvork, een bijl, een hark, enz. In de Zuiderkerk te Enkhuizen liggen verschillende van die stenen.

In een meer welvarende tijd vormde zo'n huismerk of gildeteken dan de grondslag van een familiewapen.Zo vond ik b.v. het gildeteken van een timmermansfamilie, Kistemaker, een winkelhaak en passer op een grafzerk in de Grote Kerk te Alkmaar en ook in Oosterland op Wieringen. Die huismerken waren in de oude tijd een herkenningsteken. De huizen hadden vroeger nl. geen nummer, maar wie het huismerk op de deurpost vond wist, dat daar iemand van dezelfde familie, althans een gildebroeder woonde. Over die gilden zou ook enorm veel te vertellen zijn, doch ik moet mij beperken. Alleen dit; elke gilde had zijn beschermheilige; Sint-Jozef voor de timmerlui; Sint-Eloy voor de zilversmeden; Sint-Christoffel voor de schoenmakers, enz. Het volk ging met die heiligen nogal gemeenzaam om. Het was: Sint-Jan en Sint-Teunis en Sint-Margriet en Sint-Japik of het hun dagelijkse kameraden waren!

En dat scheelde ook niet veel. Er was haast geen dag zonder heilige. Hun hele tijdrekening was er op ingesteld; zoveel dagen voor Sint-Pieter of zoveel dagen na Sint-Jan. Op de dag van de beschermheilige vierde de gilde feest! Het zou de moeite waard zijn, zo'n gildefeest eens mee te maken, maar helaas, die goede tijd is voorbij.
We moeten ons tevreden stellen met de beschrijving ervan, zoals b.v. Hofdijk die geeft in: "Ons Voorgeslacht" en dat is een weelde van kleur!

Hoe moet dan het feest zelf wel geweest zijn? Wie het uitzonderlijke geluk heeft een gildeboek in handen te krijgen, heeft de kans, de lijst van zijn voorvaderen met verscheidene namen te kunnen verlengen, tenminste, als zijn voorvaderen gildebroeders waren. Maar verder dan tot de 14e eeuw zal hij het wel nooit brengen! Dat is voor "gewone" mensen wel het uiterst bereikbare ideaal. Zelfs de "adel" komt zelden verder en die was nog wel aan haar adeldom verplicht een familiestamboom aan te leggen en bij te houden.

Hoe kwamen we aan onze familienaam zult U vragen. Voor 1811 was men niet verplicht een familienaam te hebben. De adel had natuurlijk de oudste brieven. Die heette "van dit tot dat; van hier tot ginther", enz. Niet adellijke, rijke mensen hadden ook een familienaam en waren daar niet weinig trots op. Maar het gewone arme volk, het "klootjesvolk" zoals de baronnen hen smalend noemden, had geen naam en vond het meestal ook overbodig er een te hebben. Als de vader Jan Pietersz. heette, was de zoon Pieter Jansz. zonder meer. Maar om nu al die Jan Jansz. en Pieter Pietersz. uit elkaar te houden, werd er soms een naam achter gevoegd, een "alias", zonder dat dit een familienaam was in Vaak was dit een bedrijfsnaam en wie er wat op let, kan soms heel oude beroepen onder die namen vinden. B.v. Gorter(gerstpeller), Pelser Bleeker, Brander, Rooker, Ricker, Drayer; soms uitgebreider: Stoeledrayer, Koppedrayer.

Er is haast geen beroep of het is in de familienaam weergegeven:
Kuiper, Dekker(rietdekker), Mulder, Molenaar, Brouwer, Bakker, Visser of Visscher, Slager of Slagter, Schermer, Krijger, Ploeger, Jager, De Boer, Bode, Smit, Loots, Kok, enz. Dan zijn er voorts de namen uit de kleine industrie, waar wat "gemaakt" werd: Zeilemaker, Rademaker, Wagemaker, Kistemaker, Schoenmaker, Klompmaker, Keersemaker, Zwaardemaker en zelfs Baardemaker.

Kwam er een vreemde eend in de bijt, dan kreeg hij zijn naam naar de plaats waar hij vandaan kwam: van Dokkum, van Schagen, van Wieringen, van Hoorn,
van Amsterdam, van Delft, van Gendt.
In Noord-Holland valt een streven waar te nemen om dat "van" maar eenvoudig weg te laten en zo heten veel mensen dus gewoon: Abbekerk, Oostwoud of Wijdenes. De hele landkaart is vertegenwoordigd: Helder, Medemblik, Edam, tot zelfs Batavia toe.

Veel mensen werden genoemd naar een provincie: de Vries, Drenth, de Brabander, van Gelder, de Zeeuw, van Groningen; enz., zonder dat hun voorvader indertijd "Heer van die provincie" is geweest. "Het is alles geen goud wat er blinkt!"

Hoevelen kozen hun naam niet uit de naaste omgeving?
Van Dijk, van de Hoek, van der Plas, van der Sluis, van der Weg, van der brug, van der Veen, van der Veer, van der Sloot, enz.

Velen voelden zich Groot, sommigen Klein, anderen Sterk of Keizer, Koning, de Graaf of Prins, soms Docter of Pastoor.

De hele kleurenkaart is er: de Wit, Bruin, Rood, Groen, Geel, Blauw. De een heet: den Braven en een ander Dekwaadsteniet.
En het is vast geen boze mens die zich als Vriend bij U aandient. Maar het is toch niet prettig: de Wilde te heten of Naaktgeboren of nog erger: Sukkel. En als er iemand naar U toekomt en zegt: "Mag ik mij even voorstelen mijn naam is de Slechte", dan zegt U "aangenaam", maar dat is dan toch wel "met gemengde gevoelens".

Er zou nog veel zijn te zeggen over tijdrekening, oude en nieuwe stijl, zoals dat heette en over nog veel meer dat men tegenkomt, wanneer men zich gaat verdiepen in de eeuwen die voor ons geweest zijn.
Het naspeuren van vorige geslachten is louter liefhebberij, als het tenminste niet gaat om een vermeend recht op een oude erfenis of om het blauwe bloed. Ik hoop van harte dat het mij is gelukt U duidelijk te hebben laten zien, dat dit onderzoek onze kennis verrijkt en dat we ons nader voelen aangetrokken tot onze vaderen, ons eigen bloed. Zij gaan weer voor ons leven, die mensen, waarvan we aan het begin zelfs de naam niet kenden. Zij krijgen weer gestalte en uit de simpele woorden die ze bij hun leven optekenden in de nu vergeelde boeken in het Rijksarchief, voelen we weer iets van de geest, die hen bezielde; de geest, die hen tot daden drong. Het is een studie waar nooit een eind aan komt. We willen altijd meer weten. Want die voorvader, die we hebben gevonden, had ook een vader. En hoe heette die???

"Uw Vader, die in de Hemelen is, weet alle dingen."

Piet Kistemaker.


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap