Kistemaker NetWerk

Kistemaker Archief » Proza en Poëzie » Pagina 26

26. Ik zoek mijn voorvader

Voordracht voor de Hervormde
Vrouwenbond te Wervershoof,
11 April 1954.

"Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid dien hij arbeidt
onder de zon?
Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de
aarde staat in eeuwigheid;
Hetgene dat er geweest is, hetzelfde zal er zijn en hetgene
dat er gedaan is, datzelfde zal er gedaan worden, zodat er
niets nieuws is onder de zon.
Is er enig ding waarvan men zou kunnen zeggen: Zie dat, het
is nieuw? Het is alrede geweest in de eeuwen die voor ons
geweest zijn.
Daar is geen gedachtenis van de voorgaande dingen: en van de
navolgende dingen die zijn zullen, van dezelve zal ook geen
gedachtenis zijn bij degenen die namaals wezen zullen....."

Ongeveer drie duizend jaren zijn voorbijgegaan, sinds de wijze Prediker deze woorden sprak en nog niets is er van hun betekenis verloren gegaan. Wat weten wij van de geslachten, die er voor ons geweest zijn? Bitter weinig. Met veel moeite kunnen we iets van de zware sluier oplichten en we voelen ons al gelukkig, als we tien geslachten terug kunnen vinden. Tien geslachten, dat is driehonderd jaar en de Prediker leefde drieduizend jaar terug.

Hoe kom je ertoe, om naar je verre voorvaderen te gaan zoeken? Ja, daar moet je iets voor voelen. De meeste mensen interesseert het maar weinig en vooral in het begin van deze eeuw was er nog een stemming van; laat die dooie boeren maar liggen, zoveel goeds hebben ze niet uitgericht! En daar was nog wat van waar ook! Maar tegenwoordig is er een soort opleving op dit gebied: het aantal genealogische verenigingen en familieverenigingen neemt toe, de mensen willen wat meer van hun voorouders weten.

Wie waren dat? Wanneer hebben ze geleefd? Waar zijn ze geboren? Hebben ze altijd hier gewoond of kwamen ze uit een andere streek, uit een ander land? Zulke vragen bestormen je als je over je voorvaderen denkt. We weten zo weinig, zelfs van onze bloedeigen voorvaders uit de vorige eeuw. Wat weten wij ervan, wat ze geliefd en geleden, gebeden en gestreden hebben in een tijd, die minstens zo spannend was als de onze? Onze grootvaders, overgrootvaders en bet-overgrootvaders en niet minder de moeders, van hetzelfde bloed als wij, die ons de levensfakkel gaven om verder te dragen naar een onbekende toekomst....

Hoe kunnen wij er meer van aan de weet komen? Allereerst door navraag. Misschien hebben we nog een grootvader of een grootmoeder die ons wat van zijn of haar grootmoeder kan vertellen. Meestal zijn die verhalen wat vaag en de jaartallen mankeren eraan. Oude mensen lijden vaak aan geheugenzwakte, ze haspelen de boel door elkaar, ze weten het niet zeker meer. Misschien hebben we nog een oude tante, die alle ondertrouw- en geboortekaartjes en rouwbrieven bewaart in een schoenendoos en uit zo'n bescheiden archiefje kan soms heel wat belangrijks komen.
Maar als we het echt zeker willen weten, moeten we naar de archieven. Dat klinkt nu wel erg geleerd, maar toch is het erg eenvoudig, "een kind kan de was doen", tenminste wat de archieven van de Burgerlijke Stand in de 19e eeuw betreft. Van elke geboorte, van elk huwelijk, van elke echtscheiding, van elk overlijden wordt bij de Burgerlijke Stand een acte opgemaakt. Ieder van U heeft wel eens een trouwplechtigheid op het Raadhuis meegemaakt. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand dreunt dan plichtmatig een formule uit een groot boek en het trouwpaar en de getuigen schrijven hoogst eigenmachtig hun handtekening daaronder. "De huwelijksacte is gepasseerd" heet dat in officiele stadhuistaal.

Waar blijft nu zo'n acte verder? Wel, die wordt keurig netjes bewaard en eens per jaar worden alle acten "hogerop" geregistreerd en na goedkeuring weer naar het Raadhuis gezonden. Daarna worden ze in bundels van 10 jaar bijeengebonden en van "klappers" voorzien. Zo prijken ze dan in de kast: mooie zwarte banden met goud op de ruggen, een kostbaar bezit. Wie nu iets van zijn voorvader weten wil kan, als hij de naam en ongeveer het jaar weet, heel spoedig verschillende gegevens aan de weet komen. Bijvoorbeeld: laten we zeggen dat onze grootvader Pieter Bakker heette, dan lezen we uit zijn huwelijksacte:

Dat op 13 April 1854 voor mij Ambtenaar van de Burgerlijke Stand verschenen is Pieter Bakker, tuinbouwer, oud 23 jaar, zoon van Jan Bakker, tuinbouwer, oud 52 jaar, hierbij tegenwoordig en zijn toestemming gevende en van Trijntje Groot, zonder beroep, overleden op 12 December 1844 te Grootebroek, waarvan acte bij de stukken aanwezig, teneinde een huwelijk aan te gaan met:
Aafje Ellerbroek, naaister, oud 22 jaar, dochter van Jacob Ellerbroek, timmerman, overleden 24 mei 1846 te Hoogkarspel, acte bij de stukken aanwezig en van Meinoutje Bierman, zonder beroep, oud 49 jaar, hierbij tegenwoordig en haar toestemming gevende.
Bij het huwelijk aanwezig de volgende getuigen: Klaas Bakker tuinbouwer, oud 25 jaar, broeder van de bruidegom en Simon Ellerbroek, hoefsmid, oud 68 jaar, oom van de bruid van vaderszijde, welke genoemde getuigen deze acte mede hebben ondertekend.

We weten nu uit een zo'n acte al verschillende gegevens en jaartallen en kunnen nu verder terug zoeken. We doen dit wat zuinig aan, want de gemeente mag van dit "strunen" in oude actes leges heffen, meestal 50 a 60 cet per acte. Als we dus alle geboorten, huwelijken en overlijden uit onze familie uit officiele acten moesten zoeken zou het wat een dure liefhebberij worden.
Maar dat is ook niet nodig.
In kleine gemeenten gaat het vaak nog wat gemoedelijker toe, daar is het soms nog: "Hier is een stoel en daar is de kast met de boeken, zoek het zelf maar uit!" En dat zonder enige kosten!

Maar we komen met dit onderzoek bij de Burgerlijke Stand niet verder terug dan tot 1812. We danken deze keurige verzorging van de Burgerlijke Stand aan Napoleon en meer in het bijzonder aan Graaf de Celles, die bij circulaire van dato 10 juni 1811 het bijhouden van de registers van de Burgerlijke Stand verpligt stelde. Want voor die tijd bestond die verplichting niet.

Er was geen eenheid van Burgerlijke Administratie, voor 1811. Het was de Kerk, die de boeken bijhield en dat gebeurde maar al te vaak slordig! Gedrukte formulieren zoals tegenwoordig, werden toen niet gebruikt. De gegevens liggen verspreid in verschillende boeken, verschillend van vorm en dikte, verschillend ook van handschrift. Nu is het schrift in die oude boeken vooral van 1750 tot 1800 meestal fraai, met sierlijke krullen en uithalen. De 18e eeuwse predikanten schreven vrij wat fraaier met hun goedversneden ganzenveders, dan hun moderne collega's met hun Parker-Duofold.

Het ging gewoonlijk vrij goed, zolang er een dominee ter plaatse stond maar in de vacatures...? Dan moesten de kerkeraadsleden de boeken bijhouden en maar weinigen van hen hadden schrijven geleerd. De meesten hanteerden beter de hooivork dan de ganzepen en als ze hun naam moesten zetten, was een "kruisje" het merk van Willem Pietersz. en een hooivork het merk van Dirck Jansz. Tot het simpele schrijven van hun naam waren de broeders niet in staat. Een ieder begrijpt, dat zodoende de boeken soms hinderlijke hiaten vertonen, die het onderzoek vaak bemoeilijken of geheel kunnen doen ophouden.

Welke boeken waren het, waarin de Kerk haar administratie bijhield?
Ten eerste het Doopboek. Door de Kerk werd niet de geboortedatum, maar de doopdatum genoteerd, omdat de doop voor haar belangrijker was: immers op die datum werd het kind bij de kerk ingelijfd.
Ten tweede het Trouwboek. Daarin komen de huwelijken voor die door de Kerk werden ingezegend. Wie niet bij de Kerk behoorde trouwde voor Schout en Schepenen en is in het Schepentrouwboek te vinden.
Ten derde het Grafboek, waarin de graven in de kerk voorkomen, soms met een plattegrond en de nummers erbij, want de graven werden voor zo en zoveel jaar door de Kerk verhuurd.
Ten vierde het Lidmatenboek, waarin elk jaar de belijdende lidmaten werden bijgeschreven.
Soms is er ook nog wat te vinden in een Avondmaalsboek, in een Rekeningboek van de Diaconie of in een Notulenboek van de kerkeraad.
In kleinere gemeenten zijn soms al deze boeken verzameld in een "Kerckeboeck", zwaar geschept papier in perkamenten of kalfsleren band. Zoals gezegd, zijn die kerkeboeken zeer verschillend van formaat; soms zijn ze lang en smal en is er haast onleesbaar in gekrabbeld. Sommige leraars hadden blijkbaar de gewoonte de boeken mee te nemen "op stoel" en gebruikten daarom zo'n zakformaat model. Ze zijn echter ook wel groot en zwaar en bevatten de dorpsgeschiedenis van meerdere eeuwen.
Uniformiteit was er voor 1811 niet bij!

Waar zijn die boeken te vinden?
Soms zijn ze nog ter plaatse in te zien in de consistorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Ze worden niet overal even zorgvuldig bewaard, nog vaak als "ouwe rommel" beschouwd, hoewel er de laatste jaren op dit gebied wel wat verbetering komt. De ouwe rommel wordt weer waardevol erfgoed. Soms worden ze zorgvuldig in een brandkast gesloten, maar meestal in een "gnappe" kist met hangslot. Ik heb het beleefd dat een smid met een breekijzer de kast moest openbreken, waaruit dan een zoodje muffe papieren tevoorschijn kwamen. Ook vond ik ze bij een bakker op zolder, geen beste plek om archieven te bewaren wel droog, maar niet bepaald brandvrij. Ook overkwam het mij, dat de kerkeraad ter plaatse het oudarchief eigenhandig had gesorteerd: het stof er flink uitgeklopt en de oudste flarden met de vuilnisman mee.
En juist om die oudste flarden was het mij te doen.

Gelukkig zijn de meeste kerkeboeken nu veilig bewaard in het Provinciaal Rijksarchief te Haarlem, keurig netjes en brandvrij. Alles is genummerd en gecatalogiseerd, zodat het heel gemakkelijk is het betreffende boek te vinden. De toegang is vrij en kosteloos, er is een ruime leeszaal en ieder mag vrij lezen of overschrijven wat hij wil. Alleen uitknippen mag niet!.

Laten we beginnen met het Doopboek. Daaruit kunnen we gemakkelijk heel wat van onze voorouders aan de weet komen. Immers hierin worden ouders en kinderen genoemd en soms nog doopgetuigen erbij en we kunnen in zo'n boek soms de levensdraad van een familie in verscheidene eeuwen volgen, mits de familie niet te vaak verhuisde.
De boeken gaan terug tot uiterst 1580. In de rumoerige jaren na de beeldenstorm van 1566 is er veel verwoest en het duurde bijna tot 1600 eer alles weer behoorlijk op rust was. In die oudste boeken, d.w.z. omstreeks 1600 wordt alleen de vader genoemd, de moeder nog niet, bijvoorbeeld:

5 Nov. 1600; Symon Kistemaker, tkint genaempt Tryn.

Later, zo van 1650 tot 1700, wordt ook de moedersnaam genoemd.

9 Maart 1725; Jacob Florisz. Beschuyt en Cornelisje Jans', het kind Antje.

Zoals U hoort, wordt van haar man wel de familienaam genoemd, maar van de vrouw niet. Die heetten gewoon Aaltje Jans' of Grietje Pieters', zonder meer. Vaak mankeert er ook nog dat vleinaampje aan en is het: Griet of Meinou of Geert of Aaf of Brecht. Dat maakte een wat manhaftige indruk, net of het allemaal zulke kenau's waren.

Omstreeks 1750 worden er ook doopgetuigen genoemd, bijvoorbeeld;

14 December 1755; een kint uyt de Mosseltuyn, vader Jan Claasz. Donker, moeder Tryntje Pieters' Hof, tkint Pieter, peet Aafje Crelis' vrou van Jan Palesteyn uyt de koy van Andijk.

Dat is dus al tamelijk volledig.

Maar pas onder Frans bestuur wordt de aantekening uitvoeriger. Er is een streven merkbaar om het zo duidelijk mogelijk te doen, maar door die uitvoerigheid, wordt het niet altijd beter. Bijvoorbeeld;

15 Maart 1795, voor de middag te Abbekerk gedoopt, een kind van Cornelis Kistemaker en Gerritje Klaas' Koppedrayer zijn huisvrouw, is genaamd Dieuwertje, getuige; Geertje Pieters' Kistemaker. Het kind was geboren 13 Maart 1795.

Sinds 1757 bestonden er voorschriften van de Edel Mogende Heeren Staten van Holland ende West-Vrieslant, tot betere registratie. O.a. moesten de boekingen in duplo geschieden, wat met het oog op brandgevaar, wegraken, etc. wel nodig was. Als door hooibroei de rooie haan kraaide op het rieten dak van de boeren-ouderling, ging vaak meteen het "Kerckeboeck" verloren en dan was het maar goed, dat er in de kist in de consistorie nog een tweede exemplaar te vinden was.

Als we in het Doopboek uitgekeken zijn, kunnen we verder zoeken in het Trouwboek. De kerkelijke boeking is ook hier zonder uniformiteit, soms ook zo kort mogelijk, bijvoorbeeld:

6 May 1668. Pieter Jansz. Hardebol, jong ghesel ende Tryntje Freericks, jonghedogter, beyde van Enckhuysen, syn na drie solomneele publicatien alhier (Andijk) in den huwelycken staat bevestight.

Maar ook wel zo;

1734. 31 October. Pieter Cornelisz. (W) en Anne Maartens'
(W) beyde Andijk.

U hoort het: in dit laatste geval beiden zonder familienaam en zo gaat het soms 30 - 40 jaar achterelkaar door. Dan wordt het wel erg moeilijk het zo vreugdevol gevonden spoor te blijven volgen.
Nog moeilijker wordt het wanneer de familie in zo'n periode van naamloosheid een paar maal verhuisd is, wat in die onzekere tijden lang niet zeldzaam voorkwam.

Zijn de geboorte en doopdatum van uw bet-overgrootvader nogal gemakkelijk te vinden, minder goed zal dat lukken met de sterfdag, tenzij de treurende nabestaanden een grafzerk hebben doen plaatsen. En dat was voor de meesten hunner een te kostbare geschiedenis. Geboekt is die sterfdatum niet altijd, althans niet voor 1700. De oude dominees schreven nog wel eens "obiit" achter een naam in de lidmatenlijst, maar dan meestal nog zonder datum, zodat het van velen onzer voorvaderen niet nauwkeurig te bepalen is, wanneer ze overleden zijn.

Dat werd anders in 1696. Toen werd de "impost" op het trouwen en begraven ingesteld door de Staten van Holland. Het volk was met die nieuwe vorm van belasting natuurlijk niets ingenomen en er kwamen zelfs relletjes van, o.a. te Amsterdam, waar het huis van de Engelse Consul Kerby, die de geestelijke vader van deze belasting was, geplunderd werd.

De bevolking werd voor deze "impost" verdeeld in klassen. De aller armsten werden "pro Deo" (om Gods wil) getrouwd en begraven en behoefden dus niets te betalen. De overigen betaalden; 3 - 6 - 12 - 15 of 30 gulden, al naar ze rijk waren. Voor de "upper-ten" werd het een sport om zo duur mogelijk te trouwen. Zo van: dat kan ik wel en dat kan jij lekker niet!
Vrijgezellen moesten bij overlijden , zeker voor straf, dubbel betalen.
Zo vond ik bv. te Spanbroek;

17 Juni 1743. Claas Claasz. Sluys, ongehuwd, dus dubbel 3 is 6 gulden.

In de grafboeken is soms een plattegrond getekend van de beschikbare graven in de Kerk, die door het kerkbestuur, voor een bepaalde tijd in bruikleen gegeven werden. De armen, die geen graf konden betalen, werden buiten de kerk begraven en dan heette het nog, dat voor de armen het kerkhof gelukkig dichtbij was. Zelfmoordenaars en aangespoelde lijken werden aan de buitenkant van het kerkhof begraven, daar was een "luchtje" aan, geen moordenaar vrouwendief, enz. zou immers het koninkrijk Gods beerven.

Soms werd bij het huren van een familiegraf bepaald, dat het "zo en zoveel jaren" gesloten moest blijven, b.v. te Oostwoud.

Graf no. 42. 29 Juli 1796 is begraven, Cornelis Jongert.
Dit graf mag in geen 25 jaar geopend worden. 15 gulden.

Wie dit plm. 150 jaren later leest, glimlacht even. Maar is het zo vreemd, dat onze vaderen, die in die rumoerige Franse tijd stierven, althans in het graf rust wilden hebben?

Zoals gezegd, er zijn veel boeken weggeraakt. Zo zocht ik eens in de boeken van Limmen, maar raakte al spoedig de draad kwijt. Wat bleek? Tijdens de Engels-Russische oorlog in 1799, die o.a. te Limmen "bevredigd" werd, waren de kerkelijke archieven verwoest. Men was toen maar weer overnieuw begonnen en had door navraag bij de oudste inwoners weer een boek samengesteld om maar zoveel mogelijk voor het nageslacht te bewaren. Zij maakten daar dus van de nood een deugd, maar erg betrouwbaar is zo'n boek toch niet.

Maar wie van naspeuren houdt, laat de moed niet direct zinken. Er zijn nog andere archieven buiten de kerkelijke. Het Rijksarchief te Haarlem herbergt nog veel meer. Ik heb me laten wijsmaken dat ze daar 7 KM. aan boeken hadden, langs de ruggen gemeten. Men is daar niet direct uitgelezen en met dat eigenaardige oude handschrift uit de tijd van de Ruyter moet je dat nog kunnen ook! Daar is b.v. het Notarieel Archief: Dikke bundels testamenten, deelcedullen, enz. worden daar bewaard. Het vraagt enorm veel tijd, die zware "protocollen" door te lezen, maar interssant is het zeker!
In de kerkelijke archieven vinden we zelden of nooit iets over het beroep van onze voorvaderen. Dat ging de kerk niets aan, voor haar waren al die mensen slechts lidmaten van de enig ware Kercke Jesu Christi te Hauwert of waar dan ook. Uit de notarisarchieven kunnen we soms meer vinden over het huiselijk leven van onze voorouders. Vooral testamenten waarin boedeldelingen werden geregeld geven nogal eens een goed beeld. Bij zo'n deling, waarbij meerdere familieleden aanwezig zijn "zich sterk makende en de rato caverende", is het hele hebben en houden soms opgetekend: huis en land en vee en inboedel tot aan de kleinste kopjes en schoteltjes en zwavelstokkenbakjes toe.

De testamenten zijn in een plechtstatige stijl, van eeuwen her, het Latijn uit de Middeleeuwen eenvoudig letterlijk vertaald, bijvoorbeeld:

"In den Name des Heeren, Amen.
Heden den 31 Mey 1706 compareerde voor my Adrianus Kistemaker, by den Hove van Hollant geadmiteerd ende tot Spanbroek resideerende Not's, den Eersame Mr. Maarten Kistemaker, koster ende schoolmeester tot Spanbroek gemelt, ziekelyk na den lighaam dogh zyn verstant door uytinghe van gesonde redens gebruykende dewelke uyt aanmerkinghe van de algemeene brosheyt en sterfelykheyt des menschen, de sekerheydt des Doots en de onsekere ure van dien, verklaarde oversulks genegen te zyn ome voor zoover doenlyk was, de administratie en opvoedinghe van zyne na te laten kinderen en de besorghinghe van derselver goederen te disponeeren, bevelende alvorens zyne onsterfelyke ziele in de grondelose genade van Godt Almagtigh en zyn lyk de Erfgenamen een eerlyke bestellinghe ter aarde, komende daarop ter dispositie ...."

Dat is zo ongeveer de vaste formulering voor de aanhef van een testament.
Soms nog mooier versierd, soms ook nog korter. We glimlachen soms even als we lezen van een notaris, "residerende tot Hauwert", terwijl zijn "residentie" de armste van allen was!

Vanwaar deze plechtstatige stijl? Zoals gezegd, is dit vertaald Latijn, nog afkomstig uit de Middeleeuwen. In de tijd voor de Kerkhervorming was alles nog Rooms. Maar heel weinig mensen waren de schrijfkunst machtig, het onderwijs was slecht en leerplicht was er helemaal niet. Alleen de edelen, en nog niet eens allen, enkele kooplieden en de priesters waren de schrijfkunst machtig. Deze laatsten hadden het schrijven meest in de kloosters geleerd. Hun taal was de taal van de Kerk: het Latijn. Zo komt het, dat de oudste acten in het Latijn zijn opgemaakt. Later, toen het Hollands meer de gebruikelijke voertaal werd, werden de Latijnse zinnen eenvoudig in het Hollands vertaald. Toch klinkt dat wel mooi: "de zekerheid des Doods en de onzekere ure van dien.... bevelende alvorens zijn onsterfelijke ziel aan God Almachtig en zijn stervelijk lichaam een Christelijke begrafenis ter aarde...", heus, de moderne notaris-acten zijn er in dat opzicht niet mooier op geworden.

Er zijn nog andere archieven. Daar is de administratie van de burgerlijke regering: Schout en Schepenen, zoiets als nu de gemeenteraad.
Tot aan Napoleon was dit het plaatselijk bestuur en in de "Schepenboeken", vinden we hun regeringsdaden terug. Het "schepentrouwboek" heb ik reeds eerder genoemd. We vinden daarin de trouwdatum van onze voorouders wat uitvoeriger dan in de kerkeboeken met namen van Schepenen en getuigen en het bedrag dat voor de impost op het trouwen moest worden betaald.
Wie in de kerkeboeken het spoor bijster raakte, kan soms in de Schepenboeken weer iets vinden dat het mogelijk maakt, de gebroken draad weer te hechten.

In de "Schepen Resolutieboeken" zijn allerlei gebeurtenissen uit het dagelijkse leven onzer vaderen opgetekend. Een resolutie is een kort besluit en een "Resolutieboek" is dan ook een boek, waarin de besluiten die Schout en Schepenen namen, zijn geboekt. Een soort notulenboek van de gemeenteraad dus.
Schout en Schepenen hielden ook rechtzittingen en allerlei kleinigheden werden voor de Schepenbank gebracht, b.v. te Enkhuizen:

Neel Jans' schamele dienstmaecht, klaagt Jan Kistemaker bootsgesel aan, dat hij haar een schorteldoek van het lijf heeft gescheurd en onbruikbaar gemaakt. Zij eist een schadevergoeding van 4 gld. 5 stuyvers.

Een dure schort: fl. 4,25. Maar het was in Augustus 1615, dus in de jaren toen de Oost-Indische Compagnie, 20 tot 75% dividend uitkeerde, een tijd van hoog-conjunctuur!

Een ander voorbeeld, een ootmoedig verzoek:

23 Maart 1763.
Pieter Claasz. Kistemaker, Burger alhier, (Sijbecarspel) requirant, versoekt UEd. Achtbare authorisatie en qualificatie omme gedurende de sitdagen van den gaarder van den Impost op de Coffy en Thee te mogen verkoopen; bier, wyn, brandewyn, gedistelleerde wateren en andere sterke drank- en meer...
(De Schepenen gaven hun fiat.)

Dan zijn er nog archieven van polders en koggen, maar het zou te ver voeren, die hier allen te behandelen. Wie van snuffelen houdt, zal ze zelf wel weten te vinden. Wie tenslotte, die hele paperassenberg heeft doorgewroet en niets meer kan vinden, wat intussen nog direct zover niet is, bedenke, dat soms ook de stenen spreken.

Is de thans levende generatie dan niet bij machte grafzerken te doen plaatsen, het kan zijn, dat dit in een vroegere generatie anders was.
Wie dit spoedig wil weten, neme het boek ter hand van mr. Belogne en Treslong Prins: "Heraldische en Genealogische Merkwaardigheden uit de Kerken van Noord-Holland". Hij kan achterin het boek een klapper vinden met familienamen, waardoor het gemakkelijk is na te gaan, waar de voorzaten begraven liggen, althans, wie van hen een meer of minder fraaie zerk op hun graf kregen.
In het boek komt een tamelijk nauwkeurige beschrijving van iedere grafzerk voor, maar het is veel mooier ze zelf te gaan zien. Wie het doet zal meteen gewaar worden, dat er zelfs van die koude zerken nog veel is te leren.

Het plaatsen van een grafzerk was, zoals reeds gezegd, een dure geschiedenis.
Alleen de rijksten konden dat doen! Daarom werd dan ook soms volstaan met
e e n grafzerk voor een hele familie. De naam van de Pater Familias, de stamvader, werd in de rand van de steen gebeiteld, vervolgens de naam van de moeder en van de andere gezinsleden tot de rand vol was. Het vervolg kwam dan in het middenvak, soms met een breuk midden in een woord. Als de regel vol was, maar het woord nog niet af, zette men eenvoudig een streepje boven de laatste letter. De rest liet zich dan wel raden.

Evenals in de notaris protocollen is ook hier de taal "uyten Latinen in goeden Duytsche", maar voor leken moeilijk te lezen. Bovendien zijn de oudste zerken met Gothische letters, dat zijn de letters van de Staten Bijbel, die de meeste jongeren niet meer kunnen lezen. Met een beetje oefening valt dat wel wat mee. Maar de vele afkortingen, de letters werden door de steenhouwer per stuk berekend, maken het lezen moeilijk. A.D. voor Anno Domini (= het jaar onzes Heeren), R.I.P. voor Requiescat in Pacem (= Rust in Vrede), zijn de meest bekende afkortingen.

De oudste en meestal ook de grootste stenen, zijn van arduin of hardsteen uit Henegouwen en rossig van kleur. In de Westerkerk te Enkhuizen liggen er nog verscheidene, meest afgesleten en onleesbaar. Vaak zijn dat nog priestergraven van voor de Hervorming. In latere tijd werd meer grijze Bentheimer steen gebruikt, omdat die gemakkelijker was te bewerken. Het is intussen altijd lang niet zeker, dat onder de steen die persoon begraven ligt, wiens naam op de steen vermeld is. Door verbouwingen en verzakkingen werden de stenen soms verplaatst en soms ook was de kerk "vol" en werden stenen, die niemand kwam opeisen, voor afbraak verkocht. Zo werd bij de drooglegging van de Proefpolder te Andijk, een grote grafzerk gevonden, afkomstig uit de Sint-Pieterskerk te Gent.

In verschillende kerken vindt men ook grafzerken, waar helemaal geen letters op staan, maar alleen maar een teken of zg. "huismerk". Dat zijn vaak graven van mensen uit de kleine burgerstand, die niet zo'n dure gehouwen steen konden betalen en er daarom alleen maar hun huismerk of gildeteken op lieten houwen: Een weegschaal, een mestvork, een bijl, een hark, enz. In de Zuiderkerk te Enkhuizen liggen verschillende van die stenen.

In een meer welvarende tijd vormde zo'n huismerk of gildeteken dan de grondslag van een familiewapen. Ik vond het gildeteken van een timmermansfamilie, Kistemaker; een winkelhaak en passer, op een grafzerk in de Grote Kerk te Alkmaar en ook in de kerk van Oosterland op Wieringen. Die huismerken waren in de oude tijd een herkenningsteken. De huizen hadden geen nummer, maar wie het huismerk op de deurpost vond, wist dat daar iemand van dezelfde familie, althans een gildebroeder woonde. Over die gilden zou nog enorm veel te vertellen zijn, doch ik moet mij alweer beperken. Alleen dit; elke gilde had zijn beschermheilige; Sint-Jozef voor de timmerlui; Sint-Eloy voor de zilversmeden; Sint-Christoffel voor de schoenmakers, enz. Het volk ging met die heiligen nogal gemeenzaam om. Het was: Sint-Jan en Sint-Teunis en Sint-Margriet en Sint-Japik of het hun dagelijkse kameraden waren!

En dat scheelde ook niet veel. Er was geen dag zonder heilige. Hun hele tijdrekening was er op ingesteld; zoveel dagen voor Sint-Pieter of zoveel dagen na Sint-Jan. Op de dag van de beschermheilige vierde de gilde feest! Het zou de moeite waard zijn, zo'n gildefeest eens mee te maken, maar helaas, die goede tijd is voorbij. We moeten ons tevreden stellen met de beschrijving ervan, zoals b.v. Hofdijk die ons geeft in: "Ons Voorgeslacht" en dat is een weelde van kleur!

Hoe moet dan het feest zelf wel zijn geweest? Wie het uitzonderlijke geluk heeft een "Gildeboek" in handen te krijgen, heeft de kans, de lijst van zijn voorvaderen met verschillende namen te kunnen verlengen, tenminste, als zijn voorvaderen gildebroeders waren. Maar verder dan tot de 14e eeuw zal hij het wel nooit brengen! Dat is voor "gewone" mensen het uiterst bereikbare ideaal. Zelfs de "adel" komt zelden verder en die was nog wel aan haar adeldom verplicht een familiestamboom aan te leggen en bij te houden.

Hoe kwamen we aan onze familienaam? Voor 1 8 1 1 was men niet verplicht een familienaam te hebben. Sommige mensen hadden er wel een, maar ze waren er niet aan gebonden. Wilden ze liever anders heten, dan konden ze dat zelf vrij veranderen. De adel had natuurlijk de oudste brieven. Die heette "van dit tot dat; van hier tot ginther", enz. Niet adelijke, rijke mensen hadden ook een familienaam en waren daar niet weinig trots op. Denk maar eens aan de deftige burgemeesters uit de pruikentijd! Bicker en Drayer waren maar gewone handwerksnamen, maar er zat "klank" in! Maar het gewone, arme volk, het "klootjesvolk" had geen naam en vond het meestal ook vrij overbodig er een te hebben als de vader Pieter Jansz. heette, was de zoon Jan Pietersz. zonder meer. Maar om nu al die Jan Jansz. en Pieter Pietersz. uit elkaar te houden, werd er soms een naam achter gevoegd, een "alias", zonder dat dit een familienaam was in de zin die wij er nu aan geven. Alias Grote Sijmen, alias Zeun, alias lange Pieter, alias Joodje, alias vroemoers Gerrit en meer zulke bijnamen kan men overal in de lidmaatlijsten voor 1800 vinden.

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 werd de familienaam verplicht gesteld. Zoals alle nieuwe regeringsmaatregelen werd ook deze met tegenzin ontvangen en gesaboteerd. Niet te vergeten, dat het een maatregel van de bezettende macht was. Stel U voor dat Hitler zoiets in 1944 had gedecreteerd. Enfin, er was ook toen "verzet" en aan de grappigheid van die vroegere verzetslieden danken sommige families nu nog hun dwaze namen als Naaktgeboren, Fijnvandraad, Poepjes, Pielkenrood en meer van dat moois. Zelfs is het gebeurd, dat drie broers, natuurlijk Friezen, niet dezelfde familienaam wilden hebben en daarom vandaag de dag mensen van dezelfde stam drie verschillende namen dragen.

Wie er op let, kan heel wat oude bedrijfsnamen ontdekken: bijvoorbeeld Gorter, d.i. gerstpeller op een pelmolen, Pelser, iemand die pels tot mantels verwerkt, Bleeker, die kleren of linnen voor anderen bleekt, Brander, kalkbrander of schipper op een "brander", Rooker, bokkingroker, Bicker, steenbikker, Drayer; soms uitgebreid tot Stoeledrayer, Koppedrayer, d.i. iemand die kaaskoppen van hout draaide.

Er is haast geen beroep of het is in de familienaam weergegeven: Kuiper, Dekker, d.i. rietdekker, Mulder, of meer Hollands Molenaar, Brouwer, Bakker, Visser, Slager of Slagter, Schermer, Krijger, Trompetter, Ploeger, Jager, De Boer, Bode, Smi(d)t, Loots, Kok, enz.

Dan zijn er de namen uit de kleine industrie, waar wat "gemaakt" werd: Zeilemaker, Rademaker, Wagenmaker, Kistemaker, Schoe(n)maker, Klompmaker, Keersemaker, Zwaardemaker, Hoedemaker, Speldemaker en zelfs Baardemaker. In Brabant; Raaymakers, Ploegmakers.

Kwam er een vreemde eend in de bijt, dan kreeg hij zijn naam, naar de plaats waar hij vandaan kwam: van Dokkum, van Schagen, van Wieringen, van Hoorn, van Amsterdam, van Enthoven, van Delft, van Gend(t).
In Noord-Holland valt een streven te ontdekken om dat "van" maar eenvoudig weg te laten en zo heten veel mensen dus gewoon: Klaas Abbekerk, Jan Oostwoud, Simon Wijdenes, Jan Spierdijk, Dirk Berkhout, enz.. De hele landkaart is vertegenwoordigd: Helder, Medemblik, Edam, tot zelfs Batavia toe.

Veel mensen heten ook naar een provincie: de Vries, Drenth, de Zeeuw, de Brabander, van Gelder, van Groningen zonder dat hun voorvader "Heer van die provincie" is geweest. "Het is al geen goud wat er blinkt!" Hoevelen kozen hun naam niet uit de naaste omgeving? Van dijk, Dijkstra, Diekema, van de(r) Hoek, Hoekstra, Hoekema, van der Plas, van der Sluys, Zijlstra, Zylema, van der Weg, van der Brug, van der Veen, van der Veer, Veenstra, Venema, Fenema, van der Veer, van der Sloot, enz.

Velen voelen zich Groot, sommigen Klein, anderen Sterk of Koning, de Graaf, Hartog of Prins, soms Docter of Pastoor.

De hele kleurenkaart is er: de Wit, Bruin, Rood of de Rode, Groen, Geel, Blauw, Zilver en Oranje!

De een heet den Braven en een ander Dekwaadsteniet. En het is vast geen boze mens die zich als Vriend bij U aandient. Maar het is vast niet prettig de Wilde te heten of Naaktgeboren of nog erger, Sukkel.

En als er iemand naar U toekomt en zegt: "Mag ik mij even voorstelen mijn naam is de Slechte", dan zegt U "aangenaam", maar dat is dan zeker toch wel "met gemengde gevoelens"? Er zou nog veel te zeggen zijn over stambomen, over kwartierstaten, over heraldiek of wapenkunde, over tijdrekening, over oude en nieuwe stijl en over nog veel meer dat men tegenkomt, als men zich gaat verdiepen in de eeuwen die voor ons geweest zijn. We zullen er niet over uitweiden. Het naspeuren van vorige geslachten is louter liefhebberij, als het niet gaat om een vermeend recht op een oude erfenis of om het blauwe bloed.

"Noh, men joon, dat je deer nou zovveul mee op hewwe"' zei eens een oud vrouwtje tegen me en misschien onbewust vertolkte ze daarmee een zeer wijd verbreidde gedachte; dat het strunen in die muffe oude papieren dan toch wel een nutteloos werk en een grof tijdverlies is.

Ik hoop toch, dat het U iets duidelijker geworden is, dat dit onderzoek onze kennis verrijkt en dat we ons daardoor nader voelen aangetrokken tot onze vaderen, ons eigen bloed. Zij gaan weer voor ons leven, mensen waarvan we aan het begin zelfs de naam niet kenden. Zij krijgen weer gestalte en uit de simpele woorden die ze bij hun leven optekenden in de nu vergeelde boeken in het Rijksarchief, voelen we weer iets van de geest, die hen bezielde; de geest, die hen tot daden drong. Het is een studie waar nooit een eind aan komt. We willen altijd meer weten. Want die voorvader, die gevonden hebben, had ook een vader. En hoe heette die???

"Uw Vader, die in de Hemelen is, weet alle dingen."

Andijk, 11 April 1954. Piet Kistemaker.


© 2001-2019 | Kistemaker NetWerk | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap